Campylobacter: een verborgen dreiging in de voedselketen

Onbekende risico’s: Campylobacter versus Salmonella

Iedereen is wel bekend met Salmonella als belangrijke voedselpathogeen in kippenvlees. Vaak zijn consumenten, maar ook dierenartsen, minder bekend met het verre neefje, Campylobacter. Verbazingwekkend genoeg, want in werkelijkheid ligt de prevalentie van geregistreerde humane campylobacteriose-gevallen meer dan dubbel zo hoog als humane salmonellose-gevallen.

Omvang van de dreiging

In 2022 werden 137.107 gevallen geregistreerd door EFSA, waarbij Campylobacter de belangrijkste oorzaak is van humane gastro-enteritis en bijgevolg één van de belangrijkste zoönoses. Het werkelijk aantal zou echter nog veel hoger liggen. Voor elk geregistreerd geval zouden naar schatting rond de 46,6 niet-geregistreerde gevallen zijn (Havelaar et al., 2013), wat het werkelijk aantal in de EU op meer dan 6,4 miljoen per jaar brengt!

De symptomen zijn gelijkaardig met salmonellose, namelijk diarree, buikkrampen, misselijkheid en braken. Meestal zijn deze symptomen zelflimiterend en zijn na 7 dagen de meeste symptomen verdwenen. Echter, in zeldzame gevallen kan campylobacteriosis tot ernstige complicaties leiden zoals de auto-immuunziekte Guillain-Barré. Dit brengt natuurlijk enorme maatschappelijke kosten met zich mee, welke geschat worden op € 2,4 miljard per jaar (EFSA, 2014)!

Bronnen van besmetting

Cijfers om van te duizelen; maar waar komen al die gevallen nu vandaan? De belangrijkste bron is de consumptie van pluimveevlees, verantwoordelijk voor 50-70% van alle humane besmettingen (Seliwiorstow et al., 2015). De twee belangrijkste boosdoeners hierbij zijn Campylobacter jejuni en Campylobacter coli. Deze zijn verantwoordelijke voor respectievelijk 88% en 10% van de gevallen (ECDC, 2022).

Eén van de redenen waarom Campylobacter bij het brede publiek minder gekend is dan bijvoorbeeld Salmonella heeft te maken met het feit dat Campylobacter heel specifieke omstandigheden nodig heeft om te groeien. Daardoor vermenigvuldigt Campylobacter zich niet op het kippenvlees. Hierdoor wordt Campylobacter minder snel geassocieerd met uitbraken dan Salmonella en juist eerder met meer geïsoleerde gevallen. Dit is één van de redenen waarom Campylobacter minder nieuwswaardig is en minder bekend is bij het brede publiek.

Besmettingsroutes en verspreiding

In België blijken 35-70% en in Nederland 20-50% van de vleeskippen besmet te zijn met Campylobacter op slachtleeftijd. De bacterie behoort tot de normale microflora in de darmen en gedraagt zich als een commensaal, waarbij deze zich vooral thuis voelt in de blindedarm. Over het algemeen wordt aangenomen dat deze kiem niet schadelijk is voor kippen, hoewel er recent ook onderzoeken zijn die aantonen dat Campylobacter kan leiden tot een verhoogde voederconversie, nattere mest en pododermatitis (Humphrey et al., 2014).

Kippen kunnen op allerlei manieren besmet worden (bijv. vliegen, besmet water in de buurt van de stallen en andere boerderijdieren) en dit gebeurt bijna uitsluitend door orale opname. In de blindedarm kan Campylobacter binnen 24 uur een gigantische aantal bereiken, van 107 tot 109 per gram, waarna deze via de blindedarm-ontlasting wordt uitgescheiden in de omgeving. Met zulke hoge aantallen verspreidt de kiem zich natuurlijk razendsnel in de stal en binnen 6 dagen kan een hele stal van 30.000 kippen besmet zijn (van Gerwe et al., 2005).

Merkwaardig genoeg lijkt Campylobacter de eerste 2 weken amper voor te komen bij vleeskippen (Newell and Fearnley, 2003). Hier zijn verschillende redenen voor, zoals:

  • verhoogde biosecurity bij jongere kuikens;
  • een onstabiele microflora in de darm;
  • de aanwezigheid van maternale antistoffen, die worden doorgegeven van moederdier op kuiken (Sahin et al., 2003; Cawthraw and Newell, 2010).

De meeste besmettingen lijken voornamelijk plaats te vinden op het einde van de ronde en dan vooral na het uitladen (Hertogs et al., 2021): enkele dagen voor de meeste dieren naar de slacht gaan, wordt er al een deel van de dieren opgehaald om zo meer plaats te creëren en het oppervlak efficiënter te gebruiken. Kratten afkomstig uit het slachthuis om de dieren te transporteren zijn echter vaak niet genoeg ontsmet en op het oppervlak zijn vaak nog significante Camplobacter-aantallen aanwezig uit de vorige ronde. Het binnenbrengen van deze kratten in de stal zorgt ervoor dat een groot deel van de achtergebleven dieren besmet kan worden met Campylobacter.

Eénmaal in het slachthuis kan het scheuren van de blindedarm (door bijv. verkeerde afgestelde apparatuur) tijdens de evisceratie het karkas van een kip massaal besmetten, welke op zijn beurt verschillende karkassen kan besmetten via kruiscontaminatie.

Hoe kan dit voorkomen worden?

Er wordt al decennia lang onderzoek gedaan naar de bestrijding van Campylobacter, maar tot zover maar met beperkt succes. Voorbeelden van geteste bestrijdingsmiddelen zijn organische zuren, bacteriofagen, probiotica, prebiotica en vaccinaties. Deze bleken na verschillende experimentele studies toch onvoldoende te werken of waren niet toepasbaar in de praktijk. Ook antibioticabehandeling is geen optie, gezien de hoge antimicrobiële resistentie zoals bijv. voor ciprofloxacine (75%!) terwijl men deze wil voorbehouden voor het behandelen van humane campylobacteriose-gevallen.

Een geïntegreerde aanpak op 3 niveaus (primair, slachthuis en consument) is hiervoor nodig om het risico op Campylobacter-besmetting zoveel mogelijk te beperken.

  • Door striktere biosecurity-maatregelen in de pluimveestal zou de prevalentie op slachtleeftijd al met 50% kunnen worden verminderd (Newell et al., 2011).
  • In het slachthuis is sinds 2018 het proces hygiëne criterium geïmplementeerd (EU 2017/1495). Hierbij is het verplicht om in elk slachthuis op wekelijkse basis routinematig 5 monsters van nekhuid te verzamelen. Als gedurende een periode van 10 weken meer dan 15 nekhuidmonsters >1000 kolonie vormende eenheden per gram Campylobacter bevatten, is het slachthuis verplicht corrigerende maatregelen te nemen om het aantal besmette karkassen te verminderen.
  • Tenslotte kunnen, wanneer het besmette kippenvlees uiteindelijk in de keuken van de consument belandt, hygiënische maatregelen worden genomen om besmetting te voorkomen, bijv. het grondig bakken van pluimvee-vlees.Dit is vooral belangrijk wanneer hele gevogeltekarkassen worden bereid of in het geval van gehakt vlees, wanneer Campylobacter niet alleen aanwezig is aan de oppervlakte maar ook aan de binnenkant. Ook wordt aanbevolen om de handen te wassen na het aanraken van producten die rauw pluimveevlees bevatten. Snijplanken kunnen dienen als potentiële dragers voor de kruisbesmetting van pathogenen van kip naar andere oppervlakken. Het is dus belangrijk om keukenoppervlakken en/of keukengerei goed te reinigen of te vervangen na gebruik bij het werken met kippenvlees.

Referenties

Cawthraw, S.A., and D.G. Newell. 2010. Investigation of the presence and protective 13 effects of maternal antibodies against Campylobacter jejuni in chickens. Avian Dis. 54:86-93.

EFSA. 2014. EFSA explains zoonotic diseases: Campylobacter.

EFSA. 2023. The European Union One Health 2022 Zoonoses Report. EFSA J. 21(12):e8842.

European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). 2022a. Campylobacteriosis. In: ECDC. Annual Epidemiological Report for 2021. Stockholm (SE): ECDC.

Havelaar, A.H., S. Ivarsson, M. Lofdahl, and M.J. Nauta. 2013. Estimating the true incidence of campylobacteriosis and salmonellosis in the European Union, Epidemiol. Infect. 141:293-302.

Hertogs, K., M. Heyndrickx, P. Gelaude, L. De Zutter, J. Dewulf, and G. Rasschaert. 2021a. The effect of partial depopulation on Campylobacter introduction in broiler houses. Poult. Sci. 100(2):1076-1082.

Humphrey S, Chaloner G, Kemmett K, Davidson N, Williams N, Kipar A, Humphrey T, Wigley P. 2014. Campylobacter jejuni is not merely a commensal in commercial broiler chickens and affects bird welfare. mBio. ;5(4):e01364-14.

Newell, D.G and C. Fearnley. 2003. Sources of campylobacter colonization in broiler chickens. Appl. Environ. Microbiol. 69:4343–4351.

Newell D.G., K.T. Elvers, D. Dopfer, I. Hansson, P. Jones, S. James, J. Gittins, N.J. Stern, R. Davies, I. Connerton, D. Pearson, G. Salvat, and V.M. Allen. 2011. Biosecurity-based interventions and strategies to reduce Campylobacter spp. on poultry farms. Appl. Environ. Microbiol77:8605–8614.

Sahin, O., N. Luo, S. Huang, and Q. Zhang. 2003. Effect of Campylobacter-specific maternal antibodies on Campylobacter jejuni colonization in young chickens. Appl. Environ. Microbiol. 69(9):5372-9.

Van Gerwe, T.J., A. Bouma, W.F. Jacobs-Reitsma, J. van den Broek, D. Klinkenberg, J.A. Stegeman, and J.A. Heesterbeek. 2005. Quantifying transmission of Campylobacter spp. among broilers. Appl. Environ. Microbiol. 71(10):5765-70.

Bron afbeelding: https://marlerclark.com/foodborne-illnesses/campylobacter/about-campylobacter

Dophexine® 20 mg/g waardevol voor pluimvee

Hittestress

Tijdens warme perioden in het voorjaar en de zomer ondervinden veel dieren hittestress. Wat wordt er nu precies onder hittestress verstaan en vanaf welke temperaturen treedt hittestress op?  De antwoorden op deze vragen vindt u in dit artikel.

hittestress

Thermoregulatie

Warmbloedige dieren kunnen hun inwendige lichaamstemperatuur binnen nauwe grenzen constant houden, onafhankelijk van de omgevingstemperatuur. Dit is belangrijk om alle processen in het lichaam optimaal te laten verlopen.  Een complex thermo regulerend systeem van thermosensoren, thermo-effectoren en een thermo regulerend centrum in de hersenen maken dit mogelijk. Bij het definiëren van hittestress zijn enkele begrippen belangrijk: de comfortzone, de thermo neutrale zone en de onderste en bovenste kritische temperatuur van een dier.

Comfortzone

De comfortzone is het omgevingstemperatuurgebied waarbinnen een dier zijn lichaamstemperatuur kan handhaven enkel door vasomotie in de huid. Hierbij wordt geen extra energie verbruikt en kan het dier het meest efficiënt produceren. Bij omgevingstemperaturen beneden de comfortzone moet de warmteproductie van dier stijgen om een normale lichaamstemperatuur te behouden. Dit kan bijvoorbeeld door te rillen. Bij omgevingstemperaturen boven de comfortzone moet er óf extra warmte afgegeven worden óf minder warmte geproduceerd worden. Warme afgeven kan door hyperventilatie of zweten. Het verlagen van de warmteproductie wordt meestal bereikt door een lagere voeropname. Deze aanpassingen van het dier zullen ten koste gaan van de productie.

Thermo neutrale zone

De thermo neutrale zone is het temperatuurtraject waarbij het dier de lichaamstemperatuur nog wel constant kan houden, maar waarbij dit wel extra energie kost. De thermo neutrale zone is begrensd door de onderste en bovenste kritische temperatuur. Bij omgevingstemperaturen boven de bovenste kritische temperatuur ondervindt een dier hittestress en wordt de productie zeer sterk negatief beïnvloed.
De grenzen van de comfortzone en de thermo neutrale zone zijn van vele factoren afhankelijk o.a. van de diersoort, het ras, de leeftijd, de relatieve luchtvochtigheid, de luchtsnelheid, de voeropname, de voersamenstelling en het productieniveau. Enkele in de wetenschappelijke literatuur vermelde waarden staan in onderstaande tabel weergegeven.

Bovengrens
comfortzone
Bovenste
kritische temperatuur
Hoogproductief lacterend rundvee2,8 24 °C 24 °C
Kalf 1 dag oud25 26 °C
Kalf 1 maand oud25 23 °C
Zuigende big24,26 32 °C 33 °C
Gespeende big24,26 27 °C 33 °C
Vleesvarken 60 kg11,15 24 °C 25 °C
Vleesvarken 100 kg13,15 21 °C < 24 °C
Zeug dracht10,15,26 24 °C 26 °C
Lacterende zeug18,22 22 °C 22 °C
Leghen5 22 °C
Vleeskuiken 1 dag oud9 36 °C
Vleeskuiken5 22 °C

Gevolgen van hittestress

Hittestress kan zich uiten in verminderde productie, verminderde vruchtbaarheid en slechtere karkaskwaliteit. Andere gevolgen van hittestress zijn verhoogde oxidatieve stress, verminderde immuniteit en zelfs verhoogde uitscheiding van resistente darmbacteriën.

De gevolgen van hittestress verminderen

De gevolgen van hittestress in warme perioden verminderen kan op verschillende manieren. Heel belangrijk zijn aanpassingen van huisvesting, management en voeding. Daarnaast kunnen dieren met behulp van extra vitaminen en mineralen beter omgaan met de warmte. Vooral bij pluimvee is aangetoond dat de toediening van extra vitaminen en mineralen kan bijdragen aan behoud van productiviteit en een goede immuniteit, maar ook bij runderen en varkens is bekend dat bijvoorbeeld de plasma vitamine C concentratie daalt bij hittestress.

Hieronder worden de effecten van de toediening van vitaminen weergegeven zoals die beschreven zijn voor pluimvee.

Vitamine C

  • Verbeterde voeropname
  • Verbeterde groei
  • Verbeterde vruchtbaarheid en sperma kwaliteit
  • Daling mortaliteit
  • Verbeterde karkaskwaliteit
  • Vermindering van oxidatieve stress

Vitamine A 

  • Verbeterde eiproductie
  • Verbeterde groei, voederconversie en karkaskwaliteit
  • Hogere productie van antistoffen na vaccinatie
  • Vermindering van oxidatieve stress

Vitamine E 

  • Verbeterde eiproductie door verbeterde voeropname
  • Verbeterde karkaskwaliteit
  • Vermindering van oxidatieve stress
  • Verbetering van de immuniteit

Zink 

  • Eén van de belangrijkste componenten van het dieet bij hittestress
  • In combinatie met vitamine A verantwoordelijk voor vermindering van depressie door de hitte

Producten Dopharma

Dopharma heeft vier geregistreerde diergeneesmiddelen die bij een tekort aan vitaminen geïndiceerd zijn.

  • Vitasol C: Het enige in Nederland geregistreerde pure vitamine C product voor orale toediening.
    • Doeldieren: pluimvee, rund, varken, hond, kat, cavia.
    • REG NL 4139
  • Vitaminsol Multi: poeder voor orale toediening en bevat vitaminen en mineralen
    • Doeldieren: pluimvee, varken, kalf
    • REG NL 5606
  • Vitasol Multi: vitaminen in oplossing
    • Doeldieren: pluimvee, varken, kalf
    • REG NL: 4147

Referenties

  1. Abidin Z.and Khatoon A. (2013) Heat stress in poultry and the beneficial effects of ascorbic acid (vitamin C) supplementation during periods of heat stress. World’s poultry science journal 69: 135-152.
  2. Atrian P. and Aghdam Shahryar H. (2012) Heat stress in dairy cows (a review). Research in Zoology 2(5): 31-37
  3. Biewenga G. and Meijering A. (2003) Ruimte voor de koe: moderne huisvesting van melkvee.
  4. Burvenich C. (1997) Fysiologie van de thermoregulatie.
  5. Charles, D.R. (2002) Responses to the thermal environment. D.R. Charles. Poultry Environment Problems, A guide to solutions 1-16.
  6. Collier R.J., Collier J.L. (2012) Environmental Physiology of Livestock.
  7. Eerdenburg F.J.C.M. van and Plekkenpol S.J. (2005) Heat stress in Dutch dairy cattle during summer. ISAH Warsaw, Poland 1: 229-232.
  8. Hahn G.L. (1981) Housing and management to reduce climatic impacts on livestock. J Animal Sci 52: 175-186.
  9. Hel W. van der, Verstegen M.W.A., Henken A.M., Brandsma H.A. (1991) The Upper Critical Ambient Temperature in Neonatal Chicks. Poultry Science 70(9): 1882-1887.
  10. Holmes C.W., Close W.H. (1977) The influence of climatic variables on energy metabolism and associated aspects of productivity in pigs. Nutrition and the Climatic Environment: 51-74.
  11. Huynh T.T.T., Aarnink A.J.A., Verstegen M.W.A., Gerrits W.J.J., Heetkamp M.J.W., Kemp B., Canh T.T. (2005) Effects of increasing temperatures on physiological changes in pigs at different relative humidities. Journal of  Animal  Science 83:1385-1396.
  12. Kadzere C.T., Murphy M.R., Silanikove N., Maltz E. (2002) Heat stress in lactating dairy cows: a review. Livestock Production Science 77:  59-91.
  13. Lambooy E., Hel W. van der, Hulsegge B., Brandsma H. (1987) Effect of environmental temperature and air velocity two days preslaughtering on heat production, weight loss and meat quality in non-fed pigs. In: Energy metabolism in farm animals: effect of housing, stress and disease (ed. By M. Verstegen and A. Henken) Martinus Nijhoff, Dordrecht 164-179.
  14. Lin H., Jiao H.C.,Buyse J., Decuypere E. (2002) Strategies for preventing heat stress in poultry. World’s Poultry Science Journal 62.
  15. McFarlane J, Cunningham F. (1993) Environment: proper ventilation is key to top performance. Veterinary Scope 3(1): 6-9.
  16. Moro M.H., Beran G.W., Griffith R.W., Hoffman L.J. (2000) Effects of heat stress on the antimicrobial drug resistance of Escherichia coli of the intestinal flora of swine. Journal of Applied Microbiology 88: 836-844.
  17. Morrow-Tesch J.L., McGlone J.J., Salak-Johnson J.L.(1994) Heat and social stress effects on pig immune measures. Journal of Animal  Science 72: 2599-2609.
  18. Odehnalová S., Vinkler A., Novák P., Drábek J. (2008) The dynamics of changes in selected parameters in relation to different air temperature in the farrowing house for sows. Czech J Anim Sci 53(5): 195-203.
  19. Olivo R., Scares A.L., Ida E.L., Shimokomaki M. (2001) Dietary vitamin E inhibits poultry PSE and improves meat functional properties.  Journal of Food Biochemistry 25(4):  271–283.
  20. Padilla L. (2006) Heat stress decreases plasma vitamin C concentration in lactating cows. Livestock Science 101(1-3): 300-304.
  21. Puthpongsiriporn U., Scheideler S.E., Sell J.L., Beck M.M. (2002) Effects of Vitamin E and C Supplementation on Performance, In: Vitro Lymphocyte Proliferation, and Antioxidant Status of Laying Hens during Heat Stress. Poultry Science Association.
  22. Quiniou N., Noblet J. (1999) Influence of high ambient temperatures on performance of multiparous lactating sows. J Anim Sci 77: 2124–2134.
  23. Sahin K., Sahin N., Kucuk O., Hayirli A., Prasad A.S. (2009) Role of dietary zinc in heat-stressed poultry: A review. Poultry Science Association.
  24. Verstegen M.W.A. (1987) Swine. In: World animal science, B5: bioclimatology and the adaption of livestock (ed. By HD. Johnson) Elsevier, Amsterdam 245-258.
  25. Wathes C.M., Jones C.D.R., Webster A.J.F. (1983) Ventilation, air hygiene and animal health. Vet Rec 113:554–559.
  26. Zhang Y. (1994) Swine building ventilation: a guide for confinement swine housing in cold climates. Prairie Swine Centre Saskatoon, Canada, p144.

Coccidiose bij pluimvee

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de aandoening coccidiose. Naast de ziektekundige kennis en informatie over diagnostiek, therapie en preventie wordt ook het economische belang van coccidiose bij pluimvee besproken. Daarnaast worden recente ontwikkelingen besproken.

Coccidiose

Coccidiose is een reeds lang bekende aandoening, waarvoor het meeste onderzoek stamt uit de jaren zeventig. Recenter onderzoek richt zich vooral op het ontrafelen van het genoom van de Eimeria spp. en het verbeteren van vaccins [1]. Ook wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar het gebruik van alternatieve behandelmethoden.

Coccidiose wordt veroorzaakt door verschillende Eimeria spp. Bij de kip zijn dit E. acervulina, E. maxima, E. necatrix, E. brunetti en E. tenella.
Coccidiose is de belangrijkste predisponerende factor voor dysbacteriose [2]. Economisch is deze aandoening dan ook erg belangrijk. Soms wordt het wel gezien als de economisch belangrijkste aandoening in de pluimveehouderij [3]. De kosten werden wereldwijd geschat op 750 miljoen tot meer dan 1,5 miljard US dollar [4]. In een andere studie werden de kosten zelfs op 2,3 miljard euro geschat [2]. Deze kosten worden voornamelijk veroorzaakt door subklinische coccidiose [4]. Williams heeft een berekening gemaakt voor de Engelse pluimveesector en concludeerde dat de door subklinische coccidiose veroorzaakte daling van de voederconversie en groei verantwoordelijk was voor 80,5% van de kosten. De overige kosten werden veroorzaakt door kosten voor preventie en behandeling [5].

Verschijnselen

De verschijnselen bestaan uit productiedalingen en dunne mest, eventueel met bloed. In de natte mest kunnen bacteriën en parasieten zich sneller ontwikkelen. Daarnaast neemt de ammoniakconcentratie toe, wat kan leiden tot voetzoollesies en respiratoire problemen [4]. De mortaliteit kan oplopen tot 12-15% [4]. De specifieke verschijnselen en de locatie van de lesies in de darmen zijn afhankelijk van de Eimeria species die de infectie veroorzaakt [6]. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, kunnen er ook aan het eind van de productieronde grote aantal oöcysten voorkomen die subklinische schade veroorzaken [7].

Naast de directe gevolgen van een infectie kan coccidiose ook een predisponerende factor zijn voor bacteriële infecties [4] zoals necrotische enteritis [8]. Infecties met Clostridium perfringens treden echter niet altijd op bij coccidiose infecties, hiervoor moet de infectiedruk met C. perfringens hoog genoeg zijn. Bovendien zijn er ook andere predisponerende factoren die bij het optreden van necrotische enteritis een rol kunnen spelen. Er moet nog meer onderzoek gedaan worden naar het effect van coccidiosevaccins op het voorkomen van necrotische enteritis, maar het lijkt erop dat de lesies van de subklinische coccidiose na vaccinatie niet predisponeren voor necrotische enteritis [8].

Blootstelling aan E. tenella zorgde voor een hoger aantal Salmonella enteritidis in de darmen en een verlengde uitscheiding. Dit werd gevonden bij kippen die enkele weken voor de challenge al geïnfecteerd waren met S. enteritidis. Er was echter geen duidelijk verband met de incidentie van S. enteritidis in de lever [9].

Diagnostiek

De diagnose wordt doorgaans gebaseerd op postmortaal onderzoek, eventueel in combinatie met het scoren van de lesies [2]. Er kan mestonderzoek worden gedaan waarbij een OPG (oöcysten per gram faeces) bepaald wordt [10]. Er is echter een slechte correlatie tussen de OPG en de impact van coccidiose in het koppel [2]. Ook kan een kwantitatieve PCR worden uitgevoerd op een mengmonster van de mest om te bepalen wat de infectiedruk is van de verschillende Eimeria species [10].

coccidiose-bij-pluimvee

Preventie & Behandeling

Coccidiose is een lastig te voorkomen ziekte omdat de oöcysten in alle stallen voorkomen. Daarnaast vermenigvuldigen de oöcysten zich zo snel dat één oöcyst kan zorgen voor tienduizenden nieuwe oöcysten [3].
Preventie bestaat uit vaccinatie of het toedienen van anticoccidia via het voer. Vaccinatie wordt al op zeer jonge leeftijd gedaan, omdat kuikens vanaf het uitkomen al geïnfecteerd kunnen worden met oöcysten [4]. Een nadeel van vaccinatie is dat de vaccinstammen zich vermenigvuldigen in de gastheercellen, wat betekent dat de dieren subklinische infecties doormaken [2]. Bij het vaccineren wordt een deel van de in de stal aanwezige stammen vervangen door de vaccinstammen. Dit kan als bijkomend voordeel hebben dat de gevoeligheid voor anticoccidia toeneemt [10-12].

De effectiviteit van toltrazuril als preventieve [13, 14] en curatieve behandeling [15] is aangetoond, waarbij de kippen nog steeds immuniteit opbouwden tegen coccidiose [14, 16]. Er zijn verschillende studies uitgevoerd waarbij toltrazuril vergeleken werd met andere diergeneesmiddelen.

  • Wanneer toltrazuril vergeleken werd met amprolium bleek dat toltrazuril zorgde voor een significant betere daling van het aantal oöcysten in de faeces [17].
  • Bij de behandeling van een E. tenella-infectie zorgden zowel toltrazuril als sulfachoorpyrazine voor een vermindering van de effecten van coccidiose op de mortaliteit en de groei. Er was echter wel een verschil in effectiviteit wanneer klinische lesies en faeces beoordeeld werden; toltrazuril bleek superieur wanneer de behandeling 24 uur na de infectie gestart werd terwijl sulfachloorpyrazine superieur was als de behandeling 72 uur na infectie gestart werd [18].
  • In een andere studie bleek dat zowel de behandeling met de combinatie sulfaquinoxaline en pyrimethamine als die met toltrazuril resulteerde in een daling van de mortaliteit door E. tenella. Bij de behandeling met sulfaquinoxaline en pyrimethamine werden echter nog wel enkele oöcysten gevonden, terwijl er bij de toltrazurilbehandeling geen oöcysten werden gevonden [19].
  • De effectiviteit van sulfachloorpyrazine of sulfaquinoxaline is ook vergeleken met de effectiviteit van toltrazuril bij kalkoenen die geïnfecteerd waren met E. meleagrimitis, E. adenoeides en E. gallopavonis. Kalkoenen die behandeld werden met sulfonamiden vertoonden enkele verschijnselen, terwijl kalkoenen die behandeld werden met toltrazuril vrij waren van klinische symptomen [20].

Alternatieven

In de afgelopen jaren zijn er geen nieuwe moleculen ontwikkeld voor de preventie of behandeling van coccidiose. Er wordt dan ook steeds meer onderzoek gedaan naar het effect van natuurlijke of synthetische alternatieven. De resultaten van deze proeven zijn echter vaak niet overtuigend of niet verifieerbaar.

Voedselbestanddelen en kruiden kunnen een direct effect uitoefenen door het verstoren van de ontwikkeling en vermeerdering van oöcysten. Een indirect effect kan bijvoorbeeld optreden door stimulatie van het immuunsysteem of het beïnvloeden van de darmflora en de darmmucosa [21]. De effecten die beschreven zijn in de literatuur zijn zeer wisselend en tevens sterk afhankelijk van de Eimeria spp. die werd gebruikt.

  • De beste resultaten werden verkregen met etherische oliën; in vitro studies toonden een coccidiocide effect aan [24, 25]. Echter, ook hier geldt dat niet in alle studies goede resultaten behaald werden [26, 27].
  • In een studie waarin verschillende plantenextracten zijn onderzocht, werden geen overtuigende resultaten gevonden [28]. Antioxidanten uit bepaalde plantensoorten, waaronder druiven, leverden wel goede resultaten . Met bepaalde stoffen of specifieke planten werden verschillende resultaten bereikt.
    • Absintalsem (Artemisia spp.) is een plant waarvan zowel het plantenextract als de etherische olie bescherming kan boden tegen lesies van E.tenella. Daarnaast kunnen ze zorgen voor een daling van de oöcysten van E. tenella en E. acervulina. Er was geen bescherming tegen lesies van E. maxima [30-32].
    • Extracten van de neemboom bleken een dosisafhankelijk effect te hebben op de voederconversie en mortaliteit bij E. tenella-infecties, vergelijkbaar met het effect van salinomycine [33].
    • Met coumarine zijn vergelijkbare resultaten behaald als met salinomycine; een verbetering van de productieresultaten en een daling van het aantal oöcysten en macroscopische lesies [34].
    • Het gebruik van pruimen in diervoeding kan zorgen voor een toename in cytokinen en een daling van de uitscheiding van oöcysten [35].
    • De plant Echinacea purpurea had een immunomodulerend effect en zorgde voor een daling van de coccidioselesies na een challenge met E. acervulina, E. maxima, E. tenella en E. necatrix [36].
    • Carvacrol, cinnamaldehyde, Capsicum oleoresin [37] en groene thee [38] verlaagden het aantal oöcysten.
    • Het gebruik van polysachariden uit paddenstoelen of kruiden zorgde voor een hogere IgG-concentratie en een toename van het aantal antigeen-specifieke splenocyten na een challenge met E. tenella. De concentratie IgA en IgM werd niet beïnvloed [39]. Uit een andere studie blijkt dat paddenstoelen wel zorgde voor een daling van het aantal oöcysten, maar niet van invloed was op het ontstaan van lesies [40]. Polysachariden uit tarwe hadden een immunostimulerend effect en beschermden tegen coccidiose met verschillende Eimeria spp. [41].
    • Kurkuma is een kruid dat zorgde voor minder lesies en een lagere uitscheiding van oöcysten van E. maxima. Het beïnvloedde E. tenella niet [32].
    • In een studie waarin een combinatie van kruiden is onderzocht, bleek dat er een effect was op E. tenella, maar dat dit veel minder significant was dan het effect van lasolid [42].
  • Omega-3-vetzuren kunnen zorgen voor een vermindering van lesies door E. tenella, maar niet door E. maxima. Mogelijk werd dit veroorzaakt door verschillende omstandigheden in de ceca en het middelste deel van de darm [43, 44]. Een andere verklaring is dat gesporuleerde oöcysten en sporozoïeten van E. tenella gevoeliger zijn voor oxidatieve schade [45]. Omega-3-vetzuren bleken echter niet in alle studies effectief [46].
  • Het gebruik van het prebioticum mannanoligosaccharide (MOS) leidde tot een daling van het aantal oöcysten en het voorkomen van lesies bij E. tenella-infecties. MOS had echter geen effect op E. maxima en E. acervulina [47]. Ook in een andere studie werd aangetoond dat het gebruik van MOS leidde tot een daling van de lesies bij een infectie met Eimeria spp. [27]. In andere studies werd een veel minder duidelijk effect [48] of geen effect [49] gevonden. Bij het gebruik van specifieke β-glucanen werd geen overtuigend effect gevonden [50].
    Het gebruik van hele gistcelwanden kan bijdragen aan het behoud van de integriteit van de darmwand tijdens een coccidiose-infectie [51]. Bij kuikens die gechallenged werden met Eimeria zorgde het voor een daling in het aantal oöcysten, stimulatie van het immuunsysteem en betere productieresultaten [52].
  • Lactobacillus spp. kunnen ook de lokale immuunreactie in de darm bij coccidiose verbeteren [53-55]. Probiotica met Pediococcus spp. verlaagden de oöcystconcentraties, verbeterden de antilichaamreactie en verminderden het negatieve effect op de groei [56].
  • Betaïne had een synergetisch effect wanneer gecombineerd met salinomycine [57]. Dit gold niet voor andere ionoforen [58, 59]. Uit een andere studie bleekt juist dat betaïne de pathologie verergerde, maar ook het aantal leukocyten in de darm liet toenemen. Beide effecten kunnen worden verklaard door de chemotaxis van monocyten en de afgifte van stikstofoxide (NO) door macrofagen [60].
  • Het gebruik van protease leidde niet tot verbeteringen van coccidiose verschijnselen [61].

Voedermiddelen en toevoegingsmiddelen worden niet alleen ingezet ter preventie, maar kunnen ook gebruikt worden tijdens de herstelfase [21]. Het wordt aanbevolen dit naast de reguliere behandeling te doen.

Dopharma producten

Dopharma heeft enkele diergeneesmiddelen voor de behandeling van coccidiose in het assortiment. Dozuril® 25 mg/ml is orale oplossing met toltrazuril, geregistreerd voor gebruik bij kippen. Daarnaast is sulfadimidine beschikbaar voor pluimvee. Dit is een antibioticum dat tevens werkzaam is tegen coccidiose.

Referenties

  1. Shirley, M.W. and H.S. Lillehoj, The long view: a selective review of 40 years of coccidiosis research. Avian Pathol, 2012. 41(2): p. 111-21.
  2. De Gussem, M. Coccidiosis in poultry: review on diagnosis, control, prevention and interaction with overall gut health. in 16th European Symposium on Poultry Nutrition. 2007. Strasbourg: World Poultry Science Association.
  3. Mathis, G., Keeping coccidiosis manageable, in World Poultry. 2015, Elsevier. p. 9-11.
  4. IFAH, Coccidiosis in poultry – Fact Sheet, IFAH, Editor. 2014.
  5. Williams, R.B., A compartmentalised model for the estimation of the cost of coccidiosis to the world’s chicken production industry. Int J Parasitol, 1999. 29(8): p. 1209-29.
  6. Tewari, A.K. and B.R. Maharana, Control of poultry coccidiosis: changing trends. J Parasit Dis, 2011. 35(1): p. 10-7.
  7. Severt, M.G., Ook op het eind opletten. Pluimveehouderij – Vleessector vaktechniek.
  8. Williams, R.B., Intercurrent coccidiosis and necrotic enteritis of chickens: rational, integrated disease management by maintenance of gut integrity. Avian Pathol, 2005. 34(3): p. 159-80.
  9. Qin, Z.R., et al., Eimeria tenella Infection Induces Recrudescence of Previous Salmonella enteritidis Infection in Chickens. Poultry Science, 1995. 74(11): p. 1786-1792.
  10. Ter Veen, C. and H. Peek, Puzzelen met darmgezondheid, deel 2 – Coccidiose bij vleeskuikens, in GD Pluimvee. 2013: Deventer. p. 14-15.
  11. Chapman, H.D. and T.K. Jeffers, Vaccination of chickens against coccidiosis ameliorates drug resistance in commercial poultry production. Int J Parasitol Drugs Drug Resist, 2014. 4(3): p. 214-7.
  12. Klein Swormink, B., Veldproef met weglaten coccidiostatie in voer toont aan: resistentie valt te verlagen. Pluimveehouderij 2007. 37(augustus 2007): p. 8-9.
  13. Alnassan, A.A., et al., Efficacy of early treatment with toltrazuril in prevention of coccidiosis and necrotic enteritis in chickens. Avian Pathol, 2013. 42(5): p. 482-90.
  14. Mathis, G.F., R. Froyman, and T. Kennedy, Coccidiosis control by administering toltrazuril in the drinking water for a 2-day period. Vet Parasitol, 2004. 121(1-2): p. 1-9.
  15. Schmid, H.P., et al., Use of toltrazuril in pullet breeding flocks raised on floors with anticoccidial-free feed. Dtsch Tierarztl Wochenschr, 1991. 98(4): p. 141-4.
  16. Greif, G., Immunity to coccidiosis after treatment with toltrazuril. Parasitol Res, 2000. 86(10): p. 787-90.
  17. Kandeel, M., Efficacy of amprolium and toltrazuril in chicken with subclinical infection of cecal coccidiosis. Indian Journal of Pharmacology, 2011. 43(6): p. 741-743.
  18. Laczay, P., G. Voros, and G. Semjen, Comparative studies on the efficacy of sulphachlorpyrazine and toltrazuril for the treatment of caecal coccidiosis in chickens. Int J Parasitol, 1995. 25(6): p. 753-6.
  19. Chapman, H.D., Chemotherapy of caecal coccidiosis: efficacy of toltrazuril, sulphaquinoxaline/pyrimethamine and amprolium/ethopabate, given in drinking water, against field isolates of Eimeria tenella. Res Vet Sci, 1989. 46(3): p. 419-20.
  20. Greuel, E., H.C. Mundt, and S. Cortez, [Sulfonamide and toltrazuril therapy of experimental turkey coccidiosis]. Dtsch Tierarztl Wochenschr, 1991. 98(4): p. 129-32.
  21. Peek, H., Resistance to anticoccidial drugs: alternative strategies to control coccidiosis in broilers, in Faculty Veterinary Medicine. 2010, University Utrecht.
  22. Barbour, E.K., et al., Control of eight predominant Eimeria spp. involved in economic coccidiosis of broiler chicken by a chemically characterized essential oil. J Appl Microbiol, 2015. 118(3): p. 583-91.
  23. Murakami, A.E., C. Eyng, and J. Torrent, Effects of functional oils on coccidiosis and apparent metabolizable energy in broiler chickens. Asian-Australas J Anim Sci, 2014. 27(7): p. 981-9.
  24. Remmal, A., et al., In vitro destruction of Eimeria oocysts by essential oils [Abstract]. Vet Parasitol, 2011. 182(2-4): p. 121-6.
  25. Remmal, A., et al., Oocysticidal Effect of Essential Oil Components against Chicken Eimeria Oocysts. International Journal of Veterinary Medicine: Research & Reports, 2013.
  26. Oviedo-Rondon, E.O., et al., Essential oils on mixed coccidia vaccination and infection in broilers. International Journal of Poultry Science, 2006. 5(8): p. 723-730.
  27. Bozkurt, M., et al., Efficacy of in-feed preparations of an anticoccidial, multienzyme, prebiotic, probiotic, and herbal essential oil mixture in healthy and Eimeria spp.-infected broilers. Poultry Science, 2014. 93(2): p. 389-399.
  28. Almeida, G.F., et al., The effects of combining Artemisia annua and Curcuma longa ethanolic extracts in broilers challenged with infective oocysts of Eimeria acervulina and E. maxima.Parasitology, 2014. 141(3): p. 347-55.
  29. Naidoo, V., et al., The value of plant extracts with antioxidant activity in attenuating coccidiosis in broiler chickens [Abstract]. Vet Parasitol, 2008. 153(3-4): p. 214-9.
  30. Allen, P.C., J. Lydon, and H.D. Danforth, Effects of components of Artemisia annua on coccidia infections in chickens. Poult Sci, 1997. 76(8): p. 1156-63.
  31. Arab, H.A., et al., Determination of artemisinin in Artemisia sieberi and anticoccidial effects of the plant extract in broiler chickens. Trop Anim Health Prod, 2006. 38(6): p. 497-503.
  32. Allen, P.C., H.D. Danforth, and P.C. Augustine, Dietary modulation of avian coccidiosis [Abstract]. Int J Parasitol, 1998. 28(7): p. 1131-40.
  33. Tipu, M.A., T.N. Pasha, and Z. Ali, Comparative efficacy of salinomycin sodium and neen fruit (Azadirachta Indica) as feed additive anticoccidials in broilers. International Journal of Poultry Science, 2002. 1(4): p. 91-93.
  34. Michels, M.G., et al., Anticoccidial effects of coumestans from Eclipta alba for sustainable control of Eimeria tenella parasitosis in poultry production. Vet Parasitol, 2011. 177(1-2): p. 55-60.
  35. Lee, S.H., et al., Immunomodulatory properties of dietary plum on coccidiosis. Comp Immunol Microbiol Infect Dis, 2008. 31(5): p. 389-402.
  36. Allen, P.C., Dietary supplementation with Echinacea and development of immunity to challenge infection with coccidia [Abstract]. Parasitol Res, 2003. 91(1): p. 74-8.
  37. Lillehoj, H.S., et al., Effects of dietary plant-derived phytonutrients on the genome-wide profiles and coccidiosis resistance in the broiler chickens. BMC Proc, 2011. 5 Suppl 4: p. S34.
  38. Jang, S.I., et al., Anticoccidial effect of green tea-based diets against Eimeria maxima. Vet Parasitol, 2007. 144(1-2): p. 172-5.
  39. Guo, F.C., et al., Effects of mushroom and herb polysaccharides on cellular and humoral immune responses of Eimeria tenella-infected chickens. Poult Sci, 2004. 83(7): p. 1124-32.
  40. Guo, F.C., et al., Coccidiosis immunization: effects of mushroom and herb polysaccharides on immune responses of chickens infected with Eimeria tenella. Avian Dis, 2005. 49(1): p. 70-3.
  41. Akhtar, M., et al., Studies on wheat bran Arabinoxylan for its immunostimulatory and protective effects against avian coccidiosis. Carbohydr Polym, 2012. 90(1): p. 333-9.
  42. Christaki, E., et al., Effect of a mixture of herbal extracts on broiler chickens infected with Eimeria tenella. Animal. Res., 2004. 53: p. 137-144.
  43. Allen, P.C., H.D. Danforth, and O.A. Levander, Diets High in n-3 Fatty Acids Reduce Cecal Lesion Scores in Chickens Infected with Eimeria tenella. Poultry Science, 1996. 75(2): p. 179-185.
  44. Allen, P., H. Danforth, and O. Levander, Interaction of dietary flaxseed with coccidia infections in chickens. Poultry Science, 1997. 76(6): p. 822-827.
  45. Michalski, W.P. and S.J. Prowse, Superoxide dismutases in Eimeria tenella [Abstract]. Mol Biochem Parasitol, 1991. 47(2): p. 189-95.
  46. Allen, P.C., H. Danforth, and P.A. Stitt, Effects of nutritionally balanced and stabilized flaxmeal-based diets on Eimeria tenella infections in chickens. Poultry Science, 2000. 79(4): p. 489-492.
  47. Elmusharaf, M.A., et al., The effect of an in-feed mannanoligosaccharide preparation (MOS) on a coccidiosis infection in broilers. Animal Feed Science and Technology, 2007. 134(3–4): p. 347-354.
  48. Elmusharaf, M.A., et al., Effect of a mannanoligosaccharide preparation on Eimeria tenella infection in broiler chickens. International Journal of Poultry Science, 2006. 5(6): p. 583-588.
  49. McCann, M.E.E., et al., The use of mannan-oligosaccharides and/or tannin in broiler diets. International Journal of Poultry Science, 2006. 5(9): p. 873-879.
  50. Barberis, A., et al., Effect of using an anticoccidial and a prebiotic on production performanced, immunity status and coccidiosis in broiler chickens. Asian Journal of Poultry Science, 2015.9(3): p. 133-143.
  51. Luquetti, B.C., et al., Saccharomuces Cerevisiae cell wall dietary supplementation on the performance and intestinal mucosa development and integrity of broiler chickens vaccinated against coccidiosis. Brazilian journal of poultry science, 2012. 14(2).
  52. Shanmugasundaram, R., M. Sifri, and R.K. Selvaraj, Effect of yeast cell product (CitriStim) supplementation on broiler performance and intestinal immune cell parameters during an experimental coccidial infection. Poult Sci, 2013. 92(2): p. 358-63.
  53. Sato, K., et al., Immunomodulation in gut-associated lymphoid tissue of neonatal chicks by immunobiotic diets. Poult Sci, 2009. 88(12): p. 2532-8.
  54. Dalloul, R.A., et al., Intestinal immunomodulation by vitamin A deficiency and lactobacillus-based probiotic in Eimeria acervulina-infected broiler chickens. Avian Dis, 2003. 47(4): p. 1313-20.
  55. Dalloul, R.A., et al., Enhanced mucosal immunity against Eimeria acervulina in broilers fed a Lactobacillus-based probiotic. Poult Sci, 2003. 82(1): p. 62-6.
  56. Lee, S.H., et al., Influence of Pediococcus-based probiotic on coccidiosis in broiler chickens. Poult Sci, 2007. 86(1): p. 63-6.
  57. Augustine, P.C., et al., Effect of betaine on the growth performance of chicks inoculated with mixed cultures of avian Eimeria species and on invasion and development of Eimeria tenella and Eimeria acervulina in vitro and in vivo. Poult Sci, 1997. 76(6): p. 802-9.
  58. Matthews, J.O., T.L. Ward, and L.L. Southern, Interactive effects of betaine and monensin in uninfected and Eimeria acervulina-infected chicks. Poult Sci, 1997. 76(7): p. 1014-9.
  59. Waldenstedt, L., et al., Effect of betaine supplement on broiler performance during an experimental coccidial infection. Poult Sci, 1999. 78(2): p. 182-9.
  60. Klasing, K.C., et al., Dietary betaine increases intraepithelial lymphocytes in the duodenum of coccidia-infected chicks and increases functional properties of phagocytes. J Nutr, 2002. 132(8): p. 2274-82.
  61. Peek, H.W., et al., Dietary protease can alleviate negative effects of a coccidiosis infection on production performance in broiler chickens. Animal Feed Science and Technology, 2009. 150(1–2): p. 151-159.

 

Vitamines als ondersteuning bij pluimvee; darmgezondheid, immuniteit en beweging

Het is algemeen bekend dat vitaminen belangrijk zijn voor een goede diergezondheid. In het kader van de reductie van het antibioticumgebruik worden aanvullende diervoeders steeds vaker ingezet om problemen te voorkomen. Maar welke vitamines kunnen op welk moment ingezet worden? Om u te ondersteunen bij het correcte gebruik van vitamines wordt in dit artikel beschreven welke vitamines mogelijk een rol spelen bij de darmgezondheid, immuniteit en het bewegingsstelsel.

Dit is zeker geen volledig overzicht; effecten op productie en effecten op andere factoren worden hier niet besproken. Voor meer informatie over de literatuur betreffende vitaminen en mineralen bij varkens en andere diersoorten verwijzen we u naar dit literatuuroverzicht.

Live chickens are for sale at a wholesale meat market in Shanghai, China, on Thursday, Oct. 29, 2009. U.S. President Barack Obama on Sept. 11 levied a 35 percent duty on $1.8 billion of China-made vehicle tires, two days later China announced that it would look into alleged dumping of U.S. auto and chicken products. Photographer: Kevin Lee/Bloomberg

Darmgezondheid

De darmgezondheid is afhankelijk van een groot aantal factoren waaronder voeding. Er zijn echter ook vitaminen die belangrijk zijn voor de normale ontwikkeling en het normaal functioneren van het maagdarmkanaal. Bij een tekort aan één van deze vitaminen zullen de dieren gevoeliger zijn voor absorptiestoornissen of infectieuze darmaandoeningen.

Vitamine A

Vitamine A is belangrijk voor de ontwikkeling en het behoud van goed functionerende epitheelcellen, waaronder de epitheelcellen in de darm [1, 2]. Een tekort aan vitamine A zal niet snel optreden, omdat dieren zelf vitamine A kunnen produceren uit β-caroteen. In situaties waarin dieren stress ondervinden, ziek zijn of blootgesteld worden aan mycotoxinen zal deze conversie echter ontoereikend zijn [1].

Koppels die te maken hebben met een vitamine A deficiëntie vertonen een hogere prevalentie van E.coli, andere bacteriële infecties, endoparasieten en coccidiose [2].

In verschillende studies is gekeken naar de relatie tussen de vitamine A concentratie in het voer en de gevolgen van een infectie met Eimeria spp. In deze studies wordt aangetoond dat vitamine A belangrijk is voor de lokale immuniteit in de darm. De kippen die een hogere concentratie vitamine A toegediend kregen hadden een lagere coccidiose prevalentie en minder ernstige laesies. Daarnaast verminderde de toediening van extra vitamine A ook de groeivertraging en mortaliteit ten gevolge van coccidiose [3-5].

Vitamine B2

Ook vitamine B2 is belangrijk voor de darmgezondheid; het speelt namelijk een rol in de integriteit van de slijmvliezen. Een vitamine B2 deficiëntie kan leiden tot een toename van enteritis, diarree en mortaliteit [1].

Vitamine C

Vitamine C is heeft een positieve invloed op de morfologie van de darm; in het bijzonder op de dikte van de lamina propria en de lengte en breedte van de darmvilli. Dit is vooral aangetoond in gestreste dieren [6].

Ook zou vitamine C een gunstig effect hebben op de werking van het immuunsysteem [1] en de groei [7] van dieren die geïnfecteerd zijn met Eimeria spp.

Vitamine K

De toediening van extra vitamine K kan zorgen voor een afname van de mortaliteit veroorzaakt door E.necatrix en E.tenella coccidiose [4].

Immuniteit

Vitamine A

Een marginaal tekort aan vitamine A kan zorgen voor een daling van de concentratie antilichamen en een vermindering van de cellulaire immuunreactie [1]. Zoals hierboven beschreven is vitamine A ook belangrijk voor de lokale immuniteit in de darmen [3-5].

Leghennen met hittestress hebben een betere antilichaamrespons op een vaccinatie wanneer ze beter voorzien zijn van vitamine A [8].

De concentraties vitamine A waarbij een positieve invloed op het immuunsysteem wordt gezien varieert per ziekte; bij NCD wordt een toegenomen proliferatie van lymfocyten, macrofagen en specifieke antilichamen gezien bij 18.999 IU vitamine A per kg voer, terwijl bij een E.coli infectie de optimale concentratie steeg tot 60.000 IU/kg voer. Bij vaccinaties tegen NCD en kippenpokken waren waardes van 6.700 IU/kg voer al voldoende voor een hogere productie van specifieke antilichamen [1].

Vitamine C

Hoewel vitamine C endogeen geproduceerd kan worden, kunnen er wel deficiënties van dit vitamine optreden. Als gekeken wordt naar het immuunsysteem is vitamine C belangrijk voor de stimulatie van fagocytische activiteit en als antioxidant [1].

Stimulatie van het immuunsysteem na de toediening van vitamine C is gezien bij verschillende aandoeningen: coccidiose, infectieuze bronchitis, colibacillose, de ziekte van Marek, aflatoxicose en andere intoxicaties. Vitamine C kan deze aandoeningen niet voorkomen of genezen, maar kan bijdragen aan een reductie van de ernst van de laesies en mortaliteit, een verbetering van de cellulaire immuunrespons en een toename van de antilichaamproductie. Daarnaast werkt vitamine C als antioxidant [1]. De productie van antilichamen na een vaccinatie kan ook toenemen [9].

Ook voor het normaal functioneren van het immuunsysteem tijdens periodes van hittestress blijkt vitamine C een belangrijke component [10].

Vitamine D

Het belang van Vitamine D is natuurlijk bekend voor andere orgaansystemen, maar het is ook belangrijk voor de ontwikkeling en het functioneren van macrofagen, vooral bij jonge dieren [1].

Vitamine E

Het best bestudeerde vitamine in het kader van de immuniteit is vitamine E. Vitamine E is belangrijk voor zowel de cellulaire als humorale immuunreactie [1, 11-13]. Zo zorgt voldoende vitamine E voor een hogere antilichaamproductie na virale of bacteriële infecties [14]. Daarnaast heeft vitamine E effect op het immuunsysteem door zijn werking als antioxidant, stimulatie van fagocytose door macrofagen [1] en een verhoogde concentratie van CD4+ en CD8+ lymfocyten in reactie op een infectie [15, 16].

Naast een betere immuunreactie bij ziekten zoals coccidiose en colibacillose, verbetert ook de immuunreactie die volgt op vaccinatie tegen NCD of IB [1] of tijdens stressvolle situaties zoals hittestress of transport [9].

De toediening van extra vitamine E toegediend aan ouderdieren zorgt voor een betere humorale immuunreactie, een hogere concentratie lymfocyten en een toegenomen antilichaamconcentratie na NCD vaccinatie bij de nakomelingen [1].

Het bewegingsstelsel

De ontwikkeling van het bewegingsapparaat is vooral afhankelijk van de voorziening van nutriënten in de diervoeding. Specifieke deficiënties kunnen echter ook een negatief effect hebben op de ontwikkeling of het functioneren van beenderen, spieren en pezen.

Biotine

Biotine is een belangrijk vitamine voor de botten van kuikens. Zowel de voorziening aan de kuikens zelf [1], als aan de ouderdieren [17] is hierbij een belangrijke factor. De incidentie van problemen zoals varus deformaties, een verkorting van de tibiotarsus, algemene beenderafwijkingen en tenosynovitis kunnen verhoogd zijn in koppels met een biotine deficiëntie [1].

Choline

Bij eenden is aangetoond dat het toedienen van choline kan bijdragen aan het verlagen van de incidentie van draaipoten (slipped tendon) [18, 19].

B-vitaminen

Een bekend gevolg van een vitamine B2 tekort is kromme tenen (curled toe paralysis) [2].

Vitamine B6 is wat minder bekend in relatie tot kreupelheid, maar een tekort kan wel leiden tot zwelling van de hakgewrichten, eventueel met verplaatsing van de gastrocnemius pees [2]. Het toedienen van vitamine B6 in voldoende hoge concentraties is belangrijk voor de ontwikkeling van het skelet, maar ook voor de integriteit van het bindweefsel [1].

Vitamine D3

Naast bovengenoemde vitamines is vitamine D3 natuurlijk ook erg belangrijk voor de ontwikkeling van de botten; het speelt een rol bij de absorptie, het transport, het inbouwen en het mobiliseren van calcium. Een vitamine D3 deficiëntie zorgt voor hypocalcemie, rachitis en tibiale dyschondroplasie [1, 20]. In een koppel wordt dit gekenmerkt door kuikens die niet willen bewegen en zwelling van de gewrichten.

Bij hennen wordt de kwaliteit van de eischaal aangetast en wordt osteomalacie gezien [2].

Vooral voor tibiale dyschondroplasie blijkt het zeer effectief om vitamine D3 niet alleen toe te dienen aan de kuikens, maar ook aan de ouderdieren. Dit geldt ook wanneer de problemen optreden aan het eind van de ronde [17, 21]. Bij ouderdieren is de toediening van vitamine D3 vooral belangrijk aan het einde van de productieperiode [17]. Natuurlijk kan het ook aan beide diergroepen toegediend worden, waarbij hoge concentraties worden gegeven aan de ouderdieren en lagere concentraties aan de kuikens [22].

Vitamine K

Een wat minder bekend vitamine in het kader van beweging is vitamine K. Specifiek bij pluimvee is vitamine K echter belangrijk voor het functioneren van osteocalcine, een eiwit dat aanwezig is in de matrix van het bot en dat nodig is voor de mineralisatie [17, 23].

Dopharma

Dopharma heeft een aanvullend diervoeder met vitaminen in het assortiment:

  • Osteosol AD bevat enkele vitaminen, maar daarnaast ook mineralen/spoorelementen.

Hiernaast heeft Dopharma ook drie diergeneesmiddelen in het assortiment die vitaminen bevatten:

  • Vitasol multi is een vloeibaar product met vitamines.
  • Vitaminsol multi is een poedervormig product met een combinatie van vitamines en mineralen/spoorelementen.
  • Vitasol® C is een geregistreerd diergeneesmiddel met vitamine C.

Referenties

  1. Cepero-Briz, R. and C. Perez, Optimum vitamin nutrition in broilers and turkeys, in Optimum vitamin nutrition; in the production of quality animal foods. 2012, 5M Publishing: United Kingdom. p. 139-241.
  2.  Shane, S.M., Handbook on Poultry Diseases. 2nd ed. 2005, Singapore: American Soybean Association.
  3. Dalloul, R.A., et al., Effect of vitamin A deficiency on host intestinal immune response to Eimeria acervulina in broiler chickens. Poult Sci, 2002. 81(10): p. 1509-15.
  4. Peek, H., Resistance to anticoccidial drugs: alternative strategies to control coccidiosis in broilers, in Faculty Veterinary Medicine. 2010, University Utrecht.
  5. Lessard, M., D. Hutchings, and N.A. Cave, Cell-mediated and humoral immune responses in broiler chickens maintained on diets containing different levels of vitamin A. Poult Sci, 1997. 76(10): p. 1368-78.
  6. Zamani Moghaddam, A.K., H. Hassanpour, and A. Mokhtari, Oral supplementation with vitamin C improves intestinal mucosa morphology in the pulmonary hypertensive broiler chicken. Br Poult Sci, 2009. 50(2): p. 175-80.
  7. McKee, J.S. and P.C. Harrison, Effects of supplemental ascorbic acid on the performance of broiler chickens exposed to multiple concurrent stressors. Poult Sci, 1995. 74(11): p. 1772-85.
  8. Lin, H., et al., Effect of dietary supplemental levels of vitamin A on the egg production and immune responses of heat-stressed laying hens. Poult Sci, 2002. 81(4): p. 458-65.
  9. Barroeta, A.C., R. Davin, and M.D. Bauccels, Optimum vitamin nutrition in laying hens, in Optimum vitamin nutrition; in the production of quality animal foods. 2012, 5M Publishing: United Kingdom. p. 89-137.
  10. Abidin, Z. and A. Khatoon, Heat stress in poultry and the beneficial effects of ascorbic acid (vitamin C) supplementation during periods of heat stress. World’s Poultry Science Journal, 2013.69(01): p. 135-152.
  11. Boa-Amponsem, K., et al., Vitamin E and immune responses of broiler pureline chickens. Poult Sci, 2000. 79(4): p. 466-70.
  12. Rama Rao, S.V., et al., Effect of dietary alpha -tocopherol concentration on performance and some immune responses in broiler chickens fed on diets containing oils from different sources. Br Poult Sci, 2011. 52(1): p. 97-105.
  13. Lin, H., et al., Strategies for preventing heat stress in poultry. World’s Poultry Science Journal, 2006. 62(01): p. 71-86.
  14. Leshchinsky, T.V. and K.C. Klasing, Relationship between the level of dietary vitamin E and the immune response of broiler chickens. Poult Sci, 2001. 80(11): p. 1590-9.
  15. Zhu, M., et al., The role of dietary vitamin E in experimental Listeria monocytogenes infections in turkeys. Poult Sci, 2003. 82(10): p. 1559-64.
  16. Erf, G.F., et al., Effects of dietary vitamin E on the immune system in broilers: altered proportions of CD4 T cells in the thymus and spleen. Poult Sci, 1998. 77(4): p. 529-37.
  17. Barroeta, A.C., et al., Optimum vitamin nutrition in poultry breeders, in Optimum vitamin nutrition; in the production of quality animal foods. 2012, 5M Publishing: United Kingdom. p. 41-87.
  18. Wen, Z.G., et al., Choline requirements of White Pekin ducks from hatch to 21 days of age. Poult Sci, 2014. 93(12): p. 3091-6.
  19. Mavromichalis, I., Research Review: Ducks require more choline than broilers, in Poultry International. 2015, WATTAgNet. p. 24.
  20. Atencio, A., H.M. Edwards, Jr., and G.M. Pesti, Effect of the level of cholecalciferol supplementation of broiler breeder hen diets on the performance and bone abnormalities of the progeny fed diets containing various levels of calcium or 25-hydroxycholecalciferol. Poult Sci, 2005. 84(10): p. 1593-603.
  21. Driver, J.P., et al., The effect of maternal dietary vitamin D3 supplementation on performance and tibial dyschondroplasia of broiler chicks. Poult Sci, 2006. 85(1): p. 39-47.
  22. Atencio, A., H.M. Edwards, Jr., and G. Pesti, Effects of vitamin D3 dietary supplementation of broiler breeder hens on the performance and bone abnormalities of the progeny. Poult Sci, 2005.84(7): p. 1058-68.
  23. Whitehead, C.C., Overview of bone biology in the egg-laying hen. Poult Sci, 2004. 83(2): p. 193-9.

Spotty liver disease bij pluimvee

Wat weten we van spotty liver disease (Campylobacter hepaticus) bij pluimvee?

In 2019 werd een infectie met Campylobacter hepaticus als veroorzaker van spotty liver disease (SLD) aangetoond in een koppel Nederlandse leghennen (Molenaar 2019). SLD is echter niet alleen in Nederland een opkomende ziekte. Dat blijkt wel uit de publicatie van artikelen over dit onderwerp in de afgelopen jaren. Dit nieuwsbericht biedt u een overzicht van de praktische informatie die tot dusver bekend is.

Geschiedenis

De aandoening werd meer dan 60 jaar geleden al beschreven en werd sindsdien vooral beschreven in de USA, UK en Duitsland. Er kwam meer aandacht voor toen het aantal uitbraken toenam, met name in Australië. Hierbij viel het op dat de toename in uitbraken in lijn lag met een verandering in huisvestingssytemen waarbij meer dieren gehouden werden in scharrelsystemen en ook toegang hadden tot een buitenuitloop (Van et al. 2017a).

Crawshaw et al. publiceerden in 2015 dat ze een nieuwe Campylobacter species hadden geïdentificeerd. Ze beschreven de isolatie en biochemische, structurele en moleculaire eigenschappen van de bacterie, maar er werd nog geen naam bepaald (Crawshaw et al. 2015).

Van et al. Vonden later dezelfde nieuwe Campylobacter species als veroorzaker van SLD in een koppel commercieel gehouden kippen in Australië. Op basis van een fylogenetische analyse gebaseerd op het 16S RNA-gen en het hitteschok eiwit 60 (hsp60) gensequentie werd aangetoond dat de nieuwe stammen één uniform cluster vormden dat duidelijk anders was dan reeds bekende Campylobacter species. Toen de gemiddelde nucleotide-identiteit werd berekend, hadden de nieuwe stammen een concordantie van 99%, maar vertoonden ze minder dan 84% overeenkomst met de dichtstbijzijnde soort waarvan de sequentie was bepaald. Een overeenkomst van minder dan 95% indiceert dat het om een nieuwe species gaat, en Van et al. Hebben daarom een nieuwe naam voor deze bacterie voorgesteld: Campylobacter (C.) hepaticus (Van et al. 2016).

Dezelfde studiegroep heeft later aangetoond dat deze bacterie veel invasiever is voor LMH-cellen (een cellijn met kippenlever cellen) dan andere Campylobacter species. Daarnaast lieten ze zien dat SLD geïnduceerd kon worden in volwassen leghennen die oraal besmet werden met C. hepaticus. Dezelfde bacterie kon vervolgens geïsoleerd worden uit de lever en gal van deze dieren. Hiermee werden de postulaten van Koch vervuld en kon definitief worden vastgesteld dat C. hepaticus de veroorzaker is van SLD (Van et al. 2017a).

De bacterie

De belangrijkste eigenschappen van C. hepaticus zijn (Van et al. 2016):

  • bacteriële morfologie:
    • s-vorming;
    • bevat lange flagella aan beide polen;
    • beweeglijk;
    • 0,3 – 0,4 μm breed em 1,0 – 1,2 μm lang na een incubatie van 3 dagen op HBA (paardenbloed agar) in een microaerofiele atmosfeer bij 37°C;
    • Gram-negatief;
  • morfologie van de kolonie:
    • nat;
    • crèmekleurig;
    • bol of plat en spreidend;
  • biochemische eigenschappen:
    • niet hemolytisch;
    • catalase positief;
    • oxidase positief;
    • urease negatief.

In figuur 1 kunt u de morfologie van C. hepaticus zien (Van et al. 2016).

Figuur 1 Transmissie electronenmicrofoto’s van Campylobacter hepaticus met de lange bipolaire flagella en S-vormige morfologie (Vans et al. 2016).

Een volledige gensequentie van C. hepaticus heeft aangetoond dat deze bacterie het meest verwant is met C. jejuni en C. coli, maar wel een duidelijk aparte groep is (Petrovska et al. 2017). Een overzicht van deze fylogenetische boom is te zien in figuur 2.

Figuur 2 Relatie tussen C. hepaticus en andere Campylobacter species gebaseerd op een gen-voor-genanalyses (Petrovska et al. 2017).

Infectie

SLD komt vooral voor bij leghennen die beschikken over een uitloop, maar het is ook aangetoond in leghennen en ouderdieren die gehouden worden in scharrelsystemen en in kooien (Molenaar 2019, Van et al. 2016).

Het wordt aangenomen dat kippen via de fecaal-orale route geïnfecteerd raken met C. hepaticus. Deze bacterie is aanwezig in het maagdarmkanaal van geïnfecteerde kippen en levensvatbare bacteriën kunnen geïsoleerd worden uit kippenmest (Phung et al. 2020; Van et al. 2017a; 2017b).

DNA van C. hepaticus is ook aangetoond in wilde vogels, ratten, mijten en vliegen. Ook is het aangetoond in water en grond van geïnfecteerde bedrijven. Het is echter niet bekend of deze dieren en materialen kunnen dienen als vectoren voor levensvatbare C. hepaticus stammen. Dit betekent dat extra onderzoek naar hun rol in de transmissie en introductie van C. hepaticus op bedrijven nog nodig is (Phung et al. 2020).

Uit Australisch onderzoek is gebleken dat het moment waarop dieren geïnfecteerd raken, niet altijd overeenkomt met het moment waarop we in de stal een toename in mortaliteit en laesies van SLD zien. Kippen kunnen geïnfecteerd raken met C. hepaticus tot wel 8 weken voor SLD zich manifesteert. Er is ook een casus bekend waarbij de dieren tijdens de opfok (week 12) geïnfecteerd raakten.

Dit impliceert ook dat alleen een infectie met C. hepaticus niet altijd voldoende is om SLD te veroorzaken. Andere predisponerende factoren spelen hier waarschijnlijk ook een rol in. Mogelijke predisponerende factoren zijn het veranderde levermetabolisme tijdens de piepproductie of veranderen in het microbioom in het maag-darmkanaal (Phung et al. 2020). Meer onderzoek is nodig om de exacte rol en van deze eventuele andere factoren te onderzoeken.

Infecties komen met name voor tijdens de piekproductie, maar zijn niet beperkt tot deze periode. Na de initiële infecties tijdens deze piek, kunnen bovendien latere uitbraken in hetzelfde koppel voorkomen (Phung et al. 2020).

Klinisch beeld

Koppels worden vaak tijdens de piekproductie getroffen door deze aandoening, maar dit kan het hele jaar door optreden (Molenaar 2019; Phung et al. 2020).

Koppels met SLD hebben een hogere mortaliteit met acute sterfgevallen (Molenaar 2019). De mortaliteit kan toenemen met meer dan 1% per dag (Van et al 2017a) en kan cumulatief oplopen tot 10% (Phung et al. 2020).

In sommige koppels gaan de problemen gepaard met een daling in de eiproductie, met een maximale daling van 25% (Molenaar 2019; Phung et al. 2020). Door de snelle dood van geïnfecteerde dieren worden er niet altijd zieke dieren in het koppel waargenomen (Molenaar 2019).

Necropsie

The aandoening wordt gekarakteriseerd door een grote hoeveelheid kleine grijs/witte necrotische harden in de lever (spotty liver), zoals gezien kan worden in figuur 3 (Molenaar 2019; Van et al., 2016). Uit infectieproeven is gebleken dat dieren de laesies in de lever die zijn ontstaan door SLD weer kunnen herstellen; na enkele weken kunnen deze weer verdwenen zijn (Van et al. 2017a).

Figuur 3 Pathologie van twee kippen met SLD: foto A van een kip die is overladen, foto B van een kip die is geëuthanaseerd (Van et al. 2017a).

Diagnose

Alle C. hepaticus isolaten die in de literatuur zijn beschreven, zijn geïsoleerd uit de lever of gal, waar ze doorgaans als monocultuur gevonden kunnen worden (Phung et al. 2020; Van et al. 2017).

C. hepaticus is ook aanwezig in het maagdarmkanaal. De concentratie neemt toe: duodenum < jejunum < ileum < cecum. Ondanks het feit dat de concentratie in de darmen hoger is dan in de lever, is isolatie van deze bacterie uit het maag-darmkanaal tot dusver niet beschreven (Phung et al. 2020; Van et al. 2017).

C. hepaticus is een enorm lastige bacterie om te kweken en dit zal dan ook niet lukken met de standaard kweekmethoden (Moleaar 2019). C. hepaticus groeit niet op MacConkey of Karmali agar platen, maar alleen op voedingsbodems met bloed (Van et al. 2016).

Er is een PCR waarmee gekeken kan worden of monsters DNA van C. hepaticus bevatten (Van et al. 2017b). Het analyseren van cloacaswabs met een PCR lijkt een betrouwbare methode om vast te stellen of C. hepaticus wel of niet aanwezig is in levende dieren (Van et al. 2017).

Behandeling

Er zijn verschillende antibiotica die ingezet kunnen worden om een infectie met C. hepaticus te behandelen. Tetracyclines worden doorgaans gezien als 1e keus in de behandeling. Oxytetracyline is de meest gebruikte behandeling voor SLD in Australië, maar hier wordt ook al resistentie gerapporteerd die via plasmiden overgedragen kan worden (Phung et al. 2020).

Macroliden zijn ook effectief, maar door het risico op de ontwikkeling van resistentie in zoönotische Campylobacter species, zijn dit 2e keus middelen. Tot slot zijn ook fluoroquinolonen effectief.

Preventie

Omdat ratten en wilde vogels positief getest zijn in de C. hepaticus PCR, lijkt biosecurity een belangrijke maatregel in de preventie van SLD op een bedrijf, evenals in de spreiding tussen stallen.

Er is geen vaccin geregistreerd dat dieren kan beschermen tegen deze aandoening. De productie van bedrijfsspecifieke vaccins (autovaccins) is mogelijk, maar er zijn nog geen data gepubliceerd over het gebruik hiervan.

Omdat C. hepaticus slechts vrij recent is aangetoond, zijn er nog nauwelijks gegevens over andere preventieve maatregelen, zoals het gebruik van bepaalde producten in het voer. Uit onderzoek is echter wel gebleken dat er veelbelovende resultaten zijn behaald met het gebruik van biochar (Wilson et al. 2019). Meer onderzoek is echter nodig voor dit in de praktijk toegepast kan worden.

Zoönose

Uit de genoomsequentie blijkt dat C. hepaticus het meest verant is aan Campylobacter jejuni en Campylobacter coli, welke beide zoönotisch zijn. C. hepaticus is echter tot op heden niet aangetoond in mensen. Het is echter te vroeg om al een definitieve conclusie te trekken over het zoönotisch potentieel van deze bacterie (Crawshaw 2019; Petrovska et al. 2017).

RIPAC-LABOR

Met RIPAC-LABOR hebben we een partner die gespecialiseerd is in de isolatie en het kweken van bacteriële pathogenen. RIPAC-LABOR heeft de laatste tijd geïnvesteerd in het ontwikkelen van een goede kweekmethode die al toegepast kan worden. Ook kunnen ze C. hepaticus identificeren met de MALDI-TOF MS en is er een PCR beschikbaar voor het aantonen van C. hepaticus DNA in monsters.

Daarnaast is het mogelijk om bij RIPAC-LABOR bedrijfsspecifieke vaccins (autovaccins) te laten produceren tegen C. hepaticus.

Indien u een koppel heeft dat verdacht is van C. hepaticus, kunt u altijd contract opnemen met Technical Support zodat we de mogelijkheden met u kunnen doorspreken.

Literatuur

  1. Crawshaw, T. (2019) A review of the novel thermophilic Campylobacter, Campylobacter hepaticus, a pathogen of poultry. Transboundary and Emerging Diseases 66(4): 1481-1492.
  2. Crawshaw, T., Chanter, J., Young, S.C.L., Cawthraw, S., Whatmore, A.M., Koylass, M.S., Vidal, A.B., Salugero, F.J., Irvine, R.M. (2015) Isolation of a novel thermophilic Campylobacter from cases of spotty liver disease in laying hens and experimental reproduction of infection and microscopic pathology. Veterinary microbiology 179 (3-4): 315-321.
  3. Molenaar, Robert Jan (2019) Nieuws uit de monitoring – Spotty Liver Disease. Tijdschrift voor Diergeneeskunde.
  4. Petrovska, L., Tang, Y., Jansen van Rensbrug, M.J., Cawthraw, S., Nunez, J., Sheppard, S.K., Ellis, R.J., Whatmore, A.M., Crawshaw, T.R., Irvine, R.M. (2017) Genome reduction for niche associated in Campylobacter hepaticus, a cause of spotty liver disease in poultry. Frontiers in cellular and infection microbiology 7: 354.
  5. Phung, C., Vezina, B., Anwar, A., Wilson, t., Scott, P.C., Moore, R.J., Van, T.T.H. (2020) Campylobacter hepaticus, the cause of spotty liver disease in chickens: transmission and routes of infection. Frontiers in Veterinary Science 6:505.
  6. Van T.T.H., Elshagmani E., Gor M.C., Scott P.C., Moore R.J. (2016) Campylobacter hepaticus nov., isolated from chickens with spotty liver disease. International Journal of Systematic and Evolutionary Microbiology 66, 4518–4524.
  7. Van T.T.H., Elshagmani, E., Gor, M.C., Anwar, A., Scott, P.C., Moore, R.J. (2017a) Induction of spotty liver disease in layer hens by infection with Campylobacter hepaticus. Veterinary Microbiology 199: 85-90.
  8. Van, T.T.H., Gor, M.C., Anwar, A., Scott, P.C., Moore, R.J. (2017b) Campylobacter hepaticus, the cause of spotty liver disease in chickens, is present throughout the small intestine and caeca of infected birds. Veterinary microbiology 207: 226-230.
  9. Willson, N. L., Van, T., Bhattarai, S. P., Courtice, J. M., McIntyre, J. R., Prasai, T. P., Moore, R. J., Walsh, K., & Stanley, D. (2019) Feed supplementation with biochar may reduce poultry pathogens, including Campylobacter hepaticus, the causative agent of Spotty Liver Disease. PloS one, 14(4) e0214471.

Uitbreiding van de indeling van Clostridium perfringens toxinotypes

Clostridium perfringens is een belangrijke bacterie voor de pluimveehouderij vanwege zijn rol bij het ontstaan van necrotische enteritis. C. perfringens stammen worden ingedeeld op basis van de toxinen die ze kunnen produceren (toxinotypering). De indeling die hiervoor wordt gebruikt is uitgebreid met twee nieuwe toxinotypes. RIPAC-LABOR gebruikt de nieuwe indeling voor diagnostiekuitslagen die u van ze ontvangt. In dit artikel wordt u geïnformeerd over de nieuwe indeling en de rol van de verschillende toxines en toxinotypes, zodat u de nieuwe uitslagen goed kunt interpreteren.

Clostridium perfringens

Clostridium perfringens is een Gram positieve sporenvormende anaerobe bacterie. C. perfringens komt als commensaal voor in de darmen, ook bij pluimvee. In de natuur is Clostridium perfringens betrokken bij de degeneratie van karkassen. Hierbij groeit de bacterie in een anaerobe omgeving. Ook in het dier groeit deze bacterie alleen in anaerobe omstandigheden. Gezonde weefsels bevatten een te hoge concentratie zuurstof, wat succesvolle groei van C. perfringens voorkomt. Necrotisch weefsel heeft echter veel lagere zuurstofgehaltes, waardoor deze bacterie hier wel kan groeien.

Ziekte wordt meestal veroorzaakt door de toxines die onder bepaalde omstandigheden (predisponerende factoren) geproduceerd kunnen worden. Het gaat hier om extracellulaire toxines; toxines die door de bacterie worden uitgescheiden. Deze toxines zorgen voor destructie van levend weefsel, waardoor C. perfringens in deze weefsels kan groeien. Dit geldt ook voor necrotische enteritis bij pluimvee.

De ziekte komt voor in een klinische en subklinische vorm. De klinische vorm wordt gekenmerkt door klinische symptomen zoals diarree en een verhoging van de mortaliteit. De mortaliteit kan zelfs oplopen tot 50%. De subklinische vorm gaat niet gepaard met klinische symptomen, maar deze vorm van necrotische enteritis is juist heel erg belangrijk door economische verliezen die ontstaan door een verminderde groei en verslechtering van de voederconversie.

Figuur 1 Kweek van Clostridium perfringens

Diagnostiek

De meeste bacteriën worden ingedeeld op basis van serotypering. Serologische typering van C. perfringens is in het verleden wel geprobeerd, maar zelfs met het gebruik van meer dan 91 sera waren veel stammen niet typeerbaar. Daarom is besloten om gebruik te maken van toxinetypering, waarbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van de genen die coderen voor bepaalde toxines (genetische typering). Dit wordt gedaan door gebruik te maken van een multiplex PCR (Polymerase Chain Reaction). Deze PCR kan ook door RIPAC-LABOR uitgevoerd worden. Daarnaast kan er een lecithovitellinase test uitgevoerd worden. Deze test wordt later uitgelegd.

Voor het nemen van diagnostische monsters voor onderzoek op C. perfringens is het belangrijk om de monsters direct na het doden van de dieren te nemen. Als er te lang gewacht wordt met monstername, zal overgroei door andere bacteriën zeer waarschijnlijk plaatsvinden. Daarnaast is het belangrijk om de bacterie onder anaerobe omstandigheden te vervoeren, zodat deze het transport overleeft.

Toxinen

Door het enorme belang van toxines bij de pathogenese van aandoeningen veroorzaakt door C. perfringens, is er al vroeg onderzoek gedaan naar de voorkomende toxines. Al in 1941 werd aangetoond dat het α-toxine een fosfolipase C is dat geproduceerd wordt door alle C. perfringens stammen. Het was het eerste bacteriële toxine waarvan werd aangetoond dat het werkzaam was als een enzym.

Ook voor de andere toxines is tegenwoordig duidelijk welke effecten ze hebben op de gastheercellen. Voor pluimvee zijn twee van de toxines die worden gebruikt voor de classificering van C. perfringens van belang: het α-toxine en NetB toxine. Daarnaast is het TpeL toxine bij pluimvee van klinisch belang, ook al wordt het niet gebruikt voor de classificatie. De eigenschappen van deze vier toxines worden daarom hieronder toegelicht.

α-toxine

Het α-toxine is zoals hierboven genoemd een fosfolipase C enzym (CpPLC). Dit enzym bindt aan het celmembraan via calcium-bindingsplaatsen en kan dan rechtstreeks reageren met de fosfolipiden in de celmembraan. Het beïnvloedt op deze manier de mucosa van het jejunum in kippen en draagt zo bij aan de pathogenese van necrotische enteritis. Het is echter niet de belangrijkste virulentiefactor voor het ontstaan van necrotische enteritis.

Dit toxine wordt gevonden op het cpa gen dat aanwezig is op het chromosoom van alle C. perfringens stammen. De hoeveelheid toxine die wordt geproduceerd varieert echter tussen stammen; stammen met toxinotype A produceren de grootste hoeveelheden α-toxine.

Omdat het α-toxine het meest voorkomende toxine is, is het niet voldoende om aan te tonen dat het gen dat codeert voor dit toxine aanwezig is. De aanwezigheid van een toxine geeft namelijk alleen maar aan dat een bacterie in staat is om een bepaald toxine te vormen. Hiermee wordt niet bepaald dat het toxine ook daadwerkelijk gevormd wordt. RIPAC-LABOR biedt daarom een lecithovitellinase test aan. Met deze test kan de hoeveelheid actief toxine worden aangetoond. Het voordeel boven een ELISA is dat er wordt gekeken naar de activiteit van de aanwezige toxines. De ELISA is niet in staat om deze activiteit te bepalen.

NetB toxine

NetB (Necrotic Enteritis Toxin B-like) is ook een porie-vormend toxine. Dit toxine maakt een hydrofiele porie met een diameter van 1,6 – 1,8 nm in het plasmamembraan, waardoor ionen kunnen passeren. Kippencellen die worden blootgesteld aan het NetB toxine vertonen snel ‘blebbing’ en zwelling, en zullen uiteindelijk lyseren en dus sterven. Blebbing is het eerste stadium van celdood, waarbij uitstulpingen ontstaan. Dit is een indicatie van het verlies van het cytoskelet en dit zal leiden tot celdood.

Hoe meer NetB toxine door een stam wordt geproduceerd, hoe erger de laesies zijn die door deze stam worden veroorzaakt. Het NetB toxine is het belangrijkste toxine dat gerelateerd wordt aan necrotische enteritis bij kippen.

TpeL toxine

Het TpeL toxine is een groot glucosylerend toxine. Dit toxine is homoloog aan de TcdA en TcdB toxines van C. difficile.

TpeL speelt waarschijnlijk ook een rol bij het ontstaan van necrotische enteritis; experimentele infecties met TpeL positieve stammen in vleeskuikens resulteren in ernstigere darmlaesies en veroorzaken necrotische enteritis met een sneller verloop en hogere mortaliteit dan infecties met stammen zonder het TpeL toxine.

Plasmiden

Veel van de genen die coderen voor toxines, zoals het cpb gen (b-toxine), etx gen (e-toxine), iap gen (ɩ-toxine) en netB gen liggen op grote plasmiden in de bacterie. Deze plasmiden worden soms overgedragen van de ene naar de andere C. perfringens stam. Overdracht van een plasmide met genetische informatie voor het e-toxine van toxinotype D naar toxinotype A stammen is bijvoorbeeld aangetoond. De stammen die de plasmide met het etx gen ontvingen veranderden daardoor dus ook van toxinotype A naar toxinotype D. Ook overdracht van het NetB toxine van de ene naar de andere stam is aangetoond, zelfs in het maagdarmkanaal van kippen.

De indeling van een stam in een bepaald toxinotype is dus niet definitief; tijdens de groei van een stam in de aanwezigheid van andere C. perfringens stammen kan deze stam andere genetische informatie.

Toxinotype indeling

Wilsdon heeft een schema opgesteld voor de indeling van C. perfringens op basis van het voorkomen van genetisch materiaal dat codeert voor toxines. Dit schema was in het verleden al drie keer eerder aangepast, maar is nu voor de vierde keer gewijzigd. Er worden twee toxinotypes toegevoegd, waaronder het voor pluimvee relevante toxinotype G.

Over een nieuwe indeling van C. perfringens stammen wordt al jaren gesproken. Tijdens de “10Th International Conference on the Molecular Biology and Pathogenesis of the Clostridia” dat in Ann Arbor (USA) werd gehouden in augustus 2017 is men tot een consensus gekomen, dat in 2018 door Rood et al werd gepubliceerd. In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de nieuwe indeling, inclusief de nieuwe toxinotypes.

Tabel 1 Nieuwe toxinotype indeling van C. perfringens

Toxine α-toxine b-toxine e-toxine ɩ-toxine CPE NetB
Gen plc / cpa cpb etx iap cpe netB
Toxinotype A +
Toxinotype B + + +
Toxinotype C + + ±
Toxinotype D + + ±
Toxinotype E + + ±
Toxinotype F + +
Toxinotype G + +

Toxinotype F

C. perfringens type F stammen zijn stammen die genen bezitten voor het α- en CPE-toxine, maar niet voor de b-, e- of ɩ-toxines.
Tot nu toe werden deze stammen vaak geclassificeerd als CPE-positieve type A stammen.

Dit toxinotype is vooral humaan van belang.

Toxinotype G

C. perfringens type G stammen zijn stammen die genen bezitten voor de productie van het α- en NetB toxine. Ze hebben niet het genetische materiaal voor de productie van b-, e- of ɩ-toxines.
Deze stammen werden voorheen geclassificeerd als NetB positieve type A stammen.

Dat het NetB toxine van belang is voor de pathogenese van necrotische enteritis, is natuurlijk geen nieuws. In 2008 werd het belang van NetB in de pathogenese van necrotische enteritis bij pluimvee al aangetoond door Keyburn et al. Het toxine kon echter pas in het schema worden opgenomen nadat meer onderzoek was gedaan. Het moet namelijk worden vastgesteld dat het om een uniek toxine gaat dat gerelateerd is aan een aandoening (door het vervullen van de postulaten van Koch of uitgebreide epidemiologische analyses). Daarna moet dit door een breed gedragen groep wetenschappers worden geaccepteerd.

Toxinotype A

Het toevoegen van de nieuwe toxinotypes betekent ook voor toxinotype A een wijziging: C. perfringens stammen worden nu alleen nog maar ingedeeld in dit toxinotype als ze niet de genen hebben voor de productie van CPE of NetB toxines.

Ziektebeelden

De verschillende toxinotypes zijn ieder verantwoordelijk voor hun eigen veterinaire en/of humane ziektebeelden. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste aandoeningen veroorzaakt door de verschillende toxinotypes.

  • Type A: primair veroorzaker van gasgangreen (infecties van de spieren door wonden) humaan, maar ook veroorzaker van necrotiserende enterocolitis in biggen, enterotoxemie bij kalveren, hemorragische enteritis bij honden en typhlocolitis bij paarden.
  • Type B: veroorzaker van dysenterie bij lammeren.
  • Type C: veroorzaker van hemorragische tot necrotiserende enteritis bij neonatale biggen en peracute sterfte (struck) bij schapen.
  • Type D: veroorzaker van enterotoxemie (pulpy kidney disease) bij schapen.
  • Type E: veroorzaker van enteritis bij konijnen en incidenteel van hemorragische enteritis bij kalveren.
  • Type F: veroorzaker van humane voedselvergiftiging en diarree na het gebruik van antibiotica.
  • Type G: veroorzaker van necrotische enteritis bij kippen.

Is deze indeling definitief?

C. perfringens kan minstens twintig verschillende extracellulaire toxines en hydrolytische enzymen produceren. Veel van deze factoren worden dus nog niet gebruikt voor de classificatie, omdat ze op dit moment nog niet voldoen aan de criteria die worden gebruikt. Nieuw onderzoek naar enkele van deze toxines leidt mogelijk in de toekomst tot het opnemen van die toxines in het schema. Het schema wordt mogelijk op een later moment dus opnieuw aangepast.

Toxines die misschien nog toegevoegd gaan worden zijn het NetF en BED (of CPILE) toxine. Het NetF toxine wordt vooral gevonden bij stammen die hemorragische enteritis veroorzaakt bij honden en necrotiserende enteritis bij veulens. Het BED toxine wordt geassocieerd met voedsel gerelateerde gastro-enteritis humaan. Voor pluimvee zijn er op dit moment nog geen nieuwe toxines die wellicht van invloed zijn op de indeling van C. perfringens stammen.

Referenties

  1. Flores-Diaz, M., Barquero-Calvo, E., Ramírez, M., Alape-Girón, A. (2016) Role of Clostridium perfringens toxins in necrotic enteritis in poultry. In Microbial toxins page 1-16. Springer Science + Business Media.
  2. Keyburn, A.L., Boyce, J.D., Vaz, P., Bannam, T.L., Ford, M.E., Parker, D., Di Rubbo, A., Rood, J.I., Moore, R.J. (2008) NetB, a new toxin that is associated with avian necrotic enteritis caused by Clostridium perfringens. PloS Pathog. 4(2): e26.
  3. Opengaart, K. (2008) Necrotic enteritis. In Saif, Y.M. Diseases of Poultry 12th edition (2008). Blackwell publishing. Page 872-879.
  4. Quin, P.J., Markey, B.K., Carter, M.E., Donnely, W.J., Leonard, F.C. (2002) Veterinary microbiology and microbial disease. Blackwell publishing. Chapter 16 Clostridium species, page 84-96.
  5. Rood, J.I., Adams, V., Lacey, J., Lyras, D., McClane, B.A., Melville, S.B., Moore, R.J., Popoff, M.R., Sarker, M.R., Songer, J.G., Uzal, F.A., van Immerseel, F. (2018) Expansion of the Clostridium perfringens toxin-based typing scheme. Anaerobe 53: 5-10.
  6. Uzal, F.A., Vidal, J.E., McClane, B.A., Gurjar, A.A. (2007) Clostridium perfringens toxins involved in mammalian veterinary diseases. Open toxinology J. 2: 24-42.

Dit artikel is mede tot stand gekomen met de hulp van RIPAC-LABOR.

 

Voorkom oplosbaarheidsproblemen die ontstaan door een te lage concentratie van het diergeneesmiddel

Het goed oplossen van drinkwatermediatie is essentieel voor de effectiviteit van het diergeneesmiddel. Problemen met de oplosbaarheid kunnen verschillende oorzaken hebben. Hieronder bespreken we oplosbaarheidsproblemen die ontstaan door een te lage concentratie. U krijgt meer informatie over de oorzaak van dit probleem en er worden oplossingen geboden.

oplosbaarheidsproblemen-bij-diergeneesmiddelen-toegepsat-in-lage-concentraties

De drinkwaterdosering wordt steeds vaker berekend op basis van de dosering in milligram per kilogram lichaamsgewicht en de dagelijkse drinkwateropname. Dit is een positieve trend, omdat deze methode veel betrouwbaarder is dan een vaste dosering per liter drinkwater. Bij specifieke diergroepen kan deze manier van doseren echter leiden tot oplosbaarheidsproblemen.

Waarom ontstaan deze problemen?

Problemen kunnen ontstaan omdat bepaalde dieren relatief veel drinken. Een voorbeeld hiervan zijn jonge kuikens. De medicatie wordt dan opgelost in een relatief grote hoeveelheid water, waardoor de concentratie in de voor- en eindoplossing laag is. Deze concentratie kan belangrijk zijn voor de oplosbaarheid omdat deze bepalend is voor de pH van de oplossing en de meeste diergeneesmiddelen enkel oplossen bij een hoge of bij een lage pH.

Wat zijn risicovolle producten?

In de praktijk komen problemen vooral voor bij producten die oplossen in een basisch milieu. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Toltrazuril (Dozuril® 25 mg/ml)
  • Enrofloxacine
  • Flumequine (Enterflume® kalf/kip, Enterflume® varken)
  • Amoxicilline (Amoxy Active® 131 mg/g, Amoxy Active® 697 mg/g)
  • Trimethoprim en Sulfamethoxazol (T.S.-Sol®, T.S.-Sol® 20/100)

Problemen door een lage concentratie kunnen echter ook ontstaan bij producten die oplossen in een zuur milieu. De belangrijkste groep in deze categorie zijn de tetracyclines, met bijvoorbeeld doxycycline (Doxylin®) en oxytetracycline.

Wat doet Dopharma om deze problemen te voorkomen?

Indien mogelijk past Dopharma de pH van het product aan, bijvoorbeeld door het gebruik van pH-corrigerende hulpstoffen. Verdunnen van het product tot een te lage concentratie zorgt er echter voor dat de pH van de vooroplossing onder de kritische pH-grens komt. Dit komt omdat de concentratie van hulpstoffen dan te laag wordt. Oplosbaarheidsproblemen kunnen dan alsnog optreden.

Daarnaast biedt Dopharma waterconditioneringsmiddelen die de pH van de oplossing corrigeren. Als deze producten correct worden toegepast, verbetert de oplosbaarheid. Voor de producten die in een basisch milieu oplossen bieden we Metasol® of Dozuril®-verdunner aan. Dozuril®-verdunner bevat natriumhydroxide om de pH te verhogen en EDTA om kationen (calcium, magnesium) te binden. Daardoor kunnen deze geen complex vormen met het diergeneesmiddel. Metasol® bevat natriumcarbonaat, wat ook een pH verhogende stof is. Daarnaast bevat het ook bestanddelen die het water ontharden.

Voor tetracyclines en andere diergeneesmiddelen die oplossen in een zuur milieu kunt u WpH corrector (citroenzuur) gebruiken. Dit verlaagt de pH en vangt de kationen weg. De benodigde concentraties van waterconditioneringsmiddelen zijn afhankelijk van het diergeneesmiddel en de eigenschappen van het water.

Wat kunt u als dierenarts of veehouder doen om deze problemen te voorkomen?

U kunt natuurlijk gebruikmaken van de waterconditioneringsmiddelen, maar er zijn ook andere maatregelen die u kunt nemen. De kwaliteit van het drinkwater speelt namelijk een belangrijke rol bij het optreden van oplosbaarheidsproblemen. Bronwater kan een afwijkende samenstelling, hardheid of pH hebben. Dit vergroot de kans op het uitzakken van deeltjes. Ook kan verontreiniging door vervuilde leidingen of emmers of het gebruik van onafgedekte oplossingen leiden tot het neerslaan van diergeneesmiddelen. U kunt de volgende maatregelen nemen:

  1. Gebruik uitsluitend leidingwater wanneer de dieren gemedicineerd worden.
  2. Gebruik uitsluitend schone materialen om diergeneesmiddelen op te lossen.
  3. Zorg ervoor dat de drinkwaterleidingen altijd schoon zijn voordat de behandeling begint.
  4. Stel indien mogelijk het doseerapparaat zo in dat de concentratie diergeneesmiddel in de vooroplossing niet te laag hoeft te worden. Door het lager instellen van het doseerapparaat heeft u namelijk minder water nodig om de vooroplossing te maken.
  5. Pas pulsdosering toe wanneer de situatie dit toelaat. Dit betekent dat u het diergeneesmiddel niet continu toedient, maar gedurende een deel van de dag. Deze maatregel is echter alleen geschikt voor diergeneesmiddelen waarvan het niet noodzakelijk is dat gedurende lange perioden een effectieve plasmaspiegel wordt bereikt. Voor antibiotica zijn dit middelen met een concentratieafhankelijke werking zoals fluoroquinolen (enrofloxacine, flumequine).

Als richtlijn bij het voorkomen van oplosbaarheidsproblemen kunt u voor de vooroplossing de minimale concentraties aanhouden zoals weergegeven in de tabel.

Product Minimale concentratie in de vooroplossing
Enterflume® 100 gram / 10 L water
Amoxy Active® 131 mg/g 500 gram / 10 L water
T.S.-Sol® 2 L / 10 L water*

*bij T.S.Sol® is het echter ook belangrijk om geen concentraties te gebruiken die veel hoger zijn dan 2 liter per 10L vooroplossing (1000 liter water), omdat hoge concentraties een nadelige invloed kunnen hebben op de smaak en daarmee op de drinkwateropname.

Het is belangrijk dat u zich bij alle maatregelen realiseert dat een toediening die niet overeenkomt met de SPC, geldt als off-label gebruik.

Contact

U kunt ons bereiken via onze contactgegevens. Voor specifieke technische vragen kunt u ook via de mail contact opnemen met het Technical Support Team via TS@Dopharma.com.

Worminfecties en de behandeling hiervan bij pluimvee

Wormen spelen een belangrijke rol bij commercieel gehouden pluimvee. In dit artikel worden de verschillende wormen en hun eigenschappen besproken en wordt het gebruik van flubendazole toegelicht.

Worminfecties bij pluimvee

Worminfecties zijn belangrijk en ongewenst, omdat ze klinische verschijnselen en een negatief effect op de productie kunnen veroorzaken. Daarnaast kunnen ze ook een rol kunnen spelen bij de overdracht van bijv. Histomonas spp. de kans op andere infecties, zoals met E.coli of Pasteurella spp. Tot slot kan een Ascaridia galli infectie interfereren met de ontwikkeling van immuniteit na een NCD vaccinatie.

Problemen door wormen worden vooral waargenomen bij leghennen en ouderdieren. Vleeskuikens worden vaak al vóór het einde van de prepatentperiode geslacht (de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer).

Sinds het verbod op kooihuisvesting worden steeds meer dieren gehouden in scharrelsystemen. Bij deze manier van huisvesting komen de dieren in veel grotere mate in contact met mest, en worden ze dus ook meer blootgesteld aan wormeieren. Hierdoor neemt de infectiedruk toe.

Daarnaast hebben steeds meer kippen de beschikking over een uitloop. Met regelmaat wordt beschreven dat deze dieren ernstigere worminfecties hebben dan dieren die binnen worden gehuisvest. Dit kan verklaard worden door het onvermogen om wormeieren goed uit de uitloop te verwijderen en door de blootstelling aan tussengastheren in de uitloop. Dat de prevalentie van worminfecties hoog is in de biologische veehouderij blijkt uit een Europese studie waarin 55 biologische leghennenbedrijven zijn onderzocht. De prevalentie van A.galli, Heterakis spp. en Raillietina spp. waren respectievelijk 69,5%, 29,0% en 13,6% voor Europa. In deze studie zijn twee Nederlandse bedrijven onderzocht waar de prevalenties respectievelijk 96,7%, 100% en 33,3% waren. In dezelfde studie werd echter ook geconcludeerd dat er een negatieve correlatie was tussen de tijd dat de dieren in de uitloop doorbrachten en de besmettingsdruk met A.galli. Dit zou volgens de auteurs mogelijk verklaard worden omdat de blootstelling aan bijvoorbeeld zonlicht een negatieve invloed kan hebben op de overleving van wormeieren.

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-pluimvee-wormen-in-maagdarmkanaal

Nematoden

Nematoden zijn rondwormen. De volwassen wormen hechten zich meestal niet aan de mucosa, maar irriteren deze alleen. Haarwormen zijn hierop een uitzondering, omdat deze zich wel vasthechten. Larven hechten vaak wel aan de darmwand of penetreren deze zelfs tijdens hun ontwikkeling.

Nematoden hebben een directe ontwikkelingscyclus. De eieren die uitgescheiden worden zijn niet infectieus. De tijd tussen de uitscheiding en het infectieus worden van de eieren (rijping) wordt weergegeven in onderstaande tabellen. De exacte periode is afhankelijk van de omstandigheden; een vochtige en warme omgeving zorgt voor een snelle ontwikkeling.

Grote spoelwormen

Naam Ascaridia galli
Omvang wormeieren (µm) L: 73 – 92
B: 45 – 57
Lengte worm (mm) 50 – 76 (m)
60 – 116 (v)
PPP1 (dagen) 28 – 35
Rijping2 (dagen) 10 – 20
Predilictieplaats Dunne darm
Verschijnselen Gewichtsverlies, productiedaling, daling eischaalkwaliteit, diarree en anemie.
Pathologie Enteritis
Potentiële overdracht van Salmonella spp.
Reovirus

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

De grote spoelworm komt vooral voor in de dunne darm, maar kan ook gevonden worden in de oesophagus, krop, spiermaag, oviduct en het ei.
Spoelwormen produceren enorm veel eieren en de infectieuze eieren blijven maandenlang in het strooisel aanwezig. Hoewel er geen tussengastheer nodig is voor de ontwikkeling van spoelwormen, kunnen slakken, kevers en regenwormen deze parasieten wel overdragen. De larven van de grote spoelworm penetreren de darmwand voor hun ontwikkeling van L2 naar L3.

Bij kippen worden vooral volwassen wormen gevonden. Bij kalkoenen is de infectiedruk vaak hoger dan bij kippen en worden gedurende het gehele leven L3 stadia gevonden.

Kleine spoelwormen

Naam Heterakis gallinarum
Omvang wormeieren (µm) L: 63 – 75
B: 36 – 50
Lengte worm (mm) 7 – 13 (m)
10 – 15 (v)
PPP1 (dagen) 21 – 30
Rijping2 (dagen) 14
Predilictieplaats Caecum
Verschijnselen Er treden zelden klinische verschijnselen op.
Pathologie Verdikking darmwand (vooral caeca), knobbeltjes in mucosa en submucosa, granulomen in de lever
Potentiële overdracht van Histomonas spp. (Blackhead)

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

De larven van de kleine spoelworm penetreren de darmwand niet, maar ze zullen zich gedurende de eerste 12 dagen van een infectie wel aan de mucosa hechten.
De kleine spoelworm kan een tussengastheer zijn voor Histomonas spp. Wormeieren die besmet worden met Histomonas spp kunnen gedurende een jaar besmet blijven. Bij kalkoenen is dit het belangrijkste gevolg van een infectie met de kleine spoelworm; klinische verschijnselen ten gevolge van de worminfectie zelf worden bij deze diersoort nauwelijks gezien.

Haarwormen

Naam Capillaria obsignata Capillaira caudinflata
Omvang wormeieren (µm) L: 44 – 46
B: 22 – 29
L: 47 – 58
B: 20 – 24
Lengte worm (mm) 7 – 13 (m)
10 – 18 (v)
9 – 18 (m)
12 – 25 (v)
PPP1 (dagen) 21 – 28
Rijping2 (dagen) 9 – 14 (direct)
14 – 21 (indirect)
Predilictieplaats Dunne darm & caeca
Verschijnselen Bloederige diarree, anemie, gewichtsverlies, legdaling en daling van het uitkomstpercentage.
Pathologie Ontsteking en verdikking krop en oesophagus en enteritis.

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

Haarwormen kunnen ernstige darmschade veroorzaken, omdat ze zich vasthechten aan het darmslijmvlies. Deze wormen kunnen in de hele darm voorkomen, maar beschadigingen worden vooral gezien in de dunne darm en caeca.

Na de uitscheiding van de wormeieren moeten ze rijpen om infectieus te worden. Dit gaat vrij snel waardoor de infectiedruk snel kan toenemen. Dit is de reden dat bij een infectie met deze wormen geadviseerd wordt om ook bij een lage EPG te behandelen of de dieren in ieder geval goed in de gaten te houden. De wormeitjes van haarwormen blijven minder lang infectieus dan de eieren van spoelwormen.

Gaapwormen

Naam Synagmus trachea
Omvang wormeieren (µm) L: 90
B: 49
Lengte worm (mm) 2 – 6 (m)
5 – 20 (v)
PPP1 (dagen) 16 – 20
Rijping2 (dagen) 8 – 14
Predilictieplaats Trachea
Verschijnselen Benauwdheid
Pathologie Ontsteking trachea met verdikking waar de mannelijke wormen aanhechten aan de mucosa.
Transportgastheren Slakken, regenwormen, kevers.

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

Gaapwormen zijn in tegenstelling tot de voorgaande wormen geen maagdarmwormen. Ze veroorzaken infecties van de trachea. Verschijnselen zoals benauwdheid worden vooral gezien bij jonge dieren, omdat de trachea hier relatief snel verstopt raakt door de wormen.

De cyclus verloopt wel via het maagdarmkanaal. De wormeieren worden opgehoest, doorgeslikt en uitgescheiden via de ontlasting. Een dier kan geïnfecteerd raken met deze worm door opname van het ei, de larve (L3) of een transportgastheer. De larven verplaatsen zich vervolgens via de bloedsomloop naar de luchtwegen.

De wormeitjes kunnen in de omgeving lang infectieus blijven. Er zijn zelfs rapporten bekend van larvale stadia die in de regenworm gedurende 4 jaar infectieus bleven. De wormen zijn te herkennen door de Y-vorm, die ontstaat omdat de mannelijke en vrouwelijke worm permanent in copulatie leven.

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-pluimvee-synagmus-trachea

Cestoden

Lintwormen (cestoden) vallen onder de platwormen. De eitjes worden niet individueel uitgescheiden, maar als proglottiden. Dit zijn segmenten van de worm die gevuld met eitjes afgestoten worden. Deze zijn lastig te onderscheiden in de faeces, vooral als ze ingedroogd zijn.

De ontwikkeling van lintwormen is afhankelijk van tussengastheren zoals kevers, vliegen en mieren en we spreken hier dus van een indirecte cyclus. De tussengastheren nemen de proglottiden op. Vervolgens komt de larve in het maagdarmkanaal van de tussengastheer uit het ei. Deze larve ontwikkelt zich tot cystercoid en blijft in de lichaamsholte van de tussengastheer totdat deze opgenomen wordt door de eindgastheer.

Lintwormen

Naam Raillietina spp. (grote lintworm)
Omvang wormeieren (µm) L: 94
B: 74
Lengte worm (mm) 15 – 38
PPP1 (dagen) 14 – 21
Predilictieplaats Dunne darm
Verschijnselen Zwakte, vermagering en legdaling.
Pathologie Enteritis met hyperplasie
Transportgastheren Kevers (o.a. tempexkever)
Vliegen
Mieren
Potentiële overdracht van Adenovirus
Reovirus

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

Deze wormen hechten zich met de kop vast aan de darmmucosa. Hierdoor kunnen ze schade aan de darm veroorzaken en zijn ze dus vrij pathogeen.
Omdat lintwormen een indirecte cyclus hebben is het in dit geval belangrijk niet alleen de worminfectie zelf te behandelen, maar ook maatregelen te nemen waarmee de tussengastheren, zoals de tempexkever, bestreden worden.

Anthelminthica

Benzimidazolen

De enige geregistreerde diergeneesmiddelen voor de behandeling van worminfecties bij kippen behoren tot de groep van de benzimidazolen. Benzimidazolen bestaan uit een imidazole ring gebonden aan een benzeen ring. Het werkingsmechanisme is gebaseerd op hun binding aan β-tubulines. Hierdoor wordt voorkomen dat microtubuli gevormd worden, welke belangrijk zijn voor het transport van nutriënten zoals glucose. Dit leidt tot een tekort aan ATP in de wormen en heeft als zodanig een biocide effect.

Benzimidazolen lossen slecht op in water. Dit zorgt voor een beperkte biologische beschikbaarheid. Na absorptie is het verdelingsvolume wel groot en wordt onder andere ook het centrale zenuwstelsel bereikt. Dit wordt verklaard door de goede vetoplosbaarheid. De plasma-eiwitbinding is ongeveer 50%. Benzimidazolen worden na conjugatie via de gal uitgescheiden.

Deze anthelmintica hebben een ruime veiligheidsindex en de kans op bijwerkingen is dus zelfs bij overdoseringen gering. Het is echter wel bekend dat het gebruik van fenbendazol bij duiven tijdens de rui veerbeschadigingen kan geven.

Flubendazol is niet alleen werkzaam tegen larven en volwassen nematoden en lintwormen, maar ook tegen nematodeneieren. In een recente studie is aangetoond dat flubendazole bij pluimvee werkzaam is tegen alle inwendige stadia van Ascaris galli (eieren, larven en volwassen wormen).

In deze studie van Tarbiat et al werd echter ook aangetoond dat de grote spoelworm na het ontwormen alweer snel terug gevonden kan worden in de mest; de larven kunnen na één week al weer gevonden worden, terwijl de volwassen stadia al na vier weken weer aanwezig kunnen zijn. Dit is een indicatie dat de prepatentperiode dus mogelijk aangepast moet worden naar vier weken, en roept de vraag op of het ook niet verstandig zou zijn het interval van ontwormen hierop aan te passen.

Wormen kunnen resistent worden tegen benzimidazolen. De resistentiefactor ligt waarschijnlijk op één gen en zorgt voor een modificatie van de β-tubulines. In de studie van Tarbiat et al (2016) werd echter geconcludeerd dat er nog geen tekenen van resistentie waren.

Strategisch ontwormen

De meeste pluimveehouders kiezen voor strategische ontworming. Hierbij worden de kippen met vaste intervallen ontwormd. Het standaard interval van ontwormen is zes weken. Uitzondering hierop is tijdens de opfok of bij een hoge infectiedruk. Hier wordt vaak iedere vijf weken ontwormd. Ontworming van kippen aan het eind van de opfokperiode zorgt ervoor dat ze ‘schoon’ naar het legbedrijf gaan.

Bovenstaand schema is gebaseerd op de prepatentperiode van de grote spoelworm. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat de cyclus van de grote spoelworm in leghennen ook in vier á vijf weken doorlopen kan worden. Zelfs na een effectieve ontworming worden er na ongeveer zeven dagen al larvale stadia aangetoond. Volwassen stadia en wormeieren kunnen al vanaf 28 dagen na ontworming worden gevonden. Het standaard ontwormschema van zes weken zou op basis hiervan mogelijk aangepast moeten worden.

Wanneer de wormbesmetting in een koppel veroorzaakt wordt door andere wormsoorten moet het ontwormschema hierop aangepast worden. Een effectieve ontworming betekent ontwormen binnen de prepatentperiode. Op deze manier wordt voorkomen dat er grote hoeveelheden wormeieren worden uitgescheden en dat de infectiedruk weer oploopt.
De geadviseerde intervallen zijn als volgt:

  • Grote spoelwormen: 4-5 weken
  • Kleine spoelwormen: 4 weken
  • Haarwormen, gaapwormen of lintwormen: 3 weken

Daarnaast kan men de mate van infectiedruk ook meenemen bij het opstellen van een ontwormschema. Klinische verschijnselen en productiedaling treden vaak alleen op bij massale infecties. Bij een lage infectiedruk is soms een tweede cyclus nodig voordat deze mate van infectie wordt bereikt. Behandeling is bij een lichte infectiedruk dan ook niet altijd nodig.

Ontwormen op basis van mestmonsters of sectie

Zoals hierboven al duidelijk is geworden, is het ideale ontwormschema afhankelijk van meerdere factoren. Mestonderzoek waarbij gekeken wordt naar het aantal wormeieren kan gebruikt worden om te bepalen wat het optimale ontwormschema op een specifiek bedrijf is. Hiervoor wordt het aantal eieren per gram faeces geteld (EPG – eggs per gram). Het is mogelijk om wormeieren te differentiëren na flotatie. De meeste wormeieren zijn goed van elkaar te onderscheiden. Alleen het onderscheid tussen de grote en kleine spoelwormeieren is moeilijk te maken; beide wordt vaak ingedeeld als Ascaris eieren. Standaard wordt het mestonderzoek iedere 6 weken uitgevoerd. Problemen in de koppel of een ziektegeschiedenis met wormproblemen kunnen echter aanleiding zijn vaker onderzoek uit te voeren.

Het is echter wel belangrijk om te realiseren dat het bepalen van een EPG niets zegt over de aanwezigheid van onvolwassen wormen, zoals die gevonden worden tijdens de prepatentperiode. Tijdens deze periode kunnen enorme hoeveelheden wormen in ontwikkeling zijn, maar is een EPG negatief.

Het behandeladvies is afhankelijk van de wormsoort die de infectie veroorzaakt en de gevonden EPG. Een overzicht wordt gegeven in de tabel hieronder.

Wormen EPG Behandeladvies
Spoelwormen 0 > EPG < 50 Afwachten tot volgend mestonderzoek
50 < EPG < 300 Direct behandelen
Mestonderzoek na de behandeling
EPG > 300 Direct behandelen
Behandeling herhalen na 4 weken
Haarwormen 0 > EPG < 50 Afwachten tot volgend mestonderzoek
EPG > 50 Direct behandelen
Behandeling herhalen na 3 weken
Lintwormen EPG > 0 Direct behandelen
Behandeling herhalen na 2 weken

Bij een lage EPG wordt vaak geadviseerd te wachten met behandelen tot na een volgend mestonderzoek. Het is echter wel belangrijk gedurende deze periode extra alert te zijn op mogelijke verschijnselen van worminfecties.

Naast mestonderzoek kan natuurlijk ook sectie een rol spelen bij het vaststellen van worminfecties. Het is echter wel belangrijk dat als er secties worden gedaan om de wormbelasting te bepalen, dit niet bij de zwakke dieren uit het koppel wordt gedaan. Deze dieren vertonen vaak ernstigere besmettingen en laesies dan de betere dieren waardoor een vertekend beeld kan ontstaan.

Referenties

  1. Afdeling-Duurzame-Landbouw-Ontwikkeling. (2011). Impact van worminfecties op de algemene gezondheidsstatus van leghennen in niet-kooisystemen: resultaten van ADLO demonstratieproject. Diergezondheidszorg Vlaanderen vzq.
  2. Berx, C., Helsen, L., Röttger, R., Wellens, M., Helsen, K., Verhaert, I.,Toelen, D. (2011). Wormbesmettingen bij leghennen in niet-kooihuisvesting – Resultaten van een demonstratieproject in de leghennenhouderij.
  3. Degudab, (2015). Advies Ontworming Moederdieren.
  4. Fidin, QP52A Anthelmintica tegen trematoden, nematoden en cestoden.
  5. Fidin, QP52C Anthelmintica tegen nematoden (rondwormen, spoelwormen).
  6. McDougald, L.R. (2008). Cestodes and nematodes. In Y.M. Saif (Ed.), Diseases of Poultry (Vol. 12th edition, pp. 1057-1066). Iowa, United States: Blackwell publishing.
  7. Reuvekamp, N., Mul, M., & Fiks-van Niekerk, T. (2008). Literatuurstudie naar wormen bij legpluimvee.
  8. Tarbiat, B., Jansson, D.S., Moreno, L., Lanusse, C., Nyland, M., Tydén, E., Höglund, J. (2016) The efficacy of flubendazole against different developmental stages of the poultry roundworm Ascaridia galli in laying hens. Veterinary Parasitology 218: 66-72.
  9. Thapa, S., Hinrichsen, L. K., Brenninkmeyer, C., Gunnarsson, S., Heerkens, J. L., Verwer, C., . . . Mejer, H. (2015). Prevalence and magnitude of helminth infections in organic laying hens (Gallus gallus domesticus) across Europe. Vet Parasitol, 214(1-2), 118-124. doi:10.1016/j.vetpar.2015.10.009.
  10. Tomza-Marciniak, A., Pilarczyk, B., Tobianska, B., & Tarasewicz, N. (2014). Gastrointestinal parasites of free-range chickens. Ann Parasitol, 60(4), 305-308.
  11. Van Meirhaeghe, H. (2010). Wormen bij leghennen in alternatieve huisvesting. Diergezondheidszorg Vlaanderen vzw.
  12. Wagenaar, J.P., & Bestman, M. (2005). Parasitaire wormen bij biologische leghennen – Onderzoek naar het voorkomen van maagdarmwormen op 13 biologische leghenbedrijven.
  13. Yazwinski, T.A., & Tucker, C.A. (2008). Nematodes and Acanthocephalans. In Y.M. Saif (Ed.), Diseases of Poultry (Vol. 12th edition, pp. 1025-1056). Iowa, United States: Blackwell publishing.

Lezing Prof. R. Ducatelle – Dysbiosis en antibioticavrije pluimveeproductie: een onmogelijke combinatie?

Tijdens het door Dopharma georganiseerde pluimveesymposium op 20 januari 2017 gaf Richard Ducatelle een zeer interessante lezing over dysbacteriose bij pluimvee. Richard Ducatelle is professor aan de universiteit van Gent en doet samen met zijn team onderzoek naar dit onderwerp. Het doel is niet alleen om meer inzicht te krijgen in de microflora van kippen en de functies van verschillende bacteriegroepen, maar ook in de maatregelen die genomen kunnen worden om bij te sturen.

Dysbacteriose

Bij kippen met pathologische afwijkingen in het maagdarmkanaal is er niet altijd sprake van een pathogene verwekker die verantwoordelijk is voor de problematiek. In die gevallen is er doorgaans sprake van dysbacteriose. De definitie van dysbacteriose is een microbiële disbalans. Dysbacteriose staat ook bekend als dysbiose, bacteriële enteritis en ‘feed passage syndrome’.

Hoewel de disbalans meestal van toepassing is op de bacteriële populatie in het maagdarmkanaal, kan dit ook van toepassing zijn op de bacteriën in de luchtwegen en op de huid.

Dysbacteriose in het maagdarmkanaal is een belangrijk probleem in de pluimveehouderij, omdat de darmflora onderdeel is van de eerste bescherming tegen pathogenen, en omdat het een rol speelt bij de vertering van het voer. Als de balans tussen bacteriën in het maagdarmkanaal verstoord wordt, kan dit bovendien leiden tot overgroei van één of meer verstorende bacteriekoloniën. Op dit moment zijn er, behalve de inzet van antibiotica, geen methoden om dysbacteriose te behandelen.

Pathologie

Tijdens sectie zijn er een aantal dingen die kunnen opvallen: dunne en fragiele darmwanden, waterige of schuimige inhoud en onverteerde voedseldelen in de darm, ballooning en een gebrek aan darmtonus. In ernstige gevallen kan ook roodheid van de serosa voorkomen. In tegenstelling tot bij necrotische enteritis, wordt er geen necrotisch materiaal gevonden in het maagdarmkanaal.

Diagnostiek

Op dit moment is het slechts mogelijk om 5 – 10% van de voorkomende bacteriën te kweken op bestaande voedingsbodems. Over de meeste bacteriën weten we dus niet zoveel. Om meer over dit onbekende deel van de microflora te weten te komen, kan er gebruik worden gemaakt van metagenomica. Hiervoor wordt een mestmonster genomen, waaruit DNA geïsoleerd wordt. Met behulp van een PCR wordt bepaald van welke bacteriën dit DNA afkomstig is. Het resultaat is een lange lijst met bacteriesoorten. Figuur 1 geeft hiervan een voorbeeld.

Figuur 1 Resultaat van metagenomica

Het is echter zeer lastig om de informatie die op deze manier wordt verkregen te interpreteren en te bepalen wat het belang is voor de gezondheid van het dier. Van een aantal bacteriën weten we dat ze ziekte kunnen veroorzaken, maar van een groot aantal bacteriën weten we dit niet. De universiteit van Gent wil dit inzichtelijk maken door te bepalen wat de functies van de verschillende bacteriegroepen in het maagdarmkanaal van kippen zijn. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de invloed van bepaalde factoren, zoals voerwijzigingen, op de microflora.

De microflora

De darmflora is per individu verschillend. Dit geldt zowel voor kippen als voor mensen. Er is echter wel een gelijkenis als je kijkt naar de groepen bacteriën. Bij alle diersoorten, inclusief kippen, komen de vier grootste groepen overeen. De grootste groep bestaat uit Firmicutes. Daarna volgen de groepen met Bacteroidetes,Proteobacteria en Verrucomicrobia.

Over de functies van deze bacteriegroepen bij kippen is helaas tot op heden nog niet zo heel veel bekend.

  • De Firmicutes vormen een groep (phylum) die vooral boterzuur produceert. Ook de clostridia vallen in deze categorie.
  • Bacteroidetes zorgen voor de afbraak van celwanden, vooral van plantencellen. Ze breken dus voor de kip onverteerbare polysachariden af en helpen daardoor mee met de vertering.
  • Onder de Proteobacteria vallen enkele potentieel pathogene bacteriën zoals Escherichia coli.
  • Verrucomicrobia breken mucus af. In de darmen zitten veel meer slijmbekercellen dan nodig voor de productie van de mucuslaag. De mucus kan door deze bacteriën gebruikt worden als energiebron. De afbraakproducten die ze maken zijn belangrijke voedingsstoffen voor andere bacteriën die in het maagdarmkanaal voorkomen.

Functionele genen

Naast het bepalen welke bacteriën voorkomen in de microflora, is het ook mogelijk om met een PCR te beoordelen wat de frequentie van bepaalde genen is. Zo is er door de onderzoeksgroep van Richard Ducatelle bijvoorbeeld gekeken naar de genen die coderen voor enzymen verantwoordelijk voor de productie van butyraat. Butyraat heeft verschillende functies in het lichaam:

  • het zorgt voor een verhoging van de secretie van mucus en antimicrobiële peptiden;
  • het vermindert de ernst van een ontstekingsreactie;
  • het verhoogt de integriteit van het epitheel en tight junctions in de darm;
  • het stimuleert de celdeling, regeneratie van epitheelcellen en de enzymproductie.

Uit onderzoek is gebleken dat de capaciteit om butyraat te produceren bij kuikens die moeilijk verteerbaar eiwit krijgen lager is dan bij kuikens die goed verteerbaar eiwit krijgen. De capaciteit om waterstofsulfide (H2S) te produceren is echter hoger.

H2S heeft verschillende fysiologische functies zoals het behouden van een goede spiertonus in de darmen. Wanneer er een overmaat aan H2S voorkomt, zijn er echter ook negatieve effecten. H2S remt dan de mitochondriën, cytochroom C oxide, de boterzuurverbranding en de mucusproductie. Daarnaast kan het zorgen voor beschadiging van het DNA in de epitheelcellen. Remming van de werking van de mitochondriën zorgt vervolgens voor een tekort aan energie in de epitheelcellen. Dat zorgt voor celdood en een daaropvolgende ontstekingsreactie.

Aan de hand van de bepaling van deze functionele genen kan dus beoordeeld worden welke enzymen het meest actief zijn. In de toekomst wordt het dan misschien mogelijk om hierop te sturen, bijv. indien nodig, door meer butyraat te verstrekken via het voer of water.

Toekomst

Door de studies van Richard Ducatelle en zijn team krijgen we steeds meer inzicht in de microflora van kippen. Ook zijn de resultaten van metagenomica steeds sneller beschikbaar. Een aantal jaar geleden moest hier nog een jaar op worden gewacht, nu zijn de resultaten binnen twee weken beschikbaar.

In de toekomst moet er echter nog meer duidelijk worden over de rol van de verschillende bacteriën en de correlatie tussen het wel of niet voorkomen van bepaalde bacteriën of bacteriegroepen en het optreden van gezondheidsproblemen. Het moet dan veel sneller duidelijk worden wanneer het aan te bevelen is om bij te sturen.

Tot slot moet er nog heel veel onderzoek worden gedaan naar deze mogelijkheden om bij te sturen. Welke invloed hebben verschillende componenten op de microflora en hoe kunnen deze componenten ingezet worden om de diergezondheid te verbeteren?

Conclusie

Dysbacteriose is een belangrijk en moeilijk te controleren probleem in de pluimveehouderij. In de toekomst wordt het misschien mogelijk om meer inzicht te krijgen in de etiologie van dit probleem, en de mogelijkheden om bij te sturen. Hiermee zou een grote bijdrage geleverd kunnen worden aan ‘Best Practice’ op pluimveebedrijven.