Samenvatting symposium Bedrijfsspecifieke vaccins België

In navolging op de symposia over immunologie en bedrijfsspecifieke vaccins die Dopharma organiseerde in Nederland, volgde op 27 september jl. het symposium in België.

Een samenvatting hiervan is gepubliceerd in Dierenartsenwereld. Hier kunt u het artikel lezen.

Heeft u ook soms een positieve Delvotest®T?

Krijgt u als dierenarts soms ook de vraag van een boer waarom een melkmonster van een individuele koe, na het verstrijken van de wachttijd, toch nog positief test met de Delvotest® T?

In dit artikel vindt u meer informatie over de Delvotest® T, alsook enkele mogelijke verklaringen voor een vals positieve Delvotest® T.

Werkingsmechanisme van de Delvotest® T

De test bestaat uit:

  • ampullen met agar medium;
  • incubator.

In het agar medium zit:

  • een gestandaardiseerde hoeveelheid sporen van Bacillus stearothermophilus var. Calidolactis;
  • nutriënten om deze bacteriën te doen groeien;
  • de pH-indicator bromocresol (die de vloeistof paars kleurt).

In de ampullen zitten dus alle ingrediënten die nodig zijn om de sporen van Bacillus stearothermophilus te laten ontkiemen. Na een incubatietijd van 3 uur en 15 minuten bij een temperatuur van 64 ° C zal dit dan ook gebeuren. Bij een te lange incubatietijd vermindert de testgevoeligheid.

Als melk zonder bacteriegroeiremmende stoffen aan de testampul wordt toegevoegd, zal er na de incubatieperiode ontkieming van de sporen en uiteindelijk groei van de bacteriën kunnen plaatsvinden. Dit veroorzaakt een pH-verandering en de pH-indicator zal de kleur doen veranderen van paars naar geel.

Als melk een te grote hoeveelheid bacteriegroeiremmende stoffen bevat, vindt er geen groei van de bacteriën in de ampul plaats: de kleur blijft paars.

Hieronder een voorbeeld van de kleuromschakeling.

Bewaarcondities

Om een goede screening te kunnen uitvoeren, is het van belang dat bewaring van de testkit gebeurt op de aangegeven manier. De testen dienen rechtop in de originele verpakking te worden bewaard. De test dient bewaard te worden in het donker, bij een temperatuur tussen de 4 °C en 15 °C. De cups mogen niet bevriezen. Wisselende temperaturen kunnen de inhoud zacht maken waardoor de agar los komt en er luchtbellen kunnen ontstaan. Als de ampullen bij hogere temperatuur worden bewaard gaat dit ten koste van de houdbaarheid.

Afwijken van de bewaarcondities kan leiden tot afwijkende resultaten.

Houdbaarheidsdatum

De vervaldatum op de verkoopsverpakking dient gerespecteerd te worden.

Gevoeligheid test

In het veld wordt de Delvotest® T ingezet om melk op koeniveau te testen op de aanwezigheid van antibiotica. De meest courante antibiotica kunnen met deze test opgespoord worden. Voor sommige antibiotica is de detectiewaarde gelijk aan de Europese Maximum Residue Level (MRL), maar voor andere is de detectiewaarde lager dan de MRL.

Voor benzylpenicilline is de MRL 4 ppb. Het detectieniveau van de Delvotest® T voor benzylpenicilline ligt op 1 ppb en daarmee dus beduidend lager dan de MRL.

Ook andere antibiotica worden gedetecteerd op of beneden de wettelijke MRL (zie tabel).

Dopharma product Actieve stof Detectiewaarde Delvotest® T uitgedrukt in ppb MRL uitgedrukt in ppb
Procpen 30 penicilline G 1 4
Ampi-dry 5000® ampicilline 4 4
Ampicilline 20% pro inj ampicilline 4 4
Oxymax® 100 mg/ml oxytetracycline 100 100
Pharmasin® 200 mg/ml tylosine 35 50
Tildosin® 300 mg/ml tilmicosine 60 50
Penstrep-ject® procaine benzylpenicilline dihydrostreptomycine 1

 

500

4

 

200

Dofatrim-ject® sulfadoxine

trimethoprim

40

110

100

50

TMP/SMZ inj sulfamethoxazole

trimethoprim

40

110

100

50

Vals-positieve resultaten met Delvotest®T

De Delvotest® T detecteert in principe alle bacteriegroeiremmende stoffen in de melk en kan daarom dus ook vals-positieve resultaten geven.

  • Nauurlijke inhibitoren zoals lysozymen en lactoferrines
    Lysozymen en lactoferrines zitten als natuurlijke inhibitoren in de melk en kunnen zorgen voor een vals-positief resultaat. Bij nieuwmelkse koeien en koeien met mastitis is de concentratie van deze stoffen in de melk relatief hoog.
  • Desinfectiemiddelen en reinigingsproducten
    Ook desinfectiemiddelen zoals iodine of waterstofperoxide (30%) kunnen bij resp. 150 ppb en 600 ppb een vals-positief resultaat veroorzaken.
  • Melkvetpercentage
    Melk met een vetpercentage boven de 6% reageert in het veld ook vals-positief.
  • Hoge concentratie aan somatische cellen
    Melk met een concentratie aan somatische cellen hoger dan 106 per ml kan een vals-positief resultaat opleveren.
  • Zuurtegraad van de melk
    Microbiologische inhibitortesten zijn extreem gevoelig voor een lage pH van de monsters,
  • Mechanische defecten
    Mechanische defecten die ervoor zorgen dat er niet lang genoeg of niet bij de juiste temperatuur geïncubeerd wordt, kunnen ook een vals-positief resultaat opleveren.

Wat te adviseren bij een positieve Delvotest®T?

In het geval dat de Delvotest® T een positief resultaat geeft, is het raadzaam om ter bevestiging minimaal één hertest uit te voeren. Zoals in onderstaande figuur beschreven wordt, kan het melkmonster voor de hertest kort (enkele minuten bij 80°C) verhit worden om zo de eventueel aanwezige storende factoren te neutraliseren. Ook kan men op penicillinen positieve melk verdunnen met tankmelk in een verhouding van 1 op 3 om de gevoeligheid van de test in relatie tot de MRL te omzeilen.

x*: verdunningsfactor om de penalisatiegrens voor benzylpenicilline op 4 μg/kg (4 ppb) (= MRL1, Verordening (EEG) nr. 2377/902) terug te brengen.

Conclusie

Alle bacteriegroeiremmende stoffen kunnen een positieve Delvotest® T veroorzaken. Een positieve uitslag betekent dus niet automatisch dat er ook antibiotica aanwezig zijn in de melk. Bovendien komt de detectielimiet niet altijd overeen met de MRL.

Referenties
(Referenties zijn op te vragen bij Technical support)

  1. DSM Delvotest® T – Specification sheet
  2. DSM Delvotest® T- Technical data sheet
  3. DSM Delvotest® T – Technical bulletin
  4. ILVO – T&V – Validation report of the Delvotest® T
  5. Verordening (EEG) nr. 2377/902
  6. Influence of Preservative Concentration, pH Value and Fat Content in Raw Milk at Detection Limit of Microbial Inhibitor Tests (Delvotest® Accelerator) for Amoxicillin and Oxytetracycline – Slavko Mirecki & Nikoleta Nikolić (2016).

Brachyspira

Brachyspira komt steeds meer in de belangstelling, en terecht, gezien de problemen die hiermee optreden in het veld.

Enkele cijfers (1) met betrekking tot effecten:

  • Sterfte ten gevolge van de introductie van een nieuwe infectie (in een groep van 3-12 weken oud):
    • Acute fase: 1-4% uitval na spenen
    • Chronische fase: 1-1,5 % uitval
  • Effect op groei en voederconversie (vc):
    • Acute fase: groeiverschil 35-150 gram, vc verschil 0,1-0,3
    • Chronische fase: groeiverschil 30-35 gram, vc verschil 0,3 (4-8 extra dagen nodig)

Voor de aanpak op bedrijfsniveau zijn er verschillende mogelijkheden. Tijd om deze kiem hier eens goed onder de loep te nemen en de kennis te delen.

Het agens

Er zijn maar weinig kiemen die zo vaak van naam veranderd zijn als Brachyspira.

ln 1921 werd varkensdysenterie voor het eerst beschreven door Whiting, Doyle en Spray, in de USA. Het ziektebeeld werd later omgedoopt tot Vibrio (Dysenterie Doyle / ziekte van Doyle, in 1944 beschreven door de Amerikaanse onderzoeker L.P. Doyle). De veroorzaker werd geïsoleerd en geïdentificeerd door Harris et al. in 1972 en genaamd Treponema. Vervolgens werd de kiem in 1992 door Stanton hernoemd tot Serpulina, en sinds 1997 bekend onder de naam Brachyspira (Ochiai et al.) Het is een Gram-negatieve bacterie, groeit anaeroob, is beperkt zuurstof tolerant en bezit hemolytische eigenschappen. Het is een spiraal vormige (spirocheet) kiem met 2 sets van flagellae (8).

Voorkomen

De bacterie die van oudsher bij het varken bekend is en die als pathogeen beschouwd wordt is de sterk hemolytische Brachyspira hyodysenteriae.
Daarnaast wordt er o.a. de zwak hemolytische Brachyspira pilosicoli  gevonden als veroorzaker van Porcine Intestinal Spirochaetosis (PIS) of Porcine Colonic Spirochaetosis (PCS). Dit is een aandoening met wat mildere verschijnselen.
Ook worden in varkens zwak hemolytische Brachyspira spp gevonden zoals Brachyspira innocens, Brachyspira intermedia en Brachyspira murdochii. Deze soorten worden voor varkens als niet- of minder pathogeen beschouwd.

De indeling was destijds vooral gebaseerd op sterk en zwak hemolytische eigenschappen. Inmiddels hebben moderne analysetechnieken hun intrede gedaan en zo is in 2009 voor het eerst het genoom (op basis van sequencing) van B. hyodysenteriae gepubliceerd (2). Sindsdien heeft dit Brachyspira onderzoek een behoorlijke vlucht genomen en is inmiddels al van meerdere Brachyspira spp het genoom vastgesteld.
Daarnaast kunnen isolaten op basis van lipopolysacchariden uit de celwand onderverdeeld worden in minstens 9 serogroepen die allemaal verschillende serotypes bevatten.

Symptomen

Brachyspira hyodysenteriae veroorzaakt een besmettelijke ontsteking van de dikke darm bij varkens van alle leeftijden en alle categorieën; van fokmateriaal tot biggen en zeugen. Het belangrijkste klinische symptoom is diarree met slijmerige, bloederige, cementkleurige faeces. Verder apathie, ingevallen flanken, vermagering en bleek terugvallende dieren met anemie.

Naast een acuut verloop is ook een chronisch beeld bekend. Wat dan vooral opvalt is een slechte voederconversie en verminderde groei.
lndien zeugen in de lactatie (chronische) problemen krijgen, dan kan dat ook een verminderde vruchtbaarheid tot gevolg hebben.

Pathogenese

De kiem maakt gebruik van zijn schroefvormige beweeglijkheid, dringt de crypten van het colon en caecum binnen en vermeerdert zich daar. Er is een actieve invasie van de slijmbekercellen en penetratie van de intercellulaire ruimtes en lamina propria. De bacterie gaat niet dieper dan de intestinale mucosalaag (Salmonella spp bijvoorbeeld gaat nog dieper) en persisteert in het dikke darmslijmvlies.

Een en ander leidt tot degeneratie en ontsteking van de oppervlakkige mucosa, hypersecretie door het mucosa-epitheel en multifocale puntbloedingen (ten gevolge van hemolysines/cytotoxines; tlyA, tlyB, tlyC) op het mucosale oppervlakte. Er worden diffuse laesies en oedeem gevonden in de dikke darm.

 

Voorkeurslocatie van kiemen in het maagdarmkanaal van het varken

 

Verminderde reabsorptiecapaciteit in de dikke darm van endogene secretieproducten, die nog altijd vanuit het niet-aangetaste dunne darm epitheel komen, resulteert eveneens in diarree.

Met de genoom sequencing, die er is van B. hyodysenteriae, is er ook een plasmid gevonden die de kolonisatie van het colon zou beïnvloeden. Bij gemis van het plasmid zou er minder kolonisatie optreden (2).
Er zijn verschillende potentiële virulentie factoren onderzocht die kolonisatie door B. hyodysenteriae  bevorderen (2,3). Dat zijn hemolysinen, phospholipases, lipooligosaccharide en virulentie factoren die te maken hebben met chemotaxis, motiliteit, aanvullende factoren voor substraat gebruik, ijzer-binding, luchttolerantie en celoppervlak lipoproteïnen.

Diagnose

Brachyspira diagnose kan worden gesteld middels mestonderzoek. Swabs uit het rectum of mestmonsters, beiden zijn geschikt voor onderzoek. Bij voorkeur wordt materiaal afgenomen van dieren met diarree die (nog) niet behandeld zijn met antibiotica. De monsters moeten vers onderzocht worden; dus gekoeld en snel op transport en niet invriezen. Omdat brachyspiren anaeroob groeien, dienen potjes luchtdicht gesloten te zijn en swabs moeten met anaeroob medium verzonden worden.
Afhankelijk van het doel van het onderzoek kunnen specifiek testen worden gedaan. De IFT kan geen onderscheid maken tussen pathogene en niet-pathogene Brachyspira soorten.
Om de kiem in handen te krijgen en het onderscheid wel te maken wordt op het laboratorium een kweek gedaan, op selectief medium. Verder zijn er ook MALDI-TOF MS en PCR beschikbaar om de kiem te identificeren. Voor PCR is droog materiaal nodig (dus swabs zonder medium inzenden).

Sinds de typering van het genoom is veel bekend geworden over expressie van oppervlakte eiwitten. De volgende stap is het ontwikkelen van een ELISA om dierpopulaties te detecteren die geïnfecteerd zijn met B. hyodysenteriae. Dit zou dan prima ingezet kunnen worden voor screening van dierpopulaties in het kader van monitoring. Commercieel is er (nog) geen test beschikbaar.
Onderzoek van vleesdrip zou ook gebruikt kunnen worden om antilichamen aan te tonen (4).
Verder is het deels gelukt om de kiem (met PCR) aan te tonen in speeksel van varkens (5).

Differentiaal diagnose

  • Salmonellose
  • TGE
  • PED
  • Trichuris suis
  • E. coli

Epidemiologie

Op varkensbedrijven zijn de zeugen drager. Via de faeces vindt uitscheiding van de kiem plaats.
Biggen worden via de orale route besmet. Problemen treden meestal op bij de vleesvarkens en bij biggen na het spenen. Daarnaast kunnen ook bij dieren in de opfokfase en bij zeugen symptomen voorkomen.

De incubatietijd is 5-7 dagen (soms zelfs tot 3 maanden). Er is een langzame verspreiding door het koppel met een morbiditeit tot 90%. De uitval blijft daarbij beperkt.

Uitscheiding via de faeces van het varken na klinisch herstel is zéér lang en tot wel 90 dagen. Van diverse andere diersoorten (6) is de uitscheidingsduur bekend: hond 13 dagen, rat 2 dagen, mus 8 uren en vlieg 4 uren. Muizen daarentegen kunnen de kiem tot 180 dagen lang uitscheiden en spelen een belangrijke rol als reservoir voor verdere verspreiding.
ln de omgeving (mest) kunnen de kiemen prima overleven (6), afhankelijk van de temperatuur: in mest 3-7 dagen bij temperatuur van 25⁰C,  en onder de 10⁰C al 24-38 dagen.

Overdracht is ook mogelijk via de mens (kleding, laarzen) en vrachtauto’s. In grond kan de kiem overleven 18 dagen bij 4⁰C. Ook in vervuild water is bij 5⁰C de kiem 61 dagen lang te vinden.
Door stress kan uitscheiding van de kiem geactiveerd worden (8). Overbevolking, temperatuurschommelingen, verplaatsen, mengen van dieren, verandering in voer en vooral introductie van gelten in de zeugenstapel zijn zulke stress-momenten.

Verschillen in symptomen tussen bedrijven kunnen deels samenhangen met de samenstelling van het normale intestinale microbioom in de varkens op die bedrijven. En dat microbioom op zijn beurt kan weer beïnvloed worden door de samenstelling van het voer. Dus een indirect effect op de kolonisatie van Brachyspira spp. Dit is beschreven (7) voor B. hyodysenteriae en B. pilosicoli .

lmmuniteit (8)

Er is sprake van opbouw van immuniteit na infectie. Dieren die (met antibiotica) behandeld zijn bouwen géén weerstand op. Daardoor kunnen deze dieren ook weer opnieuw besmet worden! lmmuniteit na infectie kan serotype specifiek zijn. Na herstel van een B. hyodysenteriae infectie kan er gedurende 17 weken immuniteit verkregen worden. Sommige dieren echter blijven gevoelig; ongeveer 10%  is pas beschermd na twee challenges.
Vooral lgA is van belang. lgA niveaus in het colon duiden op een recent contact. Serumantistoffen zijn vanaf 10 dagen aanwezig en blijven 4-5 maanden aantoonbaar. Serum lgG niveaus correleren met de duur van klinische symptomen. Geen van beiden is sterk gecorreleerd aan bescherming.
In herstellende biggen is gevonden: inhibitie van leukocytenmigratie in het perifere bloed, vertraagde overgevoeligheidsreactie en T-cel respons t.o.v. B. hyodysenteriae. Hieruit wordt geconcludeerd dat cellulaire immuniteit ook een rol zal spelen.
Er is géén kruisbescherming tussen serotypes na vaccinatie met een bacterin (vaccin op basis van afgedode bacterie). Er is zeer waarschijnlijk sprake van maternale immuniteit, dus zeugen geven dit door aan hun biggen. Bacterin vaccins zouden een graad van bescherming geven.

Therapie

Zodra er klinische problemen zijn op een bedrijf en een brachyspira infectie is aangetoond, wordt vaak behandeld met antibiotica. Therapie met de volgende werkzame stoffen worden conform het formularium varken (9) geadviseerd:

  • Oraal: 1e keus: 1 Tiamulin / 1 Tylvalosine / Valnemuline / *Lincomycine / *Tylosine
  • Oraal: 2e keus: Lincomycine / Spectinomycine
  • Parenteraal: 1e keus: Tiamulin

* : geen voorkeur voor een bepaald antibacterieel middel, in alfabetische volgorde weergegeven.

Inzet van antibiotica verdient aandacht en kan nogal eens aanleiding zijn tot teleurstellende resultaten. Daarbij is het goed de volgende zaken kritisch te bekijken:

  • dosering van de medicatie;
  • lengte behandelingsduur;
  • mogelijkheid tot herbesmetting vanuit de omgeving;
  • juiste diagnose;
  • insleep door latent geïnfecteerde varkens (dragers);
  • knaagdieren, mest en andere vectoren (o.a. vliegen);
  • secundaire infecties.

Resistentie (10,11,12,13,14)

Informatie vanuit de Gezondheidsdienst voor Dieren en de Universiteit Gent geven enig inzicht in de gevoeligheid van de beschikbare antibiotica. Daarnaast geeft de literatuur informatie mbt MIC waarden voor de diverse antibiotica:

  • Tiamuline: NL/België: resistentie komt voor (10,11). Voor Brachyspira hyodysenteriae zijn in de literatuur (12,13,14) MIC90 waarden gevonden van:
    • 2 µg/ml in de USA (2016; n=40)
    • 8 µg/ml in Spanje (2011; n=87)
    • 4 µg/ml in België (2017; n=30)
  • Tylvalosine: resistentie komt voor (sinds 2013 wordt een daling in resistentie waargenomen in België ten opzichte van Tylvalosine) (10,11). In de literatuur (13,14) is het volgende te vinden voor MIC90 waarden t.o.v. B. hyodysenteriae:
    • 16 µg/ml in Spanje
    • 16 µg/ml in België
  • Valnemuline: resistentie komt voor (10,11). De literatuur (12,13,14) geeft de volgende MIC90 waarden aan mbt. B. hyodysenteriae:
    • 1 µg/ml in USA
    • 4 µg/ml in Spanje
    • 2 µg/ml in België
  • Lincomycine / Tylosine in NL: 2002: 100% resistent en in 2004: 70% resistent (n=16) (10,11). In literatuur (12,13,140 het volgende mbt MIC90 waarden te vinden:
    • Lincomycine
      • 32 µg/ml in USA
      • > 64 µg/ml in Spanje
      • 32 µg/ml in België
    • Tylosine
      • > 128 µg/ml in USA
      • > 128 µg.ml in Spanje
      • > 128 µg/ml in België

Naast inzet van antibiotica dienen hygiënische maatregelen zoals schoonmaken, ontsmetten en laten drogen, onderdeel te zijn van de totale aanpak van brachyspira op het varkensbedrijf.

Bestrijding: algemene maatregelen

Over eradicatie zijn de meningen verdeeld: is het mogelijk en op welke manier dat dan wel zou dienen te gebeuren.
De meest invasieve methode is depop-repop. Dat wil zeggen volledig schoon maken, vrij van mestresten, opdrogen, en een nieuwe populatie inleggen op het bedrijf. Dit vergt een behoorlijke investering en de vraag is dan vervolgens: hoe vrij te blijven van de kiem?
De andere manier is vanuit een bestaande populatie Brachyspira-vrij worden. Maar hoe zou dat moeten? ln de USA zijn er wel diverse eradicatie protocollen beschreven met behulp van inzet van antibiotica. Uitgevoerde procedures geven daar een 80% slagingskans (8).
De specialisten op dit gebied zijn het erover eens dat het zeer lastig is. Methoden zijn nog immer in ontwikkeling.

Specifieke preventie: vaccinatie

Er is op dit moment géén commercieel Brachyspira-vaccin beschikbaar in Europa. Daarom worden onder de cascaderegeling bedrijfsspecifieke vaccins tegen Brachyspira ingezet. Er zijn wetenschappelijke artikelen die beamen dat daardoor de uitscheiding van Brachyspira minder wordt (15,16,17).
Daarnaast ziet men in het veld vaak een vermindering van de klinische symptomen. Dit varieert van geen acute uitbraken meer, verschijnselen bijna geheel weg, het gaat redelijk goed, tot een verschuiving van de problemen naar oudere leeftijd in de vleesvarkensstal.
Verder blijkt in de praktijk dat inzet van bedrijfsspecifieke vaccins tegen Brachyspira zelfs op bedrijven met een biologisch houderij systeem zinvol is. Voorwaarde is wel dat overige diarree-veroorzakende factoren goed aangepakt worden voordat er gestart wordt met een Brachyspira-vaccinatie.

Ripac-Labor

Dopharma zet zich samen met u in voor een gezonde landbouwhuisdierensector. Bedrijfsspecifieke vaccins kunnen onder wettelijk duidelijk omschreven voorwaarden in bijzondere gevallen worden ingezet. De toepassing van een bedrijfsspecifiek vaccin kan in deze gevallen een passend antwoord zijn op specifieke bedrijfsproblematiek. Voor inzet van de bedrijfsspecifieke vaccins dient de Cascade regeling gevolgd te worden (18). Dit is omschreven in het Besluit Diergeneeskundigen.

Dopharma kan u helpen met raad en daad: een sterk team voor technische ondersteuning en de lange ervaring van Ripac-Labor in de diagnostiek, isolatie, typering en uiteindelijk productie van bedrijfsspecifieke vaccins, zorgen voor een solide basis.

Referentie

  1. Muirhead et al. Managing Pig Health and the Treatment of Disease (1997).
  2. Bellgard et al. (2009) Genome sequence of the pathogenic intestinal spirochete Brachyspira hyodysenteriae reveals adaptations to its lifestyle in the porcine large intestine. PLoS One 4(3): e4641.
  3. Black et al. (2015) Analysis of multiple Brachyspira hyodysenteriae genomes confirms that the species is relatively conserved but has potentially important strain variation. PLoS One 10(6):e0131050.
  4. Song et al. The use of ELISA’s for monitoring exposure of pig herds to Brachyspira hyodysenteriae. BMC Vet Res 2012 Jan 17;8:6.
  5. Boyer P. et al. Testing oral fluid samples to diagnose swine dysentery in commercial farms. IPVS Mexico. 2014 June 8-11.
  6. The Merck Veterinary Manual (2010), 10th edition.
  7. Hampson DJ. Brachyspiral colitis: an evolving problem. IPVS Mexico. 2014 June 8-11.
  8. Diseases of Swine (2OI2), 10th edition.
  9. WVAB Formularium varken (2012).
  10. Gezondheidsdienst voor Dieren. Monitoring Diergezondheid Jaarverslag 2011.
  11. Persoonlijke communicatie Universiteit Gent (2017).
  12. Nandita S. et al. Antimicrobial susceptibility patterns of Brachyspira species isolated from swine herds in the United States. JCM 2016 August;54(8):2109-2119.
  13. Hidalgo A. et al. Trends towards lower antimicrobial susceptibility and characterization of acquired resistance among clinical isolates of Brachyspira hyodysenteriae in Spain. Antimicrob. Agents Chemother. 2011 July;55(7):3330-3337.
  14. Mahu M. et al. Presence and mechanisms of acquired antimicrobial resistance in Belgian Brachyspira hyodysenteriae isolates belonging to different clonal complexes. Vet. Microbiol. 2017;207:125132.
  15. Hidalgo A, et al. Control of swine dysentery with an inactivated autovaccine against brachyspira hyodysenteriae in a multiplier herd. IPVS Durban. 2008 June 22-26.
  16. Rubio P. Spanish experiences with swine dysentery. ESPHM Brugge. 2012 April 25-27.
  17. Deza J, et al. Control of swine dysentery with an inactivated autovaccine against B. hyodysenteriae in a finish pig farm of Spain. IPVS Mexico. 2014 June 8-11.
  18. Besluit diergeneeskundigen. Hoofdstuk 5. Diergeneesmiddelen. 2018.

 

 

MALDI-TOF MS

RIPAC-LABOR gebruikt verschillende diagnostische technieken voor het identificeren van micro-organismen. De MALDI-TOF MS is er hier één van, maar ook agglutinatie, sneltesten en PCR worden toegepast.
De MALDI-TOF MS is een methode die gebruikt wordt in verschillende humane en veterinaire diagnostische laboratoria, en in laboratoria die bacteriologisch onderzoek van omgevingsmonsters doen. Er zijn wereldwijd ongeveer 3.000 apparaten geïnstalleerd. In dit artikel willen we informatie met u delen over het werkingsmechanisme van deze techniek, als ook over de mogelijkheden van deze test.

De techniek

MALDI-TOF MS is een afkorting van Matrix Assisted Laser Desorption Ionization Time of Flight Mass Spectrometry. Deze techniek is gebaseerd op een automatische analyse van de massaverdeling van eiwitten afkomstig van bacteriën of schimmels.
De monsters worden in het apparaat in een hoogvacuümomgeving gebracht. De spectrometer bevat een zeer nauwkeurige laser. Deze laser ioniseert het monster. Daarna komt er een “wolk” van ionen vrij die versneld wordt door een elektrische lading. Deze ionen passeren een ringelektrode. De MALDI-TOF MS determineert vervolgens de Time of Flight, gebaseerd op een formule is afgeleid van de tijd die het ion nodig heeft om de detectieplaat te bereiken. Tot slot worden de eiwitten gedetecteerd met een sensor om een spectrum te creëren met het aantal ionen en hun specifieke massa.

Figuur 1 Het MALDI-TOF MS werkingsmechanisme (Patel, 2014)

Het spectrum

Als het spectrum vergeleken wordt met de database, wordt bekend wat de uitslag is. Het spectrum is namelijk uniek voor een bepaalde bacterie. Meestal kan een monster geïdentificeerd worden tot op het niveau van de species of subspecies. Soms kan ook het serotype bepaald worden.

Hieronder wordt een voorbeeld gegeven van een spectrum, in dit geval voor Riemerella anatipestifer. De pieken die geel zijn gemarkeerd zijn specifiek voor de familie, de groen gemarkeerde pieken voor het genus en de rood gemarkeerde pieken voor de species.

Figuur 2 MALDI-TOF MS Spectrum (RIPAC-LABOR)

RIPAC-LABOR maakt gebruik van de VITEK® MS ROU, die door BioMerieux op de markt wordt gebracht. Dit apparaat heeft een open database. RIPAC-LABOR gebruikt de commerciële database met ongeveer 20.000 referentiespectra. Daarnaast beschikt RIPAC-LABOR over nog 20.000 eigen referentiespectra met minder vaak voorkomende species, die door de jaren heen zijn opgebouwd.

Mogelijkheden

De MALDI-TOF MS is een eenvoudige, snelle en gevoelige methode voor de identificatie van groeiende bacteriën en schimmels. Zowel aërobe als anaërobe bacteriën kunnen geïdentificeerd worden. De gebruikte database bevat de meest voorkomende bacteriële stammen die geïsoleerd worden bij pluimvee, varkens en runderen. Daarnaast worden alle referentie spectra opgeslagen, ook van onbekende stammen. Deze spectra worden met elkaar vergeleken, waardoor RIPAC-LABOR een uitbraak met een nieuwe pathogeen snel zal signaleren.

Daarnaast is het ook mogelijk om mengculturen te identificeren, bestaande uit maximaal drie verschillende bacteriën.

Het bepalen van de antibioticumgevoeligheid wordt niet standaard gedaan met de MALDI-TOF MS. Hiervoor wordt doorgaans een antibiogram gemaakt. Sommige factoren die geassocieerd worden met resistentie, zoals β-lactamases en MRSA, zijn echter eiwitten. En deze eiwitten kunnen gedetecteerd worden met de MALDI-TOF MS. Voordat deze eiwitten aangetoond kunnen worden in de MALDI-TOF MS, wordt de bacterie tijdens de kweek blootgesteld aan antibiotica, zodat de bacterie aangezet wordt tot het produceren van de resistentiefactoren. Ondanks dat het mogelijk is om resistentiefactoren te bepalen met de MALDI-TOF MS, is het niet eenvoudig. Er zijn namelijk erg veel β-lactamase moleculen met verschillende massa’s. Bovendien lijken deze massa’s soms veel op de massa’s van andere bacteriële eiwitten.

Monsters

Om de MALDI-TOF MS uit te kunnen voeren is een groeiende bacteriestam nodig. Dit betekent dat de bacteriën eerst geïsoleerd moeten worden uit het karkas, of uit een ander monster (bijv. bloed, faeces, melk). Daarna kunnen deze stammen gekweekt worden. Van de plaat wordt een kolonie gepakt en op een MALDI-TOF MS plaat geplaatst. Hier wordt de kolonie gemengd met 1 µl van een matrixoplossing. Het toevoegen van de stammen aan de matrix zorgt voor extractie van de moleculen uit de cellen, wat leidt tot kristalvorming. Deze plaat wordt in de ionisatie kamer van de massaspectrometer geplaatst. De rest van het proces is geautomatiseerd, waardoor de monsters snel geanalyseerd kunnen worden.

RIPAC-LABOR

RIPAC-LABOR werkt al meer dan 10 jaar met de MALDI-TOF MS. De laboranten van RIPAC-LABOR gebruiken deze techniek voor de identificatie van verschillende micro-organismen waaronder bacteriën, schimmels en gisten. Daarnaast wordt de MALDI-TOF MS gebruikt voor het detecteren van natuurlijke producten van bacteriën en schimmels. Voorbeelden van deze natuurlijke producten zijn delta toxines van Staphylococcus aureus of niet-ribosomale eiwitten van Bacillus spp.

Tot slot kan deze techniek ook gebruikt worden voor de detectie van synthetische producten, zoals polymeren.

Bij RIPAC-LABOR wordt de MALDI-TOF MS gebruikt voor de analyse van verschillende soorten monsters:

  • klinische veterinaire monsters;
  • klinische humane monsters;
  • omgevingsmonsters;
  • monsters van biogasinstallaties.

Omdat RIPAC-LABOR al een jarenlange ervaring heeft met de MALDI-TOF MS, hebben ze een grote hoeveelheid referentie spectra in de database. Dit betekent dat RIPAC-LABOR ook veel veterinaire bacteriën in de database heeft, waardoor ze goed in staat zijn om veterinair belangrijke bacteriën snel en nauwkeurig te bepalen. Ook nieuwe en minder bekende pathogenen, die met de klassieke biochemische testen niet geïdentificeerd kunnen worden, kunnen met de MALDI-TOF MS soms wel geïdentificeerd worden.Bij RIPAC-LABOR wordt de MALDI-TOF MS vooral gebruikt voor de identificatie van stammen die gebruikt worden voor de productie van bedrijfsspecifieke vaccins.

Praktische informatie

Indien u gebruik wenst te maken van de diagnostische mogelijkheden van RIPAC-LABOR, kunt u altijd contact opnemen met het Technical Support Team. Het inzendformulier voor diagnostiek staat op de pagina bestelformulieren.

Referenties

  1. Belkum, A. van, Welker, M., Erhard, M., Chatellier, S. (2012) Biomedical mass spectrometry in today’s and tomorrow’s clinical microbiology laboratories. J Clin Microbiol. 2012 May: 50(5): 1513-7.
  2. Jung, J.S., Popp, C., Sparbier, K. Lange, C., Kostrzwa, M., Schubert, S. (2014) Evaluation of MALDI-TOF MS for rapid detection of β-lactam resistance in Enterobacteriae derived from blood cultures. J. Clin. Microbopl. 52(3):924-30.
  3. Patel, R. (2015) MALDI-TOF MS for the diagnosis of infectious disease. Clinical chemistry 61:1 (100-111).
  4. Singhal, N., Kumar, M., Kanaulja, P., Virdl, J. S. (2015) MALDI-TOF mass spectrometry: an emerging technology for microbial identification and diagnosis. Frontiers in microbiology 6:791.
  5. Vitek MS website.
news

Nieuwe mogelijkheden in de rundveehouderij

In september 2017 hebben Dopharma en RIPAC-LABOR hun krachten gebundeld. Maar wat betekent dat voor u als rundveedierenarts?

In september 2017 hebben Dopharma en RIPAC-LABOR hun krachten gebundeld. De jarenlange ervaring van Dopharma in de intensieve veehouderij en de specialisatie van Ripac-Labor in de ontwikkeling en productie van bedrijfsspecifieke vaccins moet ervoor zorgen dat verdere sprongen kunnen worden gemaakt om de veehouderij van morgen rendabel te houden. Het gebruik van bedrijfsspecifieke vaccins is volledig ingeburgerd in de pluimvee- en varkenshouderij. Ook in de rundveehouderij zijn er mogelijkheden. Klik hier voor een overzicht van de kiemen waar Ripac-Labor mee werkt.

Als diergeneesmiddelen of commerciële vaccins op de markt niet voldoen of niet beschikbaar zijn, weet dan dat uw zoektocht nog niet hoeft op te houden. Hebt u interesse, aarzel dan niet om contact op te nemen met het “Technical Support Team” om meer te weten te komen.

Necrobacillose bij het rund, een term die meer betekent dan je denkt

Necrobacillose is een verzamelnaam voor infecties die gepaard gaan met necrose. Deze aandoening kan bij dieren overal in het lichaam plaatsvinden. De veroorzaker hiervan draagt de naam Fusobacterium necrophorum. De meest voorkomende aandoening die deze bacterie bij koeien veroorzaakt zijn leverabcessen. Klauwproblemen in koeien en schapen, oropharyngeale abcessen (difterie) bij kalveren en endometritis in koeien komen ook veelvuldig voor en worden meestal veroorzaakt door gemengde infecties van F. necrophorum en andere pathogene bacteriën (1, 2, 3, 4).

Fusobacterium necrophorum

Fusobacterium necrophorum is een gram negatieve, niet beweeglijke en niet sporevormende anaërobe kiem die zeer pleomorf is. De kiem is facultatief pathogeen en behoort tot de normale flora van het spijsverteringstelsel en ademhalingsstelsel bij koeien. Een typische eigenschap is dat deze bacterie de mogelijkheid heeft om propionzuur uit melkzuur te produceren.

Van Fusobacterium necrophorum zijn er 4 subspecies geïdentificeerd. De twee belangrijkste subspecies zijn F. necrophorum subspecies necrophorum (biotype A) en F. necrophorum subspecies funduliforme (biotype B). Deze twee zijn morfologisch, biologisch en biochemisch verschillend van elkaar. Het subspecies necrophorum is meer virulent en wordt frequenter geïsoleerd uit infecties dan subspecies funduliforme welke dan weer dikwijls gevonden wordt bij gemengde infecties.

Virulentiefactoren

De virulentiefactoren betrokken bij de pathogenese van Fusobacterium necrophorum zijn leukotoxine, endotoxisch lipopolysaccharide (LPS), hemolysine, hemaglutinine, adhesines of pili en verschillende extracellulaire enzymen met inbegrip van proteasen en deoxyribonucleasen. Al deze virulentiefactoren dragen bij tot de intrede, kolonisatie, proliferatie van het organisme én de ontwikkeling van laesies.

In onderstaande tabel vindt u een overzicht van de verschillende virulentiefactoren van Fusobacterium necrophorum.

Factoren Karakteristieken Werkingsmechanismen Rol in de infectie
Leukotoxine Extracellulair eiwit Cytotoxisch voor neutrofielen, macrofagen, hepatocyten en epitheliale cellen van herkauwers
  • Beschermt tegen de fagocytose door neutrofielen en Kupffer cellen;
  • Veroorzaakt schade aan het parenchym van de lever door vrijstelling van cytolytische stoffen.
Endotoxine Celwand component, lipopolysaccharide (LPS) Heeft een necrotisch effect en veroorzaakt diffusie intravasale stolling (DIS)
  • Creëert een anaeroob milieu en bevordert zo de anaerobe groei.
Hemolysine Extracellulair, maar cel geassocieerd eiwit Veroorzaakt lyse van erythrocyten
  • Helpt in het verwerven van ijzer, wat werkt als stimulator bij bacteriële groei;
  • Creëert een anaeroob micro-milieu.
Hemagglutinine Waarschijnlijk een eiwit celwand geassocieerd eiwit Agglutineert erythrocyten
  • Bevordert de vasthechting aan ruminaleepitheelcellen en hepatocyten bij herkauwers.
Adhesine Extracellulair, waarschijnlijk een eiwit Hecht zich vast aan de celwand van eukaryoten
  • Helpt bij kolonisatie van de huid of het ruminaal epitheel.
Dermonecrotisch toxine Celwand geassocieerd eiwit Veroorzaakt necrose in het epitheel
  • Helpt in de penetratie van het ruminaal epitheel of van de huid bij herkauwers.
Trombocyten aggregatie factor Celwand geassocieerd eiwit Breekt celeiwit af
  • Creëert een anaeroob milieu;
  • Bevordert de fibrineneerslag;
  • Beschermt de bacterie.
Protease Extracellulair proteïne Breekt celeiwit af
  • Vergemakkelijkt de penetratie van het ruminaal epitheel of van de huid herkauwers.

Het potente leukotoxine met hoog moleculair gewicht wordt gezien als één van de belangrijkste virulentiefactoren betrokken bij Fusobacterium infecties in dieren. Het is cytotoxisch voor neutrofielen, macrofagen, hepatocyten en waarschijnlijk ook voor de pens epitheelcellen van herkauwers. Het toxine induceert bij een lage concentratie apoptose, bij een hogere concentratie veroorzaakt het lyse van de cellen. Deze cytotoxiciteit is actiever tegen polymorfonucleaire cellen dan tegen lymfocyten.

Dat leukotoxine heel toxisch is voor de polymorfonucleaire leukocyten van herkauwers blijkt uit een cytotoxiciteit studie uitgevoerd binnen verschillende diersoorten. In deze studie werd aangetoond dat het F. necrophorum leukotoxine hoog toxisch is voor leukocyten van rund en schaap, matig toxisch voor deze van paarden en laag toxisch voor leucocyten van varkens en konijnen.

De mogelijkheid van dit leukotoxine om het immuunsysteem van koeien te beïnvloeden vertegenwoordigt een potentieel belangrijk mechanisme in de pathogenese van de kiem.

Het leukotoxine van F. necrophorum is aanzienlijk omvangrijker (336,000 Da) dan leukotoxines geproduceerd door andere bacteriën zoals Mannheimia hemolytica (104,000 Da) en Staphylococcus aureus (38,000 en 32,000 Da).

Fusobacterium necrophorum infecties in koeien

De betekenis van Fusobacterium necrophorum infecties in koeien wordt hieronder nader toegelicht.

Bacillaire levernecrose en leverabcessen

In het slachthuis worden in de levers vaak ronde, gele vast aanvoelende haarden /abcessen gevonden. Het gaat hier om een necrotiserende hepatitis veroorzaakt door de primaire veroorzaker Fusobacterium necrophorum. Maar ook nog andere anaërobe, facultatieve pathogenen als Bacteroides spp, Clostridium spp, Peptostreptococcus spp en Trueperella pyogenes werden al geïsoleerd uit leverabcessen.

Pathogenese

Leverabcessen zijn vaak secundair aan ruminitis en pensacidose bij dieren die gevoederd worden met veel krachtvoer. Het juiste mechanisme hierachter is nog niet geheel opgehelderd, maar men gaat er vanuit dat de snelle fermentatie van het krachtvoer zorgt voor een verhoogde synthese van vluchtige vetzuren en lactaat. Dit resulteert in pensacidose. De geïnduceerde ruminitis, samen met eventueel schade aan het epitheel door vreemde voorwerpen (zie tabel), kan helpen bij de invasie van Fusobacterium necrophorum. Langs deze weg kan de bacterie een abces veroorzaken in de penswand of verder koloniseren naar het bloed om zo in de portale circulatie terecht te komen, om dan gecapteerd te worden in de lever met een infectie als gevolg. Dit proces gaat niet zonder slag of stoot. Immers de zuurstofrijke omgeving in de lever en het hoog immunogeen karakter van dit orgaan, beschermd door massa’s fagocyten, zijn voor de facultatieve anaeroben geen ideaal milieu. De verschillende virulentiefactoren vermeld in de tabel spelen elk een rol in de pathogenese. Zo beschermen het leukotoxine en het endotoxisch LPS de kiem tegen fagocytose. De cytolytische stoffen vrijgekomen ten gevolge van de vernietiging van de fagocyten zorgen voor een negatieve invloed op het parenchym van de lever. Daarbij zorgen de intravasculaire coagulatie door LPS en trombocyten aggregatie factor, de vorming van fibrinekapsels en het gebrekkig zuurstoftransport ervoor dat de bacterie kan overleven in de penswand en de lever.

Bacteriën geïsoleerd uit leverabcessen uit gedode koeien uit het slachthuis overgenomen uit Purvis 2006.

Leverabcessen bij koeien
Bacteriën Acidosis en ruminitis (n=28) Reticuloperitonitis (n= 29)
Fusobacterium necrophorum 20 29
Subspecies necrophorum 13 26
Subspecies funduliforme 8 9
Trueperella pyogenes 15 11
Clostridium perfringens 5 2

 

In een recente studie werd ook Salmonella enterica geïsoleerd uit de leverabcessen. Een verklaarbare theorie hiervoor zou zijn dat de Salmonella aanwezig in de darm, de darmbarrière zou passeren ter hoogte van de dunne of dikke darm en zo via de lymfeknopen tot in de portale circulatie komt om daar gefiltreerd te worden door het portaal capillair systeem om dan zo infectie te veroorzaken. Verdere studies zullen het belang van deze kiem in het veroorzaken van leverabcessen nog moeten aantonen.

Als complicatie van de leveraantasting kan de vena cava aangetast worden, met flebitis en thromboflebitis als gevolg. Geïnfecteerde thrombi kunnen loslaten en zo pneumonie en longbloedingen veroorzaken.

Incidentie

Alhoewel het voorkomen van leverabcessen in de eerste plaats een probleem geeft in de vleesindustrie kampen ook melkkoeien soms met het probleem. Leverabcessen komen vrij vaak voor; de laatste jaren werd er wereldwijd een incidentie van 10 tot 20 % gezien.

De incidentie is natuurlijk gerelateerd aan bepaalde factoren zoals het dieet, ras, geslacht, geografische locatie en het seizoen.

Symptomen

De symptomen zijn niet zeer specifiek: algemeen ziek, koorts, diarree of obstipatie en natuurlijk leverfunctiestoornissen.

Diagnose

Een goede diagnose kan alleen postmortaal of door het nemen van een leverbiopt gesteld worden.

Therapie

In eerste plaats dient het voedermanagement aangepast te worden om pensontsteking en acidose te voorkomen. Langdurige antibioticumtherapie met procaïne benzylpenicilline geeft een matig resultaat. In Amerika wordt er in de feedlots veelvuldig gevaccineerd hiertegen met een sterke daling van het aantal leverabcessen als gevolg.

Klauwaandoeningen: Panaritium

Panaritium, ook tussenklauwontsteking, interdigitale necrobacillose, kleipoot, slakkepoot of tussenklauwflegmoon genoemd, is een ontsteking van het weefsel van de tussenklauwspleet.

Pathogenese

Tussenklauwontsteking ontstaat altijd door een beschadiging, een wondje door bijvoorbeeld steentjes, zaagselsplinters of slechte loopvlakken. De ontsteking zelf ontstaat door de aanwezigheid van necrose veroorzakende bacteriën: door deze bacteriën sterft het weefsel af. Fusobacterium necrophorum is de meest geïsoleerde kiem bij panaritium, maar ook andere strikt anaërobe bacteriën zoals voornamelijk Trueperella pyogenes, Bacteroides melaninogenicus, Peptostreptococcus spp en minder frequent Bacteroides fragilis worden aangetroffen.

Necrophorum en T. pyogenes zijn synergistische kiemen die producten vormen die elkaars groei gunstig kunnen beïnvloeden. Deze twee bacteriën vormen ook exotoxines die necrose veroorzaken en zo de vaatwanden ter hoogte van de ondervoet kunnen beschadigen. Hierdoor treedt vocht naar buiten met zwelling tot gevolg. Het gevaar bestaat dat de infectie zich uitbreidt naar peesscheden, pezen, gewrichtskapsels, gewrichtsbanden en gewrichten ter hoogte van de ondervoet. Uitzaaiingen via de bloedbaan naar andere weefsels en organen kunnen voorkomen.

Symptomen

Dieren met interdigitale necrobacillose vertonen acute claudicatie en hoge koorts. Zonder behandeling kunnen de diepere weefsels van de ondervoet worden aangetast. Evacuatie van necrotisch materiaal gebeurt door fistelvorming aan de kroonrand of in de tussenklauwspleet.

Behandeling

Bij panaritium is het van groot belang om de koe snel te behandelen om de vorming van een tyloom en het nog verder naar binnen slaan van de ontsteking te voorkomen. Indien men heeft vastgesteld dat het om tussenklauwontsteking gaat, is het parenteraal behandelen met antibiotica (procaïnebenzylpenicilline, oxytetracycline of tylosine) noodzakelijk. Dopharma heeft in haar assortiment Oxymax® 100 mg/ml en Pharmasin® 200 mg/ml, producten die onder andere zijn geregistreerd voor de behandeling van panaritium door Fusobacterium necrophorum. Ook is het bevorderlijk om de harde hoornranden in de tussenklauwspleet te verwijderen en oxytetracyclinespray op de wond in de tussenklauwspleet te spuiten.

Een gunstig stalklimaat, schone, degelijke loopvlakken (geen kans op beschadigingen van buitenaf) en regelmatig gebruik van voetbaden helpt tussenklauwontsteking te voorkomen..

Klauwaandoeningen: Stinkpoot

Stinkpoot begint als een infectie van de tussenklauwhuid en geeft in een later stadium groeven en kloven in het hoorn van het balgebied. De naam stinkpoot komt van de stank die deze aandoening veroorzaakt. De klauwaandoening stinkpoot staat ook wel bekend als dermatitis interdigitalis.

Pathogenese

De oorzaak van deze aandoening is een bacteriële infectie van Dichelobacter nodosus en Fusobacterium necrophorum. Uitgesproken gevallen van stinkpoot worden vooral gezien bij oudere melkkoeien die langdurig binnen gehuisvest zijn. Een slechte hygiëne en een slecht, vochtig stalklimaat geven de bacteriën de kans om de klauwen aan te tasten. Dit is te voorkomen door de stal goed te ventileren en door op de roosters gebruik te maken van een mestschuif. Hierdoor blijven de klauwen droger en harder, waardoor ze minder gevoelig zijn voor infecties.

Symptomen

De symptomen van stinkpoot zijn afhankelijk van de fase waarin de aandoening zich bevindt. Stinkpoot begint als een oppervlakkige ontsteking van de tussenklauwhuid, met name in het balgebied. Het is vochtig en het stinkt. De koe heeft nog nergens last van en loopt ook niet kreupel. In de volgende fase wordt de balhoorn aangetast. In deze fase ontstaan ook kloven en hoornmisvormingen. Als laatste treedt de hoornvorming op de voorgrond. Dit gebeurt met name bij de achterbuitenklauw. Op den duur kunnen complicaties optreden. Tylomen zijn hier een goed voorbeeld. De kloven in het balgebied bieden de veroorzakers van Mortellaro dan weer de kans om aan te slaan.

Behandeling

Stinkpoot wordt in de eerste plaats behandeld door de klauw te bekappen. Overtollig hoorn wordt hierbij weggesneden, daarna worden koeien meestal door een voetbad gestuurd.

De beste preventieve maatregelen zijn een goede hygiëne en regelmatig bekappen.

Orale necrobacillose

Deze aandoening komt voornamelijk voor bij kalveren jonger dan één maand. Het betreft hier aan aantasting van het wangslijmvlies en van de tong.

Symptomen

De dieren vertonen verminderde eetlust en speekselvloei, de tongpunt steekt uit de bek en het voedsel blijft stagneren in de wang. Bij inspectie in de bek is het slijmvlies geelgrauw van kleur en stinkt.

Necrotische laryngitis/kalverdifterie

Zoals eerder vermeld is Fusobacterium necrophorum ook een van de meest geïsoleerde anaërobe kiemen uit abcessen in luchtweginfecties. Laryngitis of necrobacillose van de laynx is een acute tot chronische infectie van de laryngeale mucosa en van het arytenoid kraakbeen. Op sommige bedrijven is deze infectie enzoötisch aanwezig (Belgisch witblauw).

Pathogenese

De opname van de kiem gebeurt oraal of via inhalatie. De kiem is niet in staat de intacte mucosa te penetreren. Kleine wonden, de zo genaamde contactulcera, fungeren als intredepoort en zorgen er zo voor zorgen dat de kiem in diepere weefsels kan doordringen en een necrotiserende infectie kan veroorzaken. Deze contactulcera kunnen ontstaan ten gevolge van infecties van de luchtwegen en kan veroorzaakt worden door zowel virussen als bacteriën. Ook het veelvuldig hoesten en het veelvuldig slikken bij een luchtweginfectie zorgen voor beschadigingen, erosies en ulceraties van de gezwollen larynxmucosa.

Op bedrijven met een slechte huisvesting wordt de ziekte het vaakst opgemerkt. Slechte ventilatie, hoge vochtigheidsgraad, overbezetting en onhygiënische omstandigheden zorgen ervoor dat de bacterie meer kans heeft om het dier te infecteren. Daarnaast zijn een gebrek aan vitamine A (hyperkeratose en meerlagig verhoornd epitheel ) en irriterende gassen predisponerende factoren voor het ontstaan van contactulcera.

Symptomen

De symptomen kunnen een acuut karakter vertonen. Echter, soms treden de ziekteverschijnselen progressief of intermitterend op. Vaak begint het met hoest, eventueel met een bilaterale neusuitvloeiing.

Het meest typische symptoom is de inspiratoire stridor door de ontsteking en de necrose ter hoogte van de larynx en de daarmee gepaard gaande zwelling. Wanneer de stridor erg toeneemt, wordt ook de dyspneu erger. Soms met sterfte door verstikking als gevolg.

Wanneer de larynx wordt onderzocht dan vindt men zwelling, necrose en granulatieweefsel op de arytenoiden

Ook verminderde beweeglijkheid van de arytenoiden en een vernauwing van de glottis wordt heel dikwijls opgemerkt.

Bij langdurige bacteriële laryngitis kunnen eveneens chronische tympanie en longabcessen voorkomen.

Diagnose

Meestal wordt de diagnose gesteld aan de hand van de symptomen, maar endoscopisch onderzoek kan duidelijkheid geven.

Bacteriologisch onderzoek kan door de kiemen te enten op bloedagar; stalen moeten zo snel mogelijk geënt worden en gedurende meerdere dagen geïncubeerd worden onder anaërobe omstandigheden.

Behandeling

Medicamenteuze behandeling met een eerste keus antibiotica (procaïnebenzylpenicilline, oxytetracycline of tylosine ) en NSAID’s worden in eerste instantie geadviseerd. Dopharma heeft in haar assortiment Oxymax® 100 mg/ml en Pharmasin® 200 mg/ml, producten die onder andere zijn geregistreerd voor de behandeling van necrobacillose. Wanneer dit niet helpt dan kan een operatie het lijden verhelpen.

Endometritis

Ook bij endometritis speelt Fusobacterium necrophorum een rol, al is het maar een ondergeschikte rol.

Meerdere bacteriën worden als veroorzakers gezien in deze aandoening. In een review over de risicofactoren van klinische en subklinische endometritis in koeien zijn Escherichia coli en Trueperella pyogenes aangetoond als de meest frequent geïsoleerde bacteriën uit het uteruslumen bij koeien met uterusinfecties, gevolgd door anaërobe bacteriën zoals Provetella spp, Fusobacterium necrophorum en Fusobacterium nucleatum. Hieronder een overzicht van de belangrijkste veroorzakers van uteriene problemen.

Pathogenen Potentiële pathogenen Opportunistische pathogenen
Trueperella pyogenes Bacillus licheniformis Clostridium perfringens
Bacteroides spp Enterococcus faecalis Klebsiella pneumoniae
Prevotella melaninogenicus Mannheimia haemolytica Micrococcus spp
Escherichia coli Pasteurella multocida Proteus spp
Fusobacterium necrophorum Peptostreptococcus spp Staphylococcus spp, coagulase –negative α-hemolytic streptococci
Staphylococcus aureus Streptococcus acidominimus
Steptococci, nonhemolytic Aspergillus spp

 

Endometritis is een multifactorieel probleem met veel intrinsieke en extrinsieke factoren die meespelen in het ontstaan ervan. Door de ondergeschikte rol van Fusobacterium necrophorum in het metritis-endometritisprobleem wordt deze ziekte niet behandeld in dit artikel.

Zoönose

Humaan veroorzaakt Fusobacterium een zere keel en tonsillitis in jonge volwassenen, wat in bepaalde omstandigheden kan leiden tot een complicatie genoemd het syndroom van Lemierre (Kupalli et al, 2012). De Fusobacterium stam die deze ziekte veroorzaakt is verschillend van deze bij koeien en lijkt meer op de subspecies funduliforme.

Dopharma producten

Dopharma heeft ook enkele producten in het assortiment die ingezet kunnen worden bij de behandeling van luchtweginfecties, klauwproblemen en metritis.

Fusobacterium necrophorum

veroorzaker van:

Luchtweginfecties Difterie Klauwproblemen Metritis
Dofatrim-ject®

x

x

Oxyject 10%

x

x

Oxy LA INJ

x

Oxymax® 100 mg/ml

x

x

Penstrep-ject®

x

x

Pharmasin® 200 mg/ml

x

x

x

Sulfadimidine-Na

x

Tildosin® 300 mg/ml

x

TMP/SMZ INJ.

x

Referenties

  1. Fusobacterium necrophorum Leukotoxin Induces Activation and Apoptosis of Bovine Leukocytes† – S. Narayanan, 2002.
  2. Fusobacterium necrophorum: its characteristics and role as an animal pathogen – Langeworth, B.F., 1977.
  3. Necrobacillosis associated with Fusobacterium necrophorum – Nagaraja T.G., 1998
  4. Liver abscesses in feedlot cattle – Nagaraja, T. G., et al, 1998.
  5. Fusobacterium necrophorum infections: virulence factors, pathogenic mechanism, and control measures – Tan, Z. L. et al, 1996.
  6. Fusobacterium necrophorum infections in animals: Pathogenesis and pathogenic mechanisms – T.G. Nagaraja et al, 2005.
  7. Bacterial complications of postpartum uterine involution in cattle – Földi et al, 2006.
  8. Effect of postpartum manual examination of the vagina on uterine bacterial contamination in cows – Sheldon et al, 2002.
  9. Defining postpartum uterine disease in cattle – Sheldon et al, 2006.
  10. Mechanisms of infertility associated with clinical and subclinical endometritis in high producing dairy cattle – Sheldon et al, 2009.
  11. Risk factors of clinical and subclinical endometritis in cattle – Adnane et al, 2017.
  12. Leukotoxins of Gram-negative bacteria – Narayannan SK et al, 2002.
  13. Liver abscesses in cattle: A review of incidence in Holsteins and bacteriology and vaccine approaches to control in feedlot cattle – R.G. Amachawadi et al, 2016.
  14. Fusobacterium necrophorum :A ruminal bacteria that invades liver to cause abscesses in cattle – Tadepalli et al, 2008.

Bronvermeldingen

  1. Leverabces
  2. Panaritium
  3. Stinkpoot
  4. Difterie: Lien Van Damme, UGent (2015-2016)Overlevingsstatistieken van runderen na chirurgische behandeling van laryngeale necrobacillose.
  5. Endometritis

Diergeneesmiddelengebruik via de cascade

Indien er voor een betreffende diersoort en aandoening geen geregistreerd middel is, kan een dierenarts gebruik maken van de cascade. Het diergeneesmiddel wordt dan off label gebruikt. In dit artikel wordt uitgelegd hoe de cascade werkt en hoe deze toegepast kan worden.

Uitleg cascade

Het toepassen van de cascade is beschreven in het Besluit Diergeneeskundigen, artikel 5.1 en artikel 5.2.

De eerste voorwaarde voor het toepassen van de cascade is dat de dieren onaanvaardbaar lijden wordt bespaard. Daarna worden de volgende stappen doorlopen:

  1. Is er een Nederlands product geregistreerd voor een andere diersoort of voor een andere aandoening bij dezelfde diersoort.
  2. Als dit niet het geval is, kan er gebruik worden gemaakt van:
    1. Een in Nederland humaan geregistreerd geneesmiddel;
    2. Een in een andere lidstaat van de EU geregistreerd diergeneesmiddel voor toepassing bij dezelfde of een andere diersoort.
  3. Ten slotte is er de mogelijkheid een magistraal bereid diergeneesmiddel te gebruiken.

Het correct toepassen van de cascade is weergegeven in de figuur.

Voedselproducerende dieren

Bij voedselproducerende dieren mogen alleen diergeneesmiddelen worden toegepast met een werkzame stof waarvoor een MRL (maximum residue level) is vastgesteld, of waarvoor is bepaald dat een MRL niet nodig is. Deze middelen zijn opgenomen in tabel 1 (toegestane stoffen) van Verordening (EU) 37/2010.

Het is niet noodzakelijk dat er een MRL is voor de diersoort waarvoor het product wordt toegepast. Het is echter wel belangrijk dat er rekening wordt gehouden met eventuele opmerkingen in deze tabel, zoals “niet voor gebruik bij dieren die melk of eieren voor humane consumptie produceren”. Werkzame stoffen met deze opmerking mogen ook niet via de cascade worden toegepast bij dieren die eieren of melk voor humane consumptie produceren.

De gehanteerde wachttermijn is minimaal even lang als de wachttermijn die aangegeven wordt voor het betreffende middel en de betreffende diersoort. Als er geen wachttermijn is aangegeven voor de betreffende diersoort, geldt een minimale wachttijd van:

  1. 7 dagen voor eieren en melk;
  2. 28 dagen voor vlees van pluimvee en zoogdieren, met inbegrip van vet en afval;
  3. 500 graaddagen voor visvlees.

Paarden

Voor paarden geldt een uitzondering op de cascade. In Verordening (EU) 1950/2006 is een lijst opgenomen met werkzame stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paarden. Deze stoffen mogen alleen gebruikt worden voor de behandeling van de in de verordening genoemde specifieke ziekteverschijnselen, behandelingsbehoeften en zoötechnische doeleinden.

Ook paarden die bestemd zijn voor humane consumptie mogen behandeld worden met deze diergeneesmiddelen, maar er moet dan een wachttermijn van minimaal zes maanden worden toegepast.

Behandelen met een ander diergeneesmiddel is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de eisen voor voedselproducerende diersoorten, of wanneer op het paardenpaspoort wordt aangegeven dat het dier uitgesloten is voor de voedselproductie.

Administratie & Etikettering

Bij het gebruik van diergeneesmiddelen volgens de cascade dient de dierenarts het diergeneesmiddel zelf van etiketten te voorzien met de Nederlandse gegevens. Tevens is het verplicht bij iedere levering van diergeneesmiddelen een Nederlandstalige bijsluiter af te geven aan de dierhouder.

Administratie dierenarts

De eisen voor administratie van de dierenarts zijn weergegeven in de regeling diergeneeskundigen.

Bij het toepassen of afleveren van diergeneesmiddelen via de cascade bij voedselproducerende dieren dient een dierenarts tenminste de volgende administratie te voeren:

  1. de datum waarop de dieren werden onderzocht;
  2. naam en adres van de houder van de dieren;
  3. het aantal behandelde dieren;
  4. de diagnose;
  5. de diergeneeskundige motivering voor de toediening van het diergeneesmiddel;
  6. de voorgeschreven diergeneesmiddelen;
  7. de toegediende dosering;
  8. de duur van de behandeling;
  9. de geadviseerde wachttermijn.

Deze administratie moet gedurende een periode van minimaal vijf jaar bewaard worden.

Informatie van de dierenarts aan de dierhouder

Bij de toepassing van diergeneesmiddelen volgens de cascaderegeling dient de dierenarts op voorhand de volgende informatie aan de dierhouder te verstrekken:

  1. Informeren over het gebruik van niet geregistreerde (dier)geneesmiddelen;
  2. Wijzen op mogelijke risico’s bij gebruik van het (dier)geneesmiddel;
  3. Naam en hoeveelheid van het afgeleverde (dier)geneesmiddel;
  4. De in acht te nemen wachttermijn.

De laatste twee punten moeten schriftelijk overhandigd worden aan de dierhouder.

Bij een behandeling van paarden volgens de cascade worden de bijzonderheden van een behandeling met een diergeneesmiddel via de cascade beschreven in hoofdstuk IX van het paspoort van het betreffende paard.

De dierenarts moet in de administratie van de houder van dieren de volgende aantekening maken:

  1. de datum van de behandeling met diergeneesmiddelen voor zover door de dierenarts uitgevoerd;
  2. benaming en, in voorkomend geval, nummer van het diergeneesmiddel;
  3. de identificatie van de behandelde dieren;
  4. de in acht te nemen wachttermijn;
  5. het doel van de behandeling;
  6. de wijze van toediening van het diergeneesmiddel.

Ook deze administratie moet voor een periode van minimaal vijf jaar bewaard worden.

Referenties

  1. Besluit Diergeneeskundigen, artikelen 5.1 en 5.2
  2. Regeling Diergeneeskundigen, artikelen 5.1 t/m 5.4
  3. Verordening (EU) 37/2010
  4. Verordening (EU) 1950/2006

Links- of rechtsdraaiend merries hengstig krijgen

Sinds 2015 behoort het product Indupart 75 µg/ml® tot het assortiment van Dopharma. Indupart 75 µg/ml® is een oplossing voor injectie en is geregistreerd voor gebruik in rund, varken en paard. Indupart 75 µg/ml®  bevat als werkzame stof 75 µg D-cloprostenol per ml. In dit artikel wordt meer informatie verstrekt over de werkzame stof D-cloprostenol.

Prostaglandine

Prostaglandine is een bekend en veel gebruikt hormoon in de voortplanting. Het wordt voornamelijk gebruikt vanwege zijn luteolytisch effect.

Natuurlijk versus synthetisch

Door middel van parenterale toediening van een PGF2α preparaat kunnen de effecten van PGF2α nagebootst worden. Er zijn zowel natuurlijke als synthetische PGF2α analogen op de markt. De diverse analogen verschillen zowel in potentie als in halfwaardetijd. Doorgaans hebben synthetische PGF2α analogen een langere halfwaardetijd en minder bijwerkingen dan natuurlijke PGF2α analogen.

Cloprostenol

Van alle synthetische PGF2α analogen is cloprostenol de meest bekende en meest gebruikte. Cloprostenol is erg potent en heeft een relatief lange halfwaardetijd.

Isomeren

Net zoals alle synthetische PGF2α analogen is cloprostenol een racemisch mengel. Dit betekent dat cloprostenol twee isomeren, D-cloprostenol en L-cloprostenol, bevat in een verhouding van 1:1. D-cloprostenol en L-cloprostenol zijn optische isomeren van elkaar. Dit betekent dat ze elkaars spiegelbeeld vormen en elk andere eigenschappen bezitten.

Uit het onderzoek van Kral et al. (1988) is gebleken dat enkel D-cloprostenol luteolytische activiteit bezit. Na toediening van D-cloprostenol wordt er een daling van de progesteronconcentratie in het plasma waargenomen, terwijl toediening van L-cloprostenol deze daling niet bewerkstelligt. Dit heeft te maken met de vorm van de prostaglandine receptoren. Deze is dusdanig dat L-cloprostenol hier niet op past en hier dus ook geen effect op kan hebben.

Tegenwoordig is het mogelijk D-cloprostenol te isoleren uit het racemische mengsel. Een preparaat met enkel D-cloprostenol is vele malen effectiever in het bewerkstelligen van luteolyse dan een preparaat met het racemische mengel met D- en L-cloprostenol.

Indupart 75 µg/ml®

Indupart 75 µg/ml® is een oplossing voor injectie met D-cloprostenol als werkzame stof. Doordat Indupart 75 µg/ml® enkel het luteolytisch actieve D-cloprostenol bevat is er minder werkzame stof nodig om hetzelfde effect te bewerkstelligen. Minder werkzame stof betekent ook een kleinere kans op bijwerkingen zoals zweten en diarree.

Literatuur

  1. Cuervo-Arango, J.; Newcombe, J. R. ( 2012) Relationship between dose of cloprostenol and age of corpus luteum on the luteolytic response of early dioestrous mares: a field study. Reproduction in Domestic Animals 47: 4, 660-665.
  2. Král, J.; Bílek, P.; Myšičková, S.; Borovička, A.; Píchová, D.; Ševčík, B. (1988) The effect of optically active isomers of cloprostenol on the secretory activity of corpus luteum. Biologizace a Chemizace Živočišné Výroby, Veterinaria 24: 3, 217-221.
  3. Re, G.; Badino, P.; Novelli, A.; Vallisneri, A.; Girardi, C. (1994) Specific binding of dl-cloprostenol and d-cloprostenol to PGF2α receptors in bovine corpus luteum and myometrial cell membranes. Journal of Veterinary Pharmacology and Therapeutics 17: 6, 455-458.
  4. Pinto, C.R.F. (2013) Use of Prostaglandin F2 for Controlling the Mare’s Estrous Cycle. AAEP proceedings Vol. 59.
  5. Cuervo-Arango, J. (2010) The effect of cloprostenol on follicular development, ovulation, anovulation and pregnancy rate in the mare. Academic dissertation, Helsinki.
news

Intra-articulair gebruik van corticosteroïden en wachttermijn sport

De British Horseracing Authority (BHA) heeft recent een notificatie betreffende het intra-articulair gebruik van corticosteroïden gepubliceerd welke ook door de British Equine Veterinary Association (BEVA) is overgenomen. Niet alles in deze notificatie is van toepassing op wedstrijdpaarden in Nederland. Desalniettemin bevat deze notificatie enkele alinea’s die ook interessant zijn voor Nederlandse eigenaren en dierenartsen actief in de paardensport. Hieronder een vertaling. De originele notificatie kan teruggevonden worden op de website van BEVA.

Corticosteroïden, waaronder triamcinolonacetonide, methylprednisolonacetaat, betamethason en dexamethason, vallen onder stoffen die verboden zijn op racedagen. Het gebruik van deze middelen is wel toegestaan voor de behandeling van gediagnostiseerde en geïndiceerde aandoeningen tijdens training. Het is de verantwoordelijkheid van de trainer om te zorgen dat er op de racedag geen verboden stoffen in het paard aanwezig zijn.

‘Stand-Down’ periode

In januari 2015 werd er door de BHA een nieuwe regel geïmplementeerd: een verplichte stand-down periode van 14 dagen na toediening van een intra-articulair corticosteroïd. Volgens deze regel mag een paard in de laatste 14 dagen voor een race niet intra-articulair behandeld zijn met een corticosteroïd. Deze stand-down periode is de minimaal verplichte periode en moet niet verward worden met detectietijd of wachttermijn.

Detectietijden

Na het toedienen van corticosteroïden aan een paard, zeker intra-articulair, kan de excretietijd aanzienlijk variëren. Excretietijden kunnen o.a. beïnvloed worden door:

  • het toegediende corticosteroïd;
  • de plaats van toediening (bijvoorbeeld in welk gewricht);
  • de dosering per gewricht en de totale dosering per paard;
  • de mate van ontsteking in het gewricht;
  • de gelijktijdige toediening van andere medicatie (bijvoorbeeld amikacine, hyaluronzuur);
  • de injectietechniek (bijvoorbeeld accidentele toediening in de omliggende weke delen).

Deze factoren maken het extreem moeilijk om één detectietijd vast te stellen die trainers en dierenartsen kunnen gebruiken. Daarom publiceert de BHA geen detectietijden voor het gebruik van intra-articulaire corticosteroïden.

De BHA is op de hoogte van studies uitgevoerd in gezonde paarden die er op lijken te wijzen dat een eenmalige dosering van 10 mg triamcinolonacetonide in een gewricht binnen de 14 dagen stand-down periode hoogstwaarschijnlijk niet zal resulteren in een positief resultaat op de racedag. Dit moet echter niet los gezien worden van de overige informatie gegeven in deze notificatie. Er is namelijk GEEN gepubliceerde detectietijd voor intra-articulair toegediende corticosteroïden en de verplichte 14 dagen stand-down periode moet niet gebruikt worden als detectietijd. Gegeven de strikte verantwoordelijkheid van de trainer om zorg te dragen dat er op racedagen geen verboden stoffen aanwezig zijn in de deelnemende paarden, moeten de trainers en hun dierenartsen de bovengenoemde factoren meewegen bij de bepaling van een geschikte wachttermijn sport na een intra-articulaire behandeling met corticosteroïden.

Wachttermijnen

Men moet op de hoogte zijn van het verschil tussen een detectietijd en een wachttermijn, daar de twee verschillend zijn. Bij de bepaling van een wachttermijn zou men een adequate veiligheidsmarge moeten toevoegen aan de detectietijd. Deze veiligheidsmarge moet worden bepaald door de behandelend dierenarts, gebruikmakend van zijn professionele kennis. De mogelijke biologische, farmaceutische en farmacologische variatie dient hierbij in ogenschouw genomen te worden. Dit geeft duidelijk stof tot discussie tussen trainers en hun dierenartsen wanneer de afweging moet worden gemaakt om wel of niet gebruik te maken van een op de racedag verboden stof.

Vrijwillig testen

Trainers kunnen er voor kiezen om hun paard voor een race vrijwillig te laten testen op de aanwezigheid van toegediende medicatie.

news

Moeten we ons zorgen maken om lumpy skin disease?

Lumpy Skin disease (LSD), een van origine Afrikaanse runderziekte rukt op naar het noorden.

LSD, ook besmettelijke nodulaire dermatitis genoemd, is een huidaandoening bij runderen die veroorzaakt wordt door een pokkenvirus. De ziekte leidt tot schade aan de huid en heeft effect op de melk-, rundvlees- en leerproductie.

Maatregelen om de verspreiding van de ziekte in te dijken lijken niet te volstaan. Vanwege de vergaande economische gevolgen die het kan veroorzaken, staat LSD op de A-lijst (snel verspreidende ziekten) van de OIE.

Figuur 1 Koe met lumpy skin disease

Lumpy skin disease (LSD) of besmettelijke nodulaire dermatose is een huidaandoening bij runderen die veroorzaakt wordt door een pokkenvirus.

In de richtlijn inzake de melding van besmettelijke dierziekten (volgens artikelen 3 en 4 van 92/119 / EG)  wordt LSD aangeduid als besmettelijke dierziekte bij vee. De NVWA dient daarom geïnformeerd te worden bij eventuele verdenking van de ziekte.

Etiologie

Het lumpy skin disease virus (LSDV) behoort tot de familie van de Poxviridae, genus Capripoxvirus en is nauw verwant aan het schapen- en geitenpokkenvirus.

Runderen zijn het meest gevoelig voor dit virus. Maar ook waterbuffalo’s, giraffen, impala’s en kamelen kunnen de infectie doormaken. LSDV kan zich ook vermenigvuldigen in schapen en geiten na inoculatie. Nodulaire dermatitis is niet besmettelijk voor mensen.

LSDV is opmerkelijk stabiel en kan gedurende lange perioden overleven. LSDV kan gedurende 33 dagen of langer overleven in necrotische huidknobbels, tot 35 dagen in gedroogde korsten en ten minste 18 dagen in aan de lucht gedroogd huiden. Het virus is gevoelig voor zonlicht en desinfectiemiddelen die vet kunnen oplossen. In donkere en verontreinigende stallen kan het virus lang overleven.

Lumpy skin werd voor het eerst gerapporteerd in Zambia in 1929. Meldingen van uitbraken uit naburige landen volgden al spoedig. In mei 1988 had de ziekte het noorden van Afrika bereikt. In dit jaar en het jaar daarop werden heel wat koeien besmet in Egypte en de ziekte verspreidde zich ook naar Israël. In Israël is de ziekte ondertussen uitgeroeid. Maar de verspreiding van LSD zet zich verder voort richting het noorden. Vorig jaar werden er in Bulgarije negen haarden van besmettelijke nodulaire dermatitis bevestigd. Om deze reden heeft de stichting kwaliteitsgarantie vleeskalverhouderij (SKV) in oktober 2016 een verbod afgekondigd voor het opzetten van kalveren uit Bulgarije.

Figuur 2 Kaart die uitbraken van augustus 2016 tot maart 2017 in kaart brengt (OIE).

Het virus wordt hoofdzakelijk overgedragen door bijtende insecten. Maar ook direct contact en besmette huiden kunnen de ziekte overbrengen. Het virus kan gevonden worden in speeksel, neus- en conjunctivale secreties, melk en in huidletsels en hun korsten. Virus uitscheiding via het sperma kan lange tijd aanhouden.

Uitbraken komen vooral voor in warme gebieden waar veel insecten aanwezig zijn, na intense regenval of langs rivieren. De ziekte verspreidt zich traag en ze kan onder controle gebracht worden door het ruimen van besmette bedrijven en het instellen van een bewegingsbeperking van runderen.

De morbiditeit kan oplopen tot 50%. Het sterfte percentage is normaal gezien vrij laag, maar bij een hoge infectiedruk kan dit oplopen tot 40%.

Symptomen

Over de incubatieperiode in het veld is nog niets bekend. Echter na inoculatie is de incubatieperiode 2 tot 8 weken. Bij experimenteel geïnfecteerde dieren ontstaat koorts (tot 41°C) na 6-9 dagen. De eerste huidletsels op de plaats van inoculatie ontstaan na 4 tot 20 dagen. Zieke dieren krijgen vooral knobbels op hun huid en op hun slijmvliezen. Dat kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. Door de hoge koorts zijn de dieren zwak en willen ze niet meer eten waardoor hun melkgift afneemt. De knobbels verdwijnen uiteindelijk maar het herstel kan heel lang duren, waardoor dieren kunnen sterven door zwakte en ondervoeding. Ook kunnen er letsels ontstaan in het gastro-intestinale stelsel en de trachea. Bijkomende bacteriële infecties in o.a. de uier (mastitis), pezen en gewrichten (kreupelheid) kunnen zorgen voor complicaties van lumpy skin disease. De ziekte leidt ook in lage percentages tot abortus en (tijdelijke) onvruchtbaarheid.

Figuur 3 Lumpy skin disease laesies

Diagnose

De diagnose van de ziekte gebeurt aanvankelijk op klinische gronden en dient later bevestigd te worden in het laboratorium door klassieke virologische en/of serologische methodes. Vanwege de lage antilichaamrespons na infectie wordt de bevestiging van de ziekte over het algemeen gebaseerd op de detectie van Capripoxvirus virions of antigenen via elektronenmiscroscopie, virusisolatie en/of real-time PCR.

Monsters voor virusisolatie moeten genomen worden tijdens de eerste week na het verschijnen van symptomen, voordat neutraliserende antilichamen verschijnen. Monsters voor real-time PCR kunnen ook na deze periode verzameld worden.

Differentiaal diagnose

  • Pseudo-nodulaire dermatose of ziekte van Allerton (Herpesvirus)
  • Huidleucose
  • Horzellarve
  • Demodicidose
  • Onchocercose

Bestrijding

Om verspreiding van LSD tegen te gaan, is in de Oost-Europese landen besloten om besmette veestapels te ruimen en de vervoersbewegingen in besmette gebieden te beperken. Probleem daarbij is wel dat het virus niet alleen door direct contact, maar ook door steekvliegen en muggen wordt overgebracht.

Vaccinatie is dan ook de meest doeltreffende manier om verliezen door Capripoxvirusen te beperken. Verschillende levend verzwakte virusvaccins worden gebruikt als bescherming tegen deze virussen. De meest gebruikte vaccins zijn deze op basis van de Romanian stam (schapenpokken) en de Neethling stam (nodulaire dermatose).

Vaccinatie tegen LSD is in Nederland verboden.

In landen waar lumpy skin disease heerst, is naast vaccinatie, vectorcontrole een belangrijke manier om schade als gevolg van de ziekte te beperken.

Voor gebieden zoals de Europese Unie die vrij zijn van de ziekte is het van belang te voorkomen dat de ziekte geïntroduceerd wordt. Binnen de Europese Unie geldt daarom een importverbod van runderen en kleine herkauwers uit landen waar lumpy skin disease heerst.

Maar hier stopt het niet. Alle runderen die uit Europa via de weg naar Turkije geëxporteerd worden, reizen door het besmette gebied in Bulgarije. Er dient dus ook aandacht geschonken te worden aan de vrachtwagens die terugkomen van Turkije.

Hygiënemaatregelen en een goede bioveiligheid zijn dan ook niet weg te denken in een goed bestrijdingsplan. Gelukkig is het virus gevoelig voor o.a. de volgende infectiemiddelen: fenol (2% / 15 minuten), natriumhypochloriet (2-3%), jodiumsamenstellingen (1:33 verdunning), quaternaire ammoniumverbindingen (0,5%).

Conclusie

Lumpy skin disease is een ziekte van het Afrikaanse continent. In 2013 werd toen de ziekte voor het eerst vastgesteld in Turkije. Sindsdien heeft het virus zich verspreid in naar Griekenland, Servië, Bulgarije, Macedonië, Albanië en Montenegro. Het risico op verdere verspreiding van de ziekte noordwaarts is groot. Besmettelijke nodulaire dermatitis kan in de Europese rundveepopulatie van circa 87 miljoen runderen grote economische schade veroorzaken. Binnen de Europese Unie geldt daarom een importverbod voor runderen uit met LSD besmette gebieden. Maar naast dit importverbod zullen ook maatregelen op vlak van hygiëne en bioveiligheid strikt moeten gevolgd worden om intrede van deze ziekte in Europa te voorkomen.

Referenties

  1. OIE (2013) Lumpy skin disease.
  2. FAO – Lumpy skin disease.
  3. Wageningen university and research – Lumpy skin disease