Diarree bij kalveren, lammeren, biggen en veulens en de behandeling met het dieetvoedermiddel Diavit Plus

Een van de belangrijkste aandoeningen bij jonge dieren is diarree. Diarree kan zorgen voor productieverliezen en sterfte, maar kan ook de productie van dieren op lange termijn beïnvloeden. In dit artikel worden de verschillende oorzaken van diarree besproken, evenals de mogelijkheden voor een behandeling. In het laatste stuk wordt de literatuur besproken die bekend is over het gebruik van johannesbrood, het belangrijkste bestanddeel van Diavit Plus. Diavit Plus is een dieetvoedermiddel uit het assortiment van Dopharma.

Diarree

Diarree komt bij alle diersoorten voor. In de volgende alinea’s wordt het voorkomen van diarree bij kalveren, geiten, lammeren, biggen en veulens besproken.

Kalveren

Gedurende de eerste acht levensweken van het kalf treden relatief veel ziekten op; 30-50% van de kalveren wordt in deze periode ziek, waarbij diarree en respiratoire aandoeningen de meest belangrijke aandoeningen zijn. Veel veehouders onderschatten de economische gevolgen van deze aandoeningen. Niet alleen het gebruik van medicijnen kost geld, maar ook het verlies aan groei en de gevolgen voor de productie op langere termijn [2].
figuur-1-groei-gezonde-kalveren-vs-luchtaandoeningen-vs-diarree

Figuur 1 Groei van gezonde kalveren en kalveren met milde en ernstige luchtwegaandoeningen en diarree [2].

Zo wordt in een Duits onderzoek geschat dat de kosten voor de behandeling van diarree bij kalveren gemiddeld €75 zijn voor milde gevallen en €145 voor ernstige gevallen. In deze berekening zijn echter alleen diergeneesmiddelen, elektrolytendranken en dierenartsenkosten meegenomen. Deze kosten vormen slechts 55-70% van de totale kosten. De overige kosten worden veroorzaakt door extra opfokkosten, verliezen (gewicht) en extra arbeid. De groei van kalveren daalt tijdens een periode van diarree. Belangrijk is echter dat bij ernstige diarree niet alleen de groei afneemt, maar ook het absolute gewicht van de kalveren kan dalen. Bovendien daalt de groei al voordat klinische symptomen worden waargenomen. Dit wordt geïllustreerd in Figuur 1. Tot slot zorgt ook uitval voor hoge kosten, zeker als het gaat om vaarskalveren [2].

Naast de directe kosten, is ziekte in de eerste levensweken ook van invloed op de resultaten op latere leeftijd. De daling in groei zal niet volledig gecompenseerd worden waardoor deze dieren gemiddeld op latere leeftijd voor de eerste keer afkalven. Daarnaast blijkt ook de levensproductie lager te zijn, vooral bij koeien die als kalf meerdere aandoeningen hebben gehad tijdens de eerste acht weken van de opfokperiode [3].

Kalverdiarree kan zowel een infectieuze als een niet-infectieuze oorzaak hebben. De hoogste mortaliteit wordt gezien bij infectieuze diarree, welke veroorzaakt kan worden door onderstaande infectieuze agentia

  • Viraal
    • Rota- en coronavirus
    • Bovine virusdiarree (BVD)
    • Adenovirus
  • Bacterieel
    • Escherichia coli
    • Salmonella spp
    • Clostridium spp. (type C)
  • Parasitair
    • Coccidiose
    • Cryptosporidiose.

Enkele predisponerende factoren die het ontstaan van diarree in de hand kunnen werken zijn overbevolking, onvoldoende hygiëne, een lage biestopname en diarree door een niet-infectieuze oorzaak.

Niet-infectieuze diarree wordt veroorzaakt door voedingsfouten, eventueel in combinatie met stress. Stress kan de oorzaak zijn van een verminderde werking van het immuunsysteem en een daling van de melk- en voeropname. Voorbeelden van aan voeding gerelateerde factoren zijn

  • Overvoedering
  • Een te lage concentratie verteerbare eiwitten. Dit treedt vooral op bij plantaardige eiwitbronnen.
  • Overschakelen van moedermelk naar een melkvervanger.
  • Het niet correct aanmaken van de melkvervanger.
  • Het verstrekken van de melk met een te lage temperatuur. Hierdoor werkt de slokdarmsleufrelfex onvoldoende.
  • Te lange intervallen tussen voedingsbeurten.
  • Voedingen met een hoge energetische waarde [1].

Geiten- en schapenlammeren

Ook bij geiten- en schapenlammeren is diarree een veel voorkomende aandoening. Een vrij recente studie heeft aangetoond dat in Australië op 64,8% van de schapenbedrijven diarree was vastgesteld. Op deze bedrijven was gemiddeld 6,9% van de lammeren aangetast [5].

De oorzaken van diarree bij geiten- en schapenlammeren komen overeen met de infectieuze en niet-infectieuze oorzaken zoals deze zijn beschreven voor kalveren [4].

Biggen

Diarree is ook bij biggen een economisch belangrijke aandoening. Diergezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) heeft berekend wat de verwachte kosten van speendiarree bij biggen zijn voor de varkenssector in België; €3.199.440 ten gevolge van biggensterfte, €133.033 door vertraagde groei (excl. kosten arbeid) en extra kosten voor medicatie van €3.800.932. De schatting van de totale kosten is €7.133.405 [6]. Op een bedrijf met 200 zeugen (24 biggen/zeug/jaar) zal uitval van één procent van de biggen ten gevolge van speendiarree al een jaarlijkse kostenpost van €1000 veroorzaken [7].

Diarree kan bij biggen, evenals bij herkauwers zowel een infectieuze als niet-infectieuze oorzaak hebben.
De belangrijkste infectieuze verwekkers van diarree bij biggen zijn:

  • Viraal
    • Rotavirus
    • Coronavirus (PED)
  • Bacterieel
    • Escherichia coli
    • Clostridium perfringens
    • Brachyspira spp
    • Salmonella spp
  • Parasitair
    • Cryptosporidium parvum
    • Isospora suis

Veulens

Diarree bij veulens kan verschillende oorzaken hebben:

  • Hengstigheidsdiarree komt voor bij veulens van vier tot 14 dagen leeftijd en is meestal zeer mild van aard. De exacte etiologie is nog onbekend [8].
  • Bacteriële veulendiarree kan veroorzaakt worden door verschillende kiemen, waaronder onderstaande:
    • Salmonella spp
    • Escherichia coli
    • Actinobacillus spp
    • Clostridium perfringens
    • Lawsonia intracellularis [9].
  • De belangrijkste virale verwekker van diarree bij veulens is het rotavirus, maar ook coronavirussen kunnen een rol spelen [10].
  • Ook bij paarden kan nutritionele diarree voorkomen met als oorzaken overvoeding, slechte voeding (bijv. melkvervanger voor kalveren) of de opname van niet verteerbare bestanddelen zoals ruwvoer of zand ( [11].

Aanvullend diervoeder

Naast het behandelen van de oorzaak van diarree wordt bij dieren met diarree de melk doorgaans (gedeeltelijk) vervangen door water met een elektrolytendrank of ander diervoeder. Er zijn diverse soorten elektrolytendranken beschikbaar. De complexere producten zoals Diavit Plus bevatten niet alleen elektrolyten, maar ook een energiebron en stoffen die bijdragen aan het herstel van de darmmucosa.

Voor kalveren is aangetoond dat het gebruik van een product zoals Diavit Plus zorgt voor een sneller herstel van de consistentie van de faeces, een lagere incidentie van bloed in de faeces en een kortere duur van de diarree. In onderstaande figuur wordt Diavit Plus (komplexe Diättränke) vergeleken met een elektrolytendrank, melk met een antibioticum en een eenvoudig dieetvoedermiddel . In de figuur wordt het percentage dieren weergegeven waarvan de faeces een normale consistentie heeft [12].

overzicht-invloed-dieetdranken-duur-van-diarree

Diavit Plus

Diavit Plus kan preventief gebruikt worden, maar ook bij dieren die al diarree hebben. Dit product bevat naast enkele elektrolyten onder andere dextrose voor energie, vitaminen en johannesbrood. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de informatie die bekend is over johannesbrood.

De elektrolyten aanwezig in Diavit Plus hebben een stabiliserende functie, maar zijn niet instaat om een ernstige disbalans in water- en elektrolytenhuishouding op te heffen. Daarom wordt het aanbevolen om bij gedehydrateerde dieren met zeer ernstige diarree naast Diavit Plus een elektrolytenmix te geven ter compensatie van de grote verliezen.

Johannesbrood

Johannesbrood wordt gemaakt van peulen die geoogst worden van de johannesbroodboom (Ceratonia siliqua). Deze peulen bevatten een relatief hoog gehalte aan tannines. Tannines zijn polyfenolen en behoren tot de antioxidanten. Ze vormen verbindingen met eiwitten, waardoor er een beschermend laagje wordt gevormd op het darmslijmvlies. Toxinen die in het maagdarmkanaal aanwezig zijn worden hierdoor verminderd geabsorbeerd. Daarnaast kunnen tannines zorgen voor remming van de groei van bacteriën, schimmels en gisten [13]. In een andere studie wordt beschreven dat tannines een antibacterieel, antiviraal en antiprotozoair effect hebben [15].

Johannesbrood bezit naast hoge gehaltes tannines ook hoge gehaltes suikers. Deze suikers zorgen ervoor dat johannesbrood een hoogenergetische voedselbron is [14] die bovendien een positieve invloed op de voedselopname heeft [13].

diarree-bij-kalveren-lammeren-biggen-en-veulens-en-de-behandeling-met-diavit-plus

Diergezondheid

Antibacterieel

Er zijn verschillende studies waarin het antibacteriële effect van tannines wordt beschreven. Costabile et al toonden een in vitro antibacterieel effect van tannines aan op Salmonella typhimurium [16]. Ook tegen Salmonella cholerasuis is een in vitro antibacterieel effect aangetoond. Dit antibacteriële effect wordt veroorzaakt door agglutinatie van de bacteriën, remming van de bacteriële groei en preventie van het aanhechten van de bacterie aan de varkensenterocyt [17]. Tegen Helicobacter pylori is in vitro ook een antibacterieel effect van tannines aangetoond. In dit onderzoek werd dit effect veroorzaakt door aggregatie van de bacteriën en beschadiging van de bacteriële celmembranen [18].

Badia et al hebben aangetoond dat biggen die johannesbrood krijgen en die gechallenged worden met E.coli geen significant hogere C-reactief proteïne (een acute fase eiwit) concentratie in het bloed hebben dan biggen die behandeld werden met colistine of biggen die niet gechallenged zijn. Geconcludeerd werd dat johannesbrood de ontstekingsreactie ten gevolge van E.coli kan reduceren [19].

In een studie van Lizardo et al is aangetoond dat het toevoegen van johannesbroodmeel aan het biggenvoer (3% – 6%) leidt tot een daling van de incidentie van speendiarree met respectievelijk 20% en 33%. De voeropname, groei en voederconversie waren in deze studie niet significant verschillend tussen de controlegroep en dieren die johannesbroodmeel kregen [20].

Antiparasitair

De effecten van peulvruchten met een hoge concentratie tannines op wormen zijn vooral onderzocht in schapen en geiten. De volgende effecten zijn waargenomen:

  • een daling van het aantal infectieuze derde stadium nematodenlarven, waardoor de kans op herinfectie van de gastheer verminderd wordt [21];
  • een verminderde excretie van nematodeneieren in de ontlasting, waardoor de besmetting van de omgeving afneemt [21-23];
  • een verminderde ontwikkeling van eieren tot infectieuze larven in faeces en/of op het land, waardoor de infectiedruk afneemt. Dit is echter minder vaak en minder consistent waargenomen dan de vorige twee effecten [24].

Het is niet bekend of tannines een direct effect uitoefenen op de wormen of dat ze zorgen voor een betere eiwitbenutting en de gastheer hierdoor in staat stellen de parasieten zelf te elimineren. Het effect op de wormeieren kan afhankelijk zijn van twee werkingsmechanismen: een daling van het aantal wormen of een verminderde vruchtbaarheid van de vrouwelijke wormen [24].

Specifiek voor Ascaris suum is aangetoond dat tannines een antiparasitair effect uitoefenen. In vitro studies hebben aangetoond dat de motiliteit van deze parasiet significant afneemt als ze worden blootgesteld aan tannines. Zowel de L3 als L4 stadia van deze parasiet zijn gevoelig [25].

Humane gezondheid

Johannesbrood wordt ook humaan gebruikt bij neonaten. Zo is aangetoond dat het gebruik van johannesbrood bij kinderen (3-21 maanden leeftijd) met diarree t.g.v. het rotavirus of een bacteriële infectie zorgt voor een sneller herstel. Kinderen die johannesbrood kregen herstelden eerder van de diarree, hadden sneller een normale lichaamstemperatuur, groeiden beter en stopten eerder met braken [26]. Ook wordt johannesbrood met goed resultaat toegepast om de frequentie van regurgitatie bij neonaten en jonge kinderen te verminderen [27, 28].

Referenties

  1. Molero, C., Understanding and preventing neonatal diarrhoea in calves, in International Diary Topics. 2014. p. 9-11.
  2. Lührmann, B., Was Kostet eine Kälberkrankheit? Viele Landwirte unterschätzen die Gesamtkosten einer Erkrankung bei Kälbern in Landpost 2009. p. 10-11.
  3. Trilk, T. and K. Münch, Kranke Kälber gehen als Kühe früher ab, in Herden-Management. 2011. p. 18-20.
  4. Gruenberg, W. Merck Veterinary Manual;  Diarrhea in Neonatal Ruminants. 2014.
  5. Sweeney, T., et al., Effect of purified beta-glucans derived from Laminaria digitata, Laminaria hyperborea and Saccharomyces cerevisiae on piglet performance, selected bacterial populations, volatile fatty acids and pro-inflammatory cytokines in the gastrointestinal tract of pigs. Br J Nutr, 2012. 108(7): p. 1226-34.
  6. Vlaanderen), D.D., Onderzoek naar pathogenen betrokken bij speendiarree bij biggen in Vlaanderen. 2012: Torhout.
  7. Vettenburg, N. and A. Tylleman, Aandoeningen bij varkens. 2011, Afdeling duurzame landbouwontwikkeling Vlaamse overheid.
  8. Allison, J.S. Merck Veterinary Manual; Foal Heat Diarrhea. 2013.
  9. Allison, J.S. Merck Veterinary Manual; Bacterial Diarrhea in Foals. 2013.
  10. Allison, J.S. Merck Veterinary Manual;  Viral Diarrhea in Foals. 2013.
  11. Allison, J.S., Merck Veterinary Manual; Miscellaneous Causes of Diarrhea in Foals. 2013.
  12. Kunz, H., Erfolgreich füttern: Kälberdurchfall. Wissenwertes zur Elektroluttränke, in Bauernblatt. 2011. p. 49-50.
  13. Kotrotsios, N., et al., Carobs in productive animal nutrition. Journal of hellenic veterinary medical society, 2011. 62(1): p. 48-57.
  14. Kotrotsios, N., et al., Dietary Carob Pods on Growth Performance and Meat Quality of Fattening Pigs. Asian Australas. J. Anim. Sci, 2012. 25(6): p. 880-885.
  15. Redondo, L.M., et al., Perspectives in the use of tannins as alternative to antimicrobial growth promoter factors in poultry. Front Microbiol, 2014. 5: p. 118.
  16. Costabile, A., et al., Inhibition of Salmonella Typhimurium by Tannins in vitro. J Food Agric Environ, 2013. 9: p. 119-124.
  17. Groot, M., G. Kleijer-Ligtenberg, and T. Van Asseldonk, Stalboekje varkens; Natuurlijk gezond met kruiden en andere natuurproducten. 2014, Rikilt, UR: Wageningen.
  18. Funatogawa, K., et al., Antibacterial activity of hydrolyzable tannins derived from medicinal plants against Helicobacter pylori. Microbiol Immunol, 2004. 48(4): p. 251-61.
  19. Badia, R., et al., The influence of dietary locust bean gum and live yeast on some digestive immunological parameters of piglets experimentally challenged with Escherichia coli. J Anim Sci, 2012. 90 Suppl 4: p. 260-2.
  20. Lizardo, R., et al., Utilisation of carob powder in piglet diets and its influence on growth performance and health after weaning. Journees de la Recherche Porcine, 2002. 34: p. 97-101.
  21. Paolini, V., et al., Effects of condensed tannins on established populations and on incoming larvae of Trichostrongylus colubriformis and Teladorsagia circumcincta in goats. Vet Res, 2003.34(3): p. 331-9.
  22. Paolini, V., et al., Effects of condensed tannins on goats experimentally infected with Haemonchus contortus. Vet Parasitol, 2003. 113(3-4): p. 253-61.
  23. Min, B.R., et al., The effect of short-term consumption of a forage containing condensed tannins on gastro-intestinal nematode parasite infections in grazing wether goats. Small Ruminant Research, 2004. 51: p. 279-283.
  24. Hoste, H., et al., The anthelmintic properties of tannin- rich legume forages : from knowledge to exploitation in farm conditions, in Challenging strategies to promote the sheep and goat sector in the current global context, M.J. Ranilla, et al., Editors. 2011. p. 295-304.
  25. Williams, A.R., et al., Direct anthelmintic effects of condensed tannins from diverse plant sources against Ascaris suum. PLoS One, 2014. 9(5): p. e97053.
  26. Loeb, H., et al., Tannin-rich carob pod for the treatment of acute-onset diarrhea. J Pediatr Gastroenterol Nutr, 1989. 8(4): p. 480-5.
  27. Wenzel, T.G., et al., Effects of thickened feeding on gastro-esophageal reflux in infants: a placebo-controlled crossover study using intraluminal impedance. Pediatrics, 2003. 111: p. 355-359.
  28. Meunier, L., et al., Locust bean gum safety in neonates and young infants: an integrated review of the toxicological database and clinical evidence. Regul Toxicol Pharmacol, 2014. 70(1): p. 155-69.

Worminfecties en de behandeling hiervan bij pluimvee

Wormen spelen een belangrijke rol bij commercieel gehouden pluimvee. In dit artikel worden de verschillende wormen en hun eigenschappen besproken en wordt het gebruik van flubendazole toegelicht.

Worminfecties bij pluimvee

Worminfecties zijn belangrijk en ongewenst, omdat ze klinische verschijnselen en een negatief effect op de productie kunnen veroorzaken. Daarnaast kunnen ze ook een rol kunnen spelen bij de overdracht van bijv. Histomonas spp. de kans op andere infecties, zoals met E.coli of Pasteurella spp. Tot slot kan een Ascaridia galli infectie interfereren met de ontwikkeling van immuniteit na een NCD vaccinatie.

Problemen door wormen worden vooral waargenomen bij leghennen en ouderdieren. Vleeskuikens worden vaak al vóór het einde van de prepatentperiode geslacht (de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer).

Sinds het verbod op kooihuisvesting worden steeds meer dieren gehouden in scharrelsystemen. Bij deze manier van huisvesting komen de dieren in veel grotere mate in contact met mest, en worden ze dus ook meer blootgesteld aan wormeieren. Hierdoor neemt de infectiedruk toe.

Daarnaast hebben steeds meer kippen de beschikking over een uitloop. Met regelmaat wordt beschreven dat deze dieren ernstigere worminfecties hebben dan dieren die binnen worden gehuisvest. Dit kan verklaard worden door het onvermogen om wormeieren goed uit de uitloop te verwijderen en door de blootstelling aan tussengastheren in de uitloop. Dat de prevalentie van worminfecties hoog is in de biologische veehouderij blijkt uit een Europese studie waarin 55 biologische leghennenbedrijven zijn onderzocht. De prevalentie van A.galli, Heterakis spp. en Raillietina spp. waren respectievelijk 69,5%, 29,0% en 13,6% voor Europa. In deze studie zijn twee Nederlandse bedrijven onderzocht waar de prevalenties respectievelijk 96,7%, 100% en 33,3% waren. In dezelfde studie werd echter ook geconcludeerd dat er een negatieve correlatie was tussen de tijd dat de dieren in de uitloop doorbrachten en de besmettingsdruk met A.galli. Dit zou volgens de auteurs mogelijk verklaard worden omdat de blootstelling aan bijvoorbeeld zonlicht een negatieve invloed kan hebben op de overleving van wormeieren.

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-pluimvee-wormen-in-maagdarmkanaal

Nematoden

Nematoden zijn rondwormen. De volwassen wormen hechten zich meestal niet aan de mucosa, maar irriteren deze alleen. Haarwormen zijn hierop een uitzondering, omdat deze zich wel vasthechten. Larven hechten vaak wel aan de darmwand of penetreren deze zelfs tijdens hun ontwikkeling.

Nematoden hebben een directe ontwikkelingscyclus. De eieren die uitgescheiden worden zijn niet infectieus. De tijd tussen de uitscheiding en het infectieus worden van de eieren (rijping) wordt weergegeven in onderstaande tabellen. De exacte periode is afhankelijk van de omstandigheden; een vochtige en warme omgeving zorgt voor een snelle ontwikkeling.

Grote spoelwormen

Naam Ascaridia galli
Omvang wormeieren (µm) L: 73 – 92
B: 45 – 57
Lengte worm (mm) 50 – 76 (m)
60 – 116 (v)
PPP1 (dagen) 28 – 35
Rijping2 (dagen) 10 – 20
Predilictieplaats Dunne darm
Verschijnselen Gewichtsverlies, productiedaling, daling eischaalkwaliteit, diarree en anemie.
Pathologie Enteritis
Potentiële overdracht van Salmonella spp.
Reovirus

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

De grote spoelworm komt vooral voor in de dunne darm, maar kan ook gevonden worden in de oesophagus, krop, spiermaag, oviduct en het ei.
Spoelwormen produceren enorm veel eieren en de infectieuze eieren blijven maandenlang in het strooisel aanwezig. Hoewel er geen tussengastheer nodig is voor de ontwikkeling van spoelwormen, kunnen slakken, kevers en regenwormen deze parasieten wel overdragen. De larven van de grote spoelworm penetreren de darmwand voor hun ontwikkeling van L2 naar L3.

Bij kippen worden vooral volwassen wormen gevonden. Bij kalkoenen is de infectiedruk vaak hoger dan bij kippen en worden gedurende het gehele leven L3 stadia gevonden.

Kleine spoelwormen

Naam Heterakis gallinarum
Omvang wormeieren (µm) L: 63 – 75
B: 36 – 50
Lengte worm (mm) 7 – 13 (m)
10 – 15 (v)
PPP1 (dagen) 21 – 30
Rijping2 (dagen) 14
Predilictieplaats Caecum
Verschijnselen Er treden zelden klinische verschijnselen op.
Pathologie Verdikking darmwand (vooral caeca), knobbeltjes in mucosa en submucosa, granulomen in de lever
Potentiële overdracht van Histomonas spp. (Blackhead)

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

De larven van de kleine spoelworm penetreren de darmwand niet, maar ze zullen zich gedurende de eerste 12 dagen van een infectie wel aan de mucosa hechten.
De kleine spoelworm kan een tussengastheer zijn voor Histomonas spp. Wormeieren die besmet worden met Histomonas spp kunnen gedurende een jaar besmet blijven. Bij kalkoenen is dit het belangrijkste gevolg van een infectie met de kleine spoelworm; klinische verschijnselen ten gevolge van de worminfectie zelf worden bij deze diersoort nauwelijks gezien.

Haarwormen

Naam Capillaria obsignata Capillaira caudinflata
Omvang wormeieren (µm) L: 44 – 46
B: 22 – 29
L: 47 – 58
B: 20 – 24
Lengte worm (mm) 7 – 13 (m)
10 – 18 (v)
9 – 18 (m)
12 – 25 (v)
PPP1 (dagen) 21 – 28
Rijping2 (dagen) 9 – 14 (direct)
14 – 21 (indirect)
Predilictieplaats Dunne darm & caeca
Verschijnselen Bloederige diarree, anemie, gewichtsverlies, legdaling en daling van het uitkomstpercentage.
Pathologie Ontsteking en verdikking krop en oesophagus en enteritis.

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

Haarwormen kunnen ernstige darmschade veroorzaken, omdat ze zich vasthechten aan het darmslijmvlies. Deze wormen kunnen in de hele darm voorkomen, maar beschadigingen worden vooral gezien in de dunne darm en caeca.

Na de uitscheiding van de wormeieren moeten ze rijpen om infectieus te worden. Dit gaat vrij snel waardoor de infectiedruk snel kan toenemen. Dit is de reden dat bij een infectie met deze wormen geadviseerd wordt om ook bij een lage EPG te behandelen of de dieren in ieder geval goed in de gaten te houden. De wormeitjes van haarwormen blijven minder lang infectieus dan de eieren van spoelwormen.

Gaapwormen

Naam Synagmus trachea
Omvang wormeieren (µm) L: 90
B: 49
Lengte worm (mm) 2 – 6 (m)
5 – 20 (v)
PPP1 (dagen) 16 – 20
Rijping2 (dagen) 8 – 14
Predilictieplaats Trachea
Verschijnselen Benauwdheid
Pathologie Ontsteking trachea met verdikking waar de mannelijke wormen aanhechten aan de mucosa.
Transportgastheren Slakken, regenwormen, kevers.

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

Gaapwormen zijn in tegenstelling tot de voorgaande wormen geen maagdarmwormen. Ze veroorzaken infecties van de trachea. Verschijnselen zoals benauwdheid worden vooral gezien bij jonge dieren, omdat de trachea hier relatief snel verstopt raakt door de wormen.

De cyclus verloopt wel via het maagdarmkanaal. De wormeieren worden opgehoest, doorgeslikt en uitgescheiden via de ontlasting. Een dier kan geïnfecteerd raken met deze worm door opname van het ei, de larve (L3) of een transportgastheer. De larven verplaatsen zich vervolgens via de bloedsomloop naar de luchtwegen.

De wormeitjes kunnen in de omgeving lang infectieus blijven. Er zijn zelfs rapporten bekend van larvale stadia die in de regenworm gedurende 4 jaar infectieus bleven. De wormen zijn te herkennen door de Y-vorm, die ontstaat omdat de mannelijke en vrouwelijke worm permanent in copulatie leven.

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-pluimvee-synagmus-trachea

Cestoden

Lintwormen (cestoden) vallen onder de platwormen. De eitjes worden niet individueel uitgescheiden, maar als proglottiden. Dit zijn segmenten van de worm die gevuld met eitjes afgestoten worden. Deze zijn lastig te onderscheiden in de faeces, vooral als ze ingedroogd zijn.

De ontwikkeling van lintwormen is afhankelijk van tussengastheren zoals kevers, vliegen en mieren en we spreken hier dus van een indirecte cyclus. De tussengastheren nemen de proglottiden op. Vervolgens komt de larve in het maagdarmkanaal van de tussengastheer uit het ei. Deze larve ontwikkelt zich tot cystercoid en blijft in de lichaamsholte van de tussengastheer totdat deze opgenomen wordt door de eindgastheer.

Lintwormen

Naam Raillietina spp. (grote lintworm)
Omvang wormeieren (µm) L: 94
B: 74
Lengte worm (mm) 15 – 38
PPP1 (dagen) 14 – 21
Predilictieplaats Dunne darm
Verschijnselen Zwakte, vermagering en legdaling.
Pathologie Enteritis met hyperplasie
Transportgastheren Kevers (o.a. tempexkever)
Vliegen
Mieren
Potentiële overdracht van Adenovirus
Reovirus

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.
2 Rijping = periode tussen uitscheiding van de eieren en infectieus worden van de eieren.

Deze wormen hechten zich met de kop vast aan de darmmucosa. Hierdoor kunnen ze schade aan de darm veroorzaken en zijn ze dus vrij pathogeen.
Omdat lintwormen een indirecte cyclus hebben is het in dit geval belangrijk niet alleen de worminfectie zelf te behandelen, maar ook maatregelen te nemen waarmee de tussengastheren, zoals de tempexkever, bestreden worden.

Anthelminthica

Benzimidazolen

De enige geregistreerde diergeneesmiddelen voor de behandeling van worminfecties bij kippen behoren tot de groep van de benzimidazolen. Benzimidazolen bestaan uit een imidazole ring gebonden aan een benzeen ring. Het werkingsmechanisme is gebaseerd op hun binding aan β-tubulines. Hierdoor wordt voorkomen dat microtubuli gevormd worden, welke belangrijk zijn voor het transport van nutriënten zoals glucose. Dit leidt tot een tekort aan ATP in de wormen en heeft als zodanig een biocide effect.

Benzimidazolen lossen slecht op in water. Dit zorgt voor een beperkte biologische beschikbaarheid. Na absorptie is het verdelingsvolume wel groot en wordt onder andere ook het centrale zenuwstelsel bereikt. Dit wordt verklaard door de goede vetoplosbaarheid. De plasma-eiwitbinding is ongeveer 50%. Benzimidazolen worden na conjugatie via de gal uitgescheiden.

Deze anthelmintica hebben een ruime veiligheidsindex en de kans op bijwerkingen is dus zelfs bij overdoseringen gering. Het is echter wel bekend dat het gebruik van fenbendazol bij duiven tijdens de rui veerbeschadigingen kan geven.

Flubendazol is niet alleen werkzaam tegen larven en volwassen nematoden en lintwormen, maar ook tegen nematodeneieren. In een recente studie is aangetoond dat flubendazole bij pluimvee werkzaam is tegen alle inwendige stadia van Ascaris galli (eieren, larven en volwassen wormen).

In deze studie van Tarbiat et al werd echter ook aangetoond dat de grote spoelworm na het ontwormen alweer snel terug gevonden kan worden in de mest; de larven kunnen na één week al weer gevonden worden, terwijl de volwassen stadia al na vier weken weer aanwezig kunnen zijn. Dit is een indicatie dat de prepatentperiode dus mogelijk aangepast moet worden naar vier weken, en roept de vraag op of het ook niet verstandig zou zijn het interval van ontwormen hierop aan te passen.

Wormen kunnen resistent worden tegen benzimidazolen. De resistentiefactor ligt waarschijnlijk op één gen en zorgt voor een modificatie van de β-tubulines. In de studie van Tarbiat et al (2016) werd echter geconcludeerd dat er nog geen tekenen van resistentie waren.

Strategisch ontwormen

De meeste pluimveehouders kiezen voor strategische ontworming. Hierbij worden de kippen met vaste intervallen ontwormd. Het standaard interval van ontwormen is zes weken. Uitzondering hierop is tijdens de opfok of bij een hoge infectiedruk. Hier wordt vaak iedere vijf weken ontwormd. Ontworming van kippen aan het eind van de opfokperiode zorgt ervoor dat ze ‘schoon’ naar het legbedrijf gaan.

Bovenstaand schema is gebaseerd op de prepatentperiode van de grote spoelworm. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat de cyclus van de grote spoelworm in leghennen ook in vier á vijf weken doorlopen kan worden. Zelfs na een effectieve ontworming worden er na ongeveer zeven dagen al larvale stadia aangetoond. Volwassen stadia en wormeieren kunnen al vanaf 28 dagen na ontworming worden gevonden. Het standaard ontwormschema van zes weken zou op basis hiervan mogelijk aangepast moeten worden.

Wanneer de wormbesmetting in een koppel veroorzaakt wordt door andere wormsoorten moet het ontwormschema hierop aangepast worden. Een effectieve ontworming betekent ontwormen binnen de prepatentperiode. Op deze manier wordt voorkomen dat er grote hoeveelheden wormeieren worden uitgescheden en dat de infectiedruk weer oploopt.
De geadviseerde intervallen zijn als volgt:

  • Grote spoelwormen: 4-5 weken
  • Kleine spoelwormen: 4 weken
  • Haarwormen, gaapwormen of lintwormen: 3 weken

Daarnaast kan men de mate van infectiedruk ook meenemen bij het opstellen van een ontwormschema. Klinische verschijnselen en productiedaling treden vaak alleen op bij massale infecties. Bij een lage infectiedruk is soms een tweede cyclus nodig voordat deze mate van infectie wordt bereikt. Behandeling is bij een lichte infectiedruk dan ook niet altijd nodig.

Ontwormen op basis van mestmonsters of sectie

Zoals hierboven al duidelijk is geworden, is het ideale ontwormschema afhankelijk van meerdere factoren. Mestonderzoek waarbij gekeken wordt naar het aantal wormeieren kan gebruikt worden om te bepalen wat het optimale ontwormschema op een specifiek bedrijf is. Hiervoor wordt het aantal eieren per gram faeces geteld (EPG – eggs per gram). Het is mogelijk om wormeieren te differentiëren na flotatie. De meeste wormeieren zijn goed van elkaar te onderscheiden. Alleen het onderscheid tussen de grote en kleine spoelwormeieren is moeilijk te maken; beide wordt vaak ingedeeld als Ascaris eieren. Standaard wordt het mestonderzoek iedere 6 weken uitgevoerd. Problemen in de koppel of een ziektegeschiedenis met wormproblemen kunnen echter aanleiding zijn vaker onderzoek uit te voeren.

Het is echter wel belangrijk om te realiseren dat het bepalen van een EPG niets zegt over de aanwezigheid van onvolwassen wormen, zoals die gevonden worden tijdens de prepatentperiode. Tijdens deze periode kunnen enorme hoeveelheden wormen in ontwikkeling zijn, maar is een EPG negatief.

Het behandeladvies is afhankelijk van de wormsoort die de infectie veroorzaakt en de gevonden EPG. Een overzicht wordt gegeven in de tabel hieronder.

Wormen EPG Behandeladvies
Spoelwormen 0 > EPG < 50 Afwachten tot volgend mestonderzoek
50 < EPG < 300 Direct behandelen
Mestonderzoek na de behandeling
EPG > 300 Direct behandelen
Behandeling herhalen na 4 weken
Haarwormen 0 > EPG < 50 Afwachten tot volgend mestonderzoek
EPG > 50 Direct behandelen
Behandeling herhalen na 3 weken
Lintwormen EPG > 0 Direct behandelen
Behandeling herhalen na 2 weken

Bij een lage EPG wordt vaak geadviseerd te wachten met behandelen tot na een volgend mestonderzoek. Het is echter wel belangrijk gedurende deze periode extra alert te zijn op mogelijke verschijnselen van worminfecties.

Naast mestonderzoek kan natuurlijk ook sectie een rol spelen bij het vaststellen van worminfecties. Het is echter wel belangrijk dat als er secties worden gedaan om de wormbelasting te bepalen, dit niet bij de zwakke dieren uit het koppel wordt gedaan. Deze dieren vertonen vaak ernstigere besmettingen en laesies dan de betere dieren waardoor een vertekend beeld kan ontstaan.

Referenties

  1. Afdeling-Duurzame-Landbouw-Ontwikkeling. (2011). Impact van worminfecties op de algemene gezondheidsstatus van leghennen in niet-kooisystemen: resultaten van ADLO demonstratieproject. Diergezondheidszorg Vlaanderen vzq.
  2. Berx, C., Helsen, L., Röttger, R., Wellens, M., Helsen, K., Verhaert, I.,Toelen, D. (2011). Wormbesmettingen bij leghennen in niet-kooihuisvesting – Resultaten van een demonstratieproject in de leghennenhouderij.
  3. Degudab, (2015). Advies Ontworming Moederdieren.
  4. Fidin, QP52A Anthelmintica tegen trematoden, nematoden en cestoden.
  5. Fidin, QP52C Anthelmintica tegen nematoden (rondwormen, spoelwormen).
  6. McDougald, L.R. (2008). Cestodes and nematodes. In Y.M. Saif (Ed.), Diseases of Poultry (Vol. 12th edition, pp. 1057-1066). Iowa, United States: Blackwell publishing.
  7. Reuvekamp, N., Mul, M., & Fiks-van Niekerk, T. (2008). Literatuurstudie naar wormen bij legpluimvee.
  8. Tarbiat, B., Jansson, D.S., Moreno, L., Lanusse, C., Nyland, M., Tydén, E., Höglund, J. (2016) The efficacy of flubendazole against different developmental stages of the poultry roundworm Ascaridia galli in laying hens. Veterinary Parasitology 218: 66-72.
  9. Thapa, S., Hinrichsen, L. K., Brenninkmeyer, C., Gunnarsson, S., Heerkens, J. L., Verwer, C., . . . Mejer, H. (2015). Prevalence and magnitude of helminth infections in organic laying hens (Gallus gallus domesticus) across Europe. Vet Parasitol, 214(1-2), 118-124. doi:10.1016/j.vetpar.2015.10.009.
  10. Tomza-Marciniak, A., Pilarczyk, B., Tobianska, B., & Tarasewicz, N. (2014). Gastrointestinal parasites of free-range chickens. Ann Parasitol, 60(4), 305-308.
  11. Van Meirhaeghe, H. (2010). Wormen bij leghennen in alternatieve huisvesting. Diergezondheidszorg Vlaanderen vzw.
  12. Wagenaar, J.P., & Bestman, M. (2005). Parasitaire wormen bij biologische leghennen – Onderzoek naar het voorkomen van maagdarmwormen op 13 biologische leghenbedrijven.
  13. Yazwinski, T.A., & Tucker, C.A. (2008). Nematodes and Acanthocephalans. In Y.M. Saif (Ed.), Diseases of Poultry (Vol. 12th edition, pp. 1025-1056). Iowa, United States: Blackwell publishing.

Lezing Prof. R. Ducatelle – Dysbiosis en antibioticavrije pluimveeproductie: een onmogelijke combinatie?

Tijdens het door Dopharma georganiseerde pluimveesymposium op 20 januari 2017 gaf Richard Ducatelle een zeer interessante lezing over dysbacteriose bij pluimvee. Richard Ducatelle is professor aan de universiteit van Gent en doet samen met zijn team onderzoek naar dit onderwerp. Het doel is niet alleen om meer inzicht te krijgen in de microflora van kippen en de functies van verschillende bacteriegroepen, maar ook in de maatregelen die genomen kunnen worden om bij te sturen.

Dysbacteriose

Bij kippen met pathologische afwijkingen in het maagdarmkanaal is er niet altijd sprake van een pathogene verwekker die verantwoordelijk is voor de problematiek. In die gevallen is er doorgaans sprake van dysbacteriose. De definitie van dysbacteriose is een microbiële disbalans. Dysbacteriose staat ook bekend als dysbiose, bacteriële enteritis en ‘feed passage syndrome’.

Hoewel de disbalans meestal van toepassing is op de bacteriële populatie in het maagdarmkanaal, kan dit ook van toepassing zijn op de bacteriën in de luchtwegen en op de huid.

Dysbacteriose in het maagdarmkanaal is een belangrijk probleem in de pluimveehouderij, omdat de darmflora onderdeel is van de eerste bescherming tegen pathogenen, en omdat het een rol speelt bij de vertering van het voer. Als de balans tussen bacteriën in het maagdarmkanaal verstoord wordt, kan dit bovendien leiden tot overgroei van één of meer verstorende bacteriekoloniën. Op dit moment zijn er, behalve de inzet van antibiotica, geen methoden om dysbacteriose te behandelen.

Pathologie

Tijdens sectie zijn er een aantal dingen die kunnen opvallen: dunne en fragiele darmwanden, waterige of schuimige inhoud en onverteerde voedseldelen in de darm, ballooning en een gebrek aan darmtonus. In ernstige gevallen kan ook roodheid van de serosa voorkomen. In tegenstelling tot bij necrotische enteritis, wordt er geen necrotisch materiaal gevonden in het maagdarmkanaal.

Diagnostiek

Op dit moment is het slechts mogelijk om 5 – 10% van de voorkomende bacteriën te kweken op bestaande voedingsbodems. Over de meeste bacteriën weten we dus niet zoveel. Om meer over dit onbekende deel van de microflora te weten te komen, kan er gebruik worden gemaakt van metagenomica. Hiervoor wordt een mestmonster genomen, waaruit DNA geïsoleerd wordt. Met behulp van een PCR wordt bepaald van welke bacteriën dit DNA afkomstig is. Het resultaat is een lange lijst met bacteriesoorten. Figuur 1 geeft hiervan een voorbeeld.

Figuur 1 Resultaat van metagenomica

Het is echter zeer lastig om de informatie die op deze manier wordt verkregen te interpreteren en te bepalen wat het belang is voor de gezondheid van het dier. Van een aantal bacteriën weten we dat ze ziekte kunnen veroorzaken, maar van een groot aantal bacteriën weten we dit niet. De universiteit van Gent wil dit inzichtelijk maken door te bepalen wat de functies van de verschillende bacteriegroepen in het maagdarmkanaal van kippen zijn. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de invloed van bepaalde factoren, zoals voerwijzigingen, op de microflora.

De microflora

De darmflora is per individu verschillend. Dit geldt zowel voor kippen als voor mensen. Er is echter wel een gelijkenis als je kijkt naar de groepen bacteriën. Bij alle diersoorten, inclusief kippen, komen de vier grootste groepen overeen. De grootste groep bestaat uit Firmicutes. Daarna volgen de groepen met Bacteroidetes,Proteobacteria en Verrucomicrobia.

Over de functies van deze bacteriegroepen bij kippen is helaas tot op heden nog niet zo heel veel bekend.

  • De Firmicutes vormen een groep (phylum) die vooral boterzuur produceert. Ook de clostridia vallen in deze categorie.
  • Bacteroidetes zorgen voor de afbraak van celwanden, vooral van plantencellen. Ze breken dus voor de kip onverteerbare polysachariden af en helpen daardoor mee met de vertering.
  • Onder de Proteobacteria vallen enkele potentieel pathogene bacteriën zoals Escherichia coli.
  • Verrucomicrobia breken mucus af. In de darmen zitten veel meer slijmbekercellen dan nodig voor de productie van de mucuslaag. De mucus kan door deze bacteriën gebruikt worden als energiebron. De afbraakproducten die ze maken zijn belangrijke voedingsstoffen voor andere bacteriën die in het maagdarmkanaal voorkomen.

Functionele genen

Naast het bepalen welke bacteriën voorkomen in de microflora, is het ook mogelijk om met een PCR te beoordelen wat de frequentie van bepaalde genen is. Zo is er door de onderzoeksgroep van Richard Ducatelle bijvoorbeeld gekeken naar de genen die coderen voor enzymen verantwoordelijk voor de productie van butyraat. Butyraat heeft verschillende functies in het lichaam:

  • het zorgt voor een verhoging van de secretie van mucus en antimicrobiële peptiden;
  • het vermindert de ernst van een ontstekingsreactie;
  • het verhoogt de integriteit van het epitheel en tight junctions in de darm;
  • het stimuleert de celdeling, regeneratie van epitheelcellen en de enzymproductie.

Uit onderzoek is gebleken dat de capaciteit om butyraat te produceren bij kuikens die moeilijk verteerbaar eiwit krijgen lager is dan bij kuikens die goed verteerbaar eiwit krijgen. De capaciteit om waterstofsulfide (H2S) te produceren is echter hoger.

H2S heeft verschillende fysiologische functies zoals het behouden van een goede spiertonus in de darmen. Wanneer er een overmaat aan H2S voorkomt, zijn er echter ook negatieve effecten. H2S remt dan de mitochondriën, cytochroom C oxide, de boterzuurverbranding en de mucusproductie. Daarnaast kan het zorgen voor beschadiging van het DNA in de epitheelcellen. Remming van de werking van de mitochondriën zorgt vervolgens voor een tekort aan energie in de epitheelcellen. Dat zorgt voor celdood en een daaropvolgende ontstekingsreactie.

Aan de hand van de bepaling van deze functionele genen kan dus beoordeeld worden welke enzymen het meest actief zijn. In de toekomst wordt het dan misschien mogelijk om hierop te sturen, bijv. indien nodig, door meer butyraat te verstrekken via het voer of water.

Toekomst

Door de studies van Richard Ducatelle en zijn team krijgen we steeds meer inzicht in de microflora van kippen. Ook zijn de resultaten van metagenomica steeds sneller beschikbaar. Een aantal jaar geleden moest hier nog een jaar op worden gewacht, nu zijn de resultaten binnen twee weken beschikbaar.

In de toekomst moet er echter nog meer duidelijk worden over de rol van de verschillende bacteriën en de correlatie tussen het wel of niet voorkomen van bepaalde bacteriën of bacteriegroepen en het optreden van gezondheidsproblemen. Het moet dan veel sneller duidelijk worden wanneer het aan te bevelen is om bij te sturen.

Tot slot moet er nog heel veel onderzoek worden gedaan naar deze mogelijkheden om bij te sturen. Welke invloed hebben verschillende componenten op de microflora en hoe kunnen deze componenten ingezet worden om de diergezondheid te verbeteren?

Conclusie

Dysbacteriose is een belangrijk en moeilijk te controleren probleem in de pluimveehouderij. In de toekomst wordt het misschien mogelijk om meer inzicht te krijgen in de etiologie van dit probleem, en de mogelijkheden om bij te sturen. Hiermee zou een grote bijdrage geleverd kunnen worden aan ‘Best Practice’ op pluimveebedrijven.

Stabiliteit drinkwatermedicatie

Invloed van biociden op gemedicineerd drinkwater

In Nederland worden diergeneesmiddelen voor varkens en pluimvee relatief vaak toegediend via het drinkwater. Tegelijkertijd worden op varkens- en pluimveebedrijven ook vaak biociden gebruikt om het gebruikte bronwater te ontsmetten of om de drinkwaterleidingen te reinigen. Onlangs onderzocht het Franse ANSES de invloed van natriumhypochloriet en waterstofperoxide op enkele veelgebruikte antibiotica. In dit artikel delen we de resultaten van dit onderzoek.

Toename van drinkwatermedicatie in Europa

Indien groepen varkens, kippen of kalkoenen met een diergeneesmiddel behandeld moeten worden, kiest men in Nederland vaak voor toediening via het drinkwater. Het gebruik van deze toedieningsweg is ook voor antibiotica de afgelopen tien jaar gestegen. Dit komt doordat sindsdien in Nederland geen antibiotica bevattende premixen meer in het voer gemengd worden. In verschillende andere Europese landen wordt de toedieningsweg via het voer nog wel veel gebruikt. Hieronder ziet u een grafiek uit het meest recente ESVAC-rapport1. In deze grafiek worden de verschillende toedieningsvormen van antibiotica bij voedselproducerende dieren weergegeven voor 31 Europese landen in 2017. Te zien is dat van het totale antibioticumgebruik de orale toedieningsweg in de meeste landen het belangrijkste is. Daarnaast zien we grote verschillen per land in de toepassing van premixen.

Grafiek antibioticumgebruik per land Europa

Sinds vorig jaar zien we echter in enkele “premix-landen” een verschuiving van voermedicatie naar drinkwatermedicatie. Hiermee wordt geanticipeerd op de nieuwe Europese diergeneesmiddelenverordening2 die in januari 2022 van kracht wordt. Hierin worden namelijk bepaalde restricties opgelegd voor het gebruik van feedmixen met antibiotica. Zo mag er slechts voor een duur van twee weken voorgeschreven worden en mogen er geen antibiotica bevattende feedmixen gecombineerd worden. Belangrijker nog is dat het preventief gebruik van antibiotica in de gehele EU verboden wordt.

Prudent use

Drinkwatermedicatie heeft vele voordelen ten opzichte van voermedicatie en past ook beter in het verantwoord en rationeel gebruik van antibiotica. Zo kan een behandeling snel gestart worden en kan een behandeling beperkt worden tot één of enkele afdelingen binnen een bedrijf. Het toepassen van drinkwatermedicatie vereist echter wel een deugdelijke installatie (een goed werkende doseerpomp), nauwkeurig doseren en een goede hygiëne. Daarnaast is het belangrijk om de kwaliteit en de eigenschappen van het gebruikte drinkwater te kennen. Eigenschappen van het drinkwater kunnen namelijk van invloed zijn op de oplosbaarheid en stabiliteit van het gebruikte diergeneesmiddel.

Recent onderzoek van ANSES: CABALE-project 2019

Biociden of ontsmettingsmiddelen worden veelvuldig gebruikt in drinkwater voor zowel mensen als dieren. Bij gebruik van bronwater bij dieren wordt er vaak op het veehouderijbedrijf zelf een biocide aan het water toegevoegd. De kwaliteit van drinkwater is immers belangrijk voor de gezondheid van de dieren en daarmee ook voor de productie van veilig voedsel. Twee veel gebruikte biociden zijn natriumhypochloriet en waterstofperoxide. Behalve voor het ontsmetten van de bron worden deze biociden ook gebruikt voor het reinigen van de drinkwaterleidingen. Maar wat is eigenlijk het effect van deze biociden op de stabiliteit van de gebruikte diergeneesmiddelen in drinkwater?
Om dit te onderzoeken en met in het achterhoofd de verschuiving van behandeling via voer naar behandeling via drinkwater, onderzocht het Franse ANSES de invloed van twee biociden op drinkwatermedicatie in het CABALE-project3. De resultaten van dit onderzoek zijn onlangs gepubliceerd en worden hieronder samengevat.

Materiaal en methoden

Van zes veelgebruikte antibiotica werd de stabiliteit in drinkwater onderzocht wanneer deze in combinatie met natriumhypochloriet (0,5 ppm actief chloor) of waterstofperoxide (50 ppm) werden gebruikt. De stabiliteit van doxycycline, amoxicilline, sulfadiazine (+ trimethoprim), sulfadoxine (+ trimethoprim), tiamuline en colistine werd vergeleken in oplossingen met en zonder biocide.

  • Er werd zowel zacht water met een lage pH (3,4 ⁰dH, pH 6) als hard water met een hoge pH (19,6⁰ dH, pH 8) gebruikt en er werden oplossingen met verschillende concentraties diergeneesmiddel getest (zowel geconcentreerde vooroplossingen als verdunde eindoplossingen; conform SPC).
  • De geconcentreerde vooroplossingen werden op drie tijdstippen onderzocht: direct na oplossen (T0), 6 uur later (T6) en 24 uur later (T24).
  • De verdunde eindoplossingen werden direct na het doorverdunnen onderzocht op T0’ en T24’ én zes uur later op respectievelijk T6’ en T30’.
  • Een oplossing werd als onstabiel beschouwd indien er ≥ 10% van de werkzame stof verdwenen was (p<0,05).

Resultaten

Bij gebruik van waterstofperoxide als biocide zag men alleen bij amoxicilline degradatie optreden. Dit gebeurde zowel in hard als in zacht water. De degradatie van amoxicilline varieerde van 12% tot 73%. Bij doxycycline, tiamuline, colistine en beide sulfonamiden zag men geen afbraak.
Het gebruik van natriumhypochloriet had echter een significant effect op bijna alle werkzame stoffen. Alleen de sulfonamiden bleven stabiel. Het gebruik van natriumhypochloriet in hard water met een hoge pH veroorzaakte meer degradatie dan in zacht water met een lage pH. Een mogelijke reden kan zijn dat in hard water met een hoge pH meer natriumhypochloriet nodig is om tot 0,5 ppm actief chloor te komen. Indien men echter een zuur diergeneesmiddel toevoegt aan dit harde water, zal de pH van de oplossing dalen en zal er vervolgens meer actief chloor beschikbaar komen. Hierdoor kan er meer actief chloor inwerken op het diergeneesmiddel met meer degradatie tot gevolg.

Conclusie

Deze studie laat zien dat er rekening gehouden moet worden met degradatie van antibiotica indien tegelijkertijd biociden in het drinkwater worden gebruikt. De gevonden resultaten kunnen echter niet geëxtrapoleerd worden naar alle producten met dezelfde werkzame stoffen omdat er soms een duidelijk verschil werd gezien tussen producten met dezelfde werkzame stof (maar met een andere formulering). Opvallend was dat van de geteste antibiotica alleen sulfonamiden niet werden afgebroken in de testomstandigheden.

Advies

Indien een reactie met biociden leidt tot afbraak van de werkzame stof, dan heeft dat tot gevolg dat er te laag gedoseerd wordt. Dit zal de effectiviteit van de behandeling beïnvloeden en zal de kans op inductie van antibioticaresistentie verhogen.
Behalve deze negatieve effecten is er nog een ander gevaar dat ontstaat bij degradatie van diergeneesmiddelen door invloed van biociden. Bij degradatie van de werkzame stof ontstaan namelijk degradatieproducten. Soms hebben deze degradatieproducten nog enige gewenste activiteit maar er kunnen ook toxische afbraakproducten gevormd worden. Er zijn gevallen bekend waarbij deze toxische afbraakproducten ernstige klinische symptomen bij dieren hebben veroorzaakt.
Ons advies voor veehouders en dierenartsen is derhalve om goed op de hoogte te zijn van de drinkwaterkwaliteit op veehouderijbedrijven. Dit is niet alleen belangrijk voor de gezondheid en de productie van de dieren maar ook wanneer drinkwatermedicatie wordt toegepast. Hierbij zijn o.a. hardheid en pH belangrijk voor de oplosbaarheid en stabiliteit van de diergeneesmiddelen. Ook moet er rekening gehouden worden met het gebruik van biociden. Deze worden in de praktijk vaak toegepast om bronwater te ontsmetten.
Indien er een diergeneesmiddel via het drinkwater toegediend moet worden is het verstandig om (tijdelijk) leidingwater te gebruiken. Indien dit niet mogelijk is en de kwaliteit van het gebruikte bronwater dit toelaat kan men tijdelijk, zolang er gemedicineerd drinkwater wordt verstrekt, het drinkwater niet ontsmetten. Als de kwaliteit van het bronwater het niet toelaat om niet te ontsmetten dan is het raadzaam om tijdens de drinkwatermedicatie de laagst mogelijke dosering van het ontsmettingsmiddel te gebruiken of een andere toedieningsweg te kiezen.

Referenties

1. European Medicines Agency, European Surveillance of Veterinary Antimicrobial Consumption, 2019, Sales of veterinary antimicrobial agents in 31 European countries in 2017, (EMA/294674/2019)
2. Regulation (EU) 2019/6 of the European Parliament and of the Council of 11 December 2018 on veterinary medicinal products and repealing Directive 2001/82/EC, (http://data.europa.eu/eli/reg/2019/6/oj)
3. Guichard P et al. Impact du traitement des eaux d’abreuvement des porcs, des volailles et des lapins par les biocides sur la stabilité des antibiotiques. Maisons-Alfort Cedex: ANSES-project CABALE; 2019. Beschikbaar via: https://www.anses.fr/fr/system/files/Article%20cadre%20Cabale.pdf

Necrotische enteritis en necro-haemorrhagische enteritis bij vleeskuikens

Necrotische enteritis is een belangrijke aandoening in vleeskuikens en kalkoenen, maar wordt ook gevonden bij leghennen en ouderdieren. Het wordt veroorzaakt door toxinen en enzymen die worden geproduceerd door pathogene C. perfringens stammen. In het veld zien we verschillende klinische vormen van deze aandoening. Een studiegroep van de vakgroep pathologie, bacteriologie en pluimveeziekten van de faculteit Diergeneeskunde in Gent (België) hebben recent een artikel gepubliceerd over het onderscheid tussen deze twee klinische vormen van necrotische enteritis (Goossens et al. 2020). In dit artikel willen we u een korte samenvatting van dit artikel aanbieden.

Necrotische enteritis wordt gekenmerkt door necrose van de dunne darm. In 2019 hebben we een artikel geschreven over de verschillende toxinotypes van C. perfringens. Het netB-producerende toxinotype G werd gezien als belangrijkste oorzaak van necrotische enteritis bij pluimvee. U kunt dit artikel nalezen op onze website.

Alhoewel toxinotype G hier werd gezien als de veroorzaker van necrotische enteritis, zijn er echter ook nog onderzoeksgroepen die netB-negatieve toxinotype A stammen isoleren uit kippen met deze aandoening. Wanneer andere dieren geïnfecteerd worden met deze stammen, ontwikkelen ze ook verschijnselen. Dit ondersteunt de hypothese dat deze stammen pathogeen zijn. Het opnieuw isoleren van dezelfde stam uit de experimenteel geïnfecteerde dieren is nog niet beschreven. De postulaten van Koch zijn dus nog niet volledig vervuld.

Naast het feit dat er dus twee verschillende C. perfringens toxinotypes worden geïsoleerd, zijn er ook twee verschillende klinische uitingen van de ziekte bij necropsie: een hemorragische en een niet hemorragische vorm. Beide worden hieronder verder uitgelegd.

Niet hemorragische necrotische enteritis

  • De niet hemorragische vorm is de best schreven en meest algemeen aanvaarde vorm van necrotische enteritis.
  • Deze vorm kenmerkt zich vooral door subklinische infecties die met name gepaard gaan met slechte productieresultaten.
  • Laesies worden vooral gevonden in het jejunum en ileum en worden beschreven als samenvloeiende mucosale necrose, vaak bedekt door een pseudomembraan.
  • Deze vorm wordt veroorzaakt door netB-positieve toxinotype G stammen.

Necro-hemorragische enteritis

  • De necro-hemorragische vorm van deze aandoening is de minder vaak beschreven vorm.
  • Deze vorm van necro-hemorragische enteritis wordt gekenmerkt door acute sterfte. Subklinische casussen zijn niet beschreven.
  • Laesies worden ook bij deze variant vooral gevonden in het jejunum en ileum, maar met het grote verschil dat ze omschreven worden als hemorragisch; er worden grote hoeveelheden bloed gevonden in het mesenterium. Als er naar de mucosa wordt gekeken, komen de macroscopische laesies overeen met die van de niet hemorragische vorm van necrotische enteritis; samenvloeiende mucosale necrose die vaak bedekt wordt door een pseudomembraan.
  • Necro-hemorragische enteritis lijkt gerelateerd te zijn aan infecties met specifieke netB-negatieve perfringens type A stammen. Er zijn overeenkomsten met boviene necro- hemorragische enteritis, veroorzaakt door toxinotype A stammen.

In onderstaande afbeelding kunt u een afbeelding zien van een typische necropsie van een vleeskuiken met ernstige niet hemorragische (A) of necro-hemorragische (B) enteritis (Goossens et al. 2020).

Figuur 1 Necropsie van een vleeskuiken met ernstige niet hemorragische (A) of necro-hemorragische (B) enteritis (Goossens et al. 2020)

Vanwege de verwarring die ontstaat door het gebruik van één naam voor deze syndromen, wordt door de onderzoeksgroep van Goossens voorgesteld om de hemorragische vorm van de ziekte te hernoemen tot necro-hemorragische enteritis.

Dopharma

De verschillenden varianten van necrotische enteritis kunnen ernstige problemen veroorzaken voor pluimveehouders. Als een behandeling geïndiceerd is, wordt het aangeraden om smal spectrum antibiotica te gebruiken. Dopharma heeft een smal spectrum penicilline in het assortiment: Phenoxypen® WSP.

Referentie

  1. Goossens, E., Dierick, E., Ducatelle, R., van Immerseel, F. (2020) Spotlight on avian pathology: untangling contradictory disease descriptions of necrotic enteritis and necro-haemorrhagic enteritis in broilers. Avian pathology DOI /10.1080/03079457.2020.1747593.

Leververvetting bij pluimvee

Leververvetting bij pluimvee wordt in het Engels omschreven als fatty liver haemorrhagic syndrome (FLHS). Deze aandoening wordt vooral gevonden bij leghennen. Het wordt gekenmerkt door een verhoogde mortaliteit, een daling in de eiproductie en grote hoeveelheden vet in de lever. In dit artikel bieden we u een overzicht van de bekende informatie en enige recent gepubliceerde informatie over FLHS van de universiteit van Queensland.

Aetiology

FLHS is een multifactorieel syndroom, waarvoor enkele risicofactoren zijn beschreven:

  • een overmaat aan energie-inname;
  • hoge of lage temperaturen;
  • piekproductie (oestradiol);
  • lage hoeveelheid fosfolipiden in de lever;
  • ontsteking;
  • beperkte beweging.

Een overmaat aan energie-inname

Een overmaat aan energie-inname lijkt de meeste belangrijke risicofactor te zijn voor het ontwikkelen van FLHS. Een deel van de auteurs die over dit onderwerp hebben gepubliceerd concluderen dat de energiebron niet relevant is, maar anderen concluderen dat koolhydraatrijk voer een groter risico vormt dan vetrijk voer. De hypothese is dat dieren die een koolhydraatrijk dieet krijgen een hoge de novo vetsynthese. Bij de de novo vetzuursynthese in de lever worden vetzuren gevormd vanuit koolhydraten. Deze vetzuren kunnen daarna omgezet worden in triglyceriden of andere lipiden. Dit zet druk op het vetmetabolisme in de lever. Als de dieren een voer krijgen met een hoger vetgehalte, is de behoefte naar een de novo vetsynthese lager. FLHS komt vaker voor bij zware dieren, dan bij dieren met een normaal of lager lichaamsgewicht. Het is niet bekend of dat wordt verklaard door een overmaat aan energie-inname of door een ander mechanisme.

Hoge of lage temperaturen

Hittestress is een bekende risicofactor; FLHS komt vaker voor gedurende hete periodes. Blootstelling aan lage temperaturen kan echter ook een risicofactor zijn, die met name relevant is voor hobbymatig gehouden kippen.

Het is tot op heden niet volledig bekend waarom temperatuursextremen bijdragen aan het optreden van FLHS. In parelhoenders is wel aangetoond dat hittestress het vetmetabolisme beïnvloed, maar hier moet nog meer onderzoek naar gedaan worden. Andere hypothesen zijn de verminderde energiebehoefte bij een hogere omgevingstemperatuur of een afname van de beweging van dieren, wat ook wordt beschreven als predisponerende factor bij in kooien gehouden dieren (zie later).

Piekproductie (oestradiol)

Hoogproductieve leghennen ontwikkelen vooral FLHS tijdens de piekproductie, wat verklaart kan worden door de rol van oestradiol (oestrogeen). Hennen met FLHS hebben een hogere plasma oestradiol concentratie dan hennen zonder FLHS. Daarnaast wordt de toediening van oestradiol gebruikt om FLHS te induceren in leghennen. Dit is het meest succesvol bij hennen die ad libitium (niet beperkt) gevoerd werden.

Oestradiol stimuleert de opslag van vetten in de lever, om de dieren te voorzien van voldoende vet voor de productie van de eieren.

Lage hoeveelheid fosfolipiden in de lever

De hoeveelheid fosfolipiden die aanwezig is in de lever wordt als heel belangrijk beschouwd voor de ontwikkeling van FLHS. De fosfolipidenconcentratie bij kippen met FLHS is lager dan bij kippen die deze aandoening niet hebben. Fosfolipiden hebben een lipotrope werking en zijn dus belangrijk voor de mobilisatie van vet uit de lever. Bovendien zijn ze aanwezig in het celmembraan waar ze de integriteit en poreusheid van de membranen reguleren en de cellen beschermen. Bij het hoofdstuk preventie wordt ook nog geschreven over fosfolipiden.

Ontsteking

De onderzoeksgroep van Shini et al ontdekten dat een ontstekingsreactie kan bijdragen aan de pathogenese van FLHS bij kippen met een grote hoeveelheid vet in de lever (steatose). Deze studiegroep vond een hogere concentratie fibrinogeen en leukocyten (heterofielen en lymfocyten) in kippen met FLHS dan in controledieren. Ook was de mRNA expressie van IL-1β en IL-6 hoger. Deze cytokines zijn betrokken bij de activatie en promotie van leukocyteninfiltraties op plaatsen waar dit nodig is. De ontstekingsreactie die werd gevonden was zowel systemisch als lokaal (in de lever).

De FLHS werd in dit geval experimenteel geïnduceerd met oestradiol en LPS (lipopolysaccharide). LPS is een bestanddeel van de buitenmembraan van Gram-negatieve bacteriën, dat gebruikt kan worden voor het induceren van een immuunreactie. In deze dieren leek LPS de oorzaak voor de transitie van een simpele steatose naar FLHS. Onder commerciële omstandigheden kan een ontstekingsreactie die veroorzaakt wordt door onder andere nutritionele of omgevingsfactoren hieraan ten grondslag liggen.

Bij ons zijn nog geen studies bekend waarin is gekeken naar het effect van ontstekingsremmende medicijnen op de ontwikkeling of progressie van FLHS.

Beperkte beweging

De incidentie van FLHS is hoger bij hennen in (verrijkte) kooien, door de beperkte bewegingsvrijheid die ze in dat huisvestingssysteem hebben.

Mycotoxines

Mycotoxines zijn in het verleden ook genoemd in relatie tot FLHS, maar hun rol is twijfelachtig. Voor aflatoxine is in ieder geval aangetoond dat het andere leverafwijkingen veroorzaakt dan de afwijkingen die worden gevonden bij FLHS.

Figuur 1 Figuur uit Shini (2014) die laat zien wat het effect is van het toedienen van oestradiol aan kippen die beperkt worden in hun voeropname (ERF) of die ad libitum gevoed worden (EAL).

 

Het begin van FLHS

De problemen die worden veroorzaakt door FLHS, worden doorgaans gezien tijdens de piekproductie. Dit betekent echter niet dat dit leverprobleem zich ook pas op dat moment ontwikkeld; vaak is dit namelijk al in eerder stadium begonnen.  De eerste veranderingen in de lever worden vaak al gezien op het moment dat de dieren in leg komen. Dit gaat gepaard met een toename in de synthese van vetten en eiwitten voor de productie van eieren. Op dit moment worden er echter vaak nog geen symptomen gezien. Deze treden pas op tijdens de piekproductie en worden waarschijnlijk geïnduceerd door oestradiol.

Gevoeligheid van vogels

FLHS is een aandoening die bij vogels relatief veel voorkomt. Hoe kan dit verklaart worden? Voor minimaal een groot deel wordt dit verklaard door verschillen tussen vogels en zoogdieren:

  1. Vogels hebben een slecht ontwikkeld lymfesysteem bij de darmen. De vetzuren uit de voeding komen daardoor direct in het portale bloedsysteem als VLDL’s (portomicrons). Alle portomicrons zullen de lever passeren, waardoor er sneller vetstapeling in de lever kan optreden.
  2. Adipocyten hebben bij vogels een veel beperktere capaciteit voor lipogenese. Dit betekent dat de lever veel meer belast wordt met deze taak dan in zoogdieren.
  3. Specifiek in leghennen is er een hoge vetzuurbehoefte voor de vorming van de dooier. Deze vetzuren worden geproduceerd door de novo vetzuursynthese in de lever, omdat de ovaria de portomicrons die afkomstig zijn van de darmen niet kunnen benutten. De hoge productie van vetzuren in de lever betekent ook dat er veel vetzuren gemobiliseerd moeten worden. Omdat dit vaak een langzamer proces is, kunnen deze vetzuren zich ophopen in de lever. Daarnaast kan de opname van VLDL’s door de ovaria trager zijn dan de mobilisatie vanuit de lever, wat leidt tot een toename van circulerende triglyceriden.

Hobbymatig gehouden dieren

FLHS is niet alleen een aandoening die gezien wordt bij bedrijfsmatig gehouden pluimvee. Het is tevens een belangrijke oorzaak van sterfte in hobbykippen. Dit geldt vooral voor kippen in een overmatige conditie. In het voorjaar zal het oestradiolgehalte toenemen door de stijging van de eiproductie. Daarnaast neemt de omgevingstemperatuur toe. Door deze combinatie van factoren treedt FLHS bij hobbykippen vooral op in deze maanden.

Symptomen

FLHS in een koppel kenmerkt zich meestal door een plotselinge toename in mortaliteit ondanks geode legpercentages. Sterfte treedt vooral op bij dieren die volledig in productie waren. De gemiddelde mortaliteit is 3 – 5%, maar hogere cijfers zijn ook gemeld. Kippen die dood gevonden worden, zijn vaak bleek maar hebben verder geen klinische verschijnselen vertoond. In sommige gevallen wordt er echter wel een (plotselinge) daling van de eierproductie gezien.

Het is lastig om bij levende dieren een onderscheid te maken tussen gezonde hennen en hennen met FLHS; bleke kammen is een mogelijk verschijnsel maar dit wordt ook niet bij alle dieren gezien.

Autopsie

Bij autopsie op dood aangetroffen dieren wordt in de buikholte vaak een groot bloedstolsel gevonden, dat afkomstig is uit de lever. Er kunnen ook enkele afwijkingen gevonden worden aan de lever:

  • hepatomegaly;
  • een grote hoeveelheid vet in de lever. Bij FLHS kan de lever voor 50-60% bestaan uit vet, maar in sommige gevallen is zelfs een vetgehalte van 70% gemeld;
  • een afwijkende kleur die is omschreven als geel, bleek of stopverfkleurig;
  • brosheid van het leverweefsel;
  • kleine hematomen in het leverparenchym die zowel gevonden kunnen worden bij dood gevonden als geëuthanaseerde dieren. Deze bloedingen worden vaak in de randen van de leverkwabben gezien.

Grote hoeveelheden vet worden niet alleen in de lever, maar ook rond de andere organen in de buikholte gevonden. De ovaria zijn vaak actief; alleen bij dieren die al langer problemen hebben, worden inactieve ovaria gevonden.

Herstel van het leverparenchym leidt tot fibrose. Dit kan worden waargenomen bij kippen die eerder FLHS hebben doorgemaakt. Als een koppel meerdere milde episodes van FLHS doormaakt, kan dit ook resulteren in het herhaaldelijk optreden van fibrose in de lever. Deze stapeling van fibrotisch weefsel kan leiden tot een verminderde leverfunctie.

Figuur 2 Pathologisch beeld van een kip met FLHS (Trott et al 2014)

 

Hoe leidt een overmatige hoeveelheid vet in de lever tot een plotselinge bloeding? Eén hypothese is dat de grote hoeveelheid vet de architectuur van de lever verstoord en daarmee leidt tot een verzwakking van het netwerk van reticulaire vezels en bloedvaten. Een andere mogelijke verklaring is de focale necrose van hepatocyten, waardoor vaatschade op kan treden. Tot slot kan een mogelijke oorzaak worden gezocht in overmatige vetoxidatie van onverzadigde vetzuren in de lever. Dit kan zorgen voor het mechanisme dat zorgt voor herstel van de cellen, waardoor weefselschade op kan treden.

Diagnose

Afgezien van de klinische symptomen en necropsie, zijn er geen eenvoudige diagnostische mogelijkheden beschikbaar. Door de moeilijkheid van het stellen van de diagnose in levende dieren en het ontbreken van deze testen, wordt deze aandoening waarschijnlijk regelmatig over het hoofd gezien.

Preventie

Zoals in de eerste paragraaf ook al werd beschreven is FLHS een multifactoriële aandoening. Preventie van deze aandoening bestaat dus vooral uit het voorkomen van de factoren die een rol spelen bij het ontstaan. Een van de beschreven predisponerende factoren is de fosfolipidenconcentratie. Choline kan hier een belangrijke rol in spelen.

Fosfolipiden en choline

Fosfolipiden zijn structurele lipiden, het zijn bouwelementen van de cellen. Lecithine is de belangrijkste fosfolipide en maakt een integraal deel uit van de structuur van lipoproteïnen en microsomale membranen. Het speelt dan ook een essentiële rol in de vorming van ‘very low density lipoproteins (VLDLs) en is daardoor belangrijk voor het transport van vet van de lever naar andere weefsels. Een lecithine deficiëntie wordt geassocieerd met de ophoping van vet in de lever en een afname van de hoeveelheid vet die wordt gebruikt voor de vorming van de dooiers.

Choline (fosfatidylcholine) is een van de belangrijkste componenten van lecithine. Choline is dus ook belangrijk voor het metaboliseren en mobiliseren van triglyceriden in de lever. Het wordt dan ook een lipotrope factor genoemd. Daarnaast is het ook belangrijk voor de benutting van vetten.

Het supplementeren van choline bij leghennen wordt geassocieerd met een toename van de VLDL-concentratie in het serum en een afname van vet dat is opgeslagen in het hart, de lever en de buikholte. De combinatie van deze factoren zorgt ervoor dat het kan bijdragen aan de preventie van een abnormale vetophoping in hepatocyten, de zogenaamde leververvetting.

De cholinebehoefte van kippen is afhankelijk van het dieet; een dieet met een hoog vetgehalte gaat gepaard met een hogere cholinebehoefte. Daarnaast kan het supplementeren van choline vooral interessant zijn tijdens periodes met hittestress, omdat de afzetting van vet in de lever significant toeneemt bij hogere temperaturen.

Choline kan op verschillende manieren worden aangeboden, maar omdat FLHS een ernstige aandoening is, wordt aangeraden snel te handelen. Het toedienen van choline via het drinkwater is dan in de meeste situaties de beste oplossing.

Dopharma heeft een aanvullend diervoeder met choline, in combinatie met betaïne, methionine, lysine, sorbitol en plantenextracten. Dit vloeibare product Heparenol is zeer geschikt voor gebruik in drinkwater bij pluimvee.

Literatuur

  1. Alagawany, M., El-Hindawy, M. Attia, A., Farag, M., Abd El-Hack, M. (2015) Influence of dietary choline levels on growth performance and carcass characteristics of growing Japanese quail. Advances in animal and veterinary science 3(2): 109-115.
  2. Barroeta, A.C., Baucells, M.D., Blanco Pérez, A., Calsamiglia, S., Casals, R., Cepero Briz, R., Davin, R., Gonzalez, G., Hernandez, J.M., Isabel, B., Lopez Bote, C., Rey, I.A., Rodriguez, M., Sanz, J., Soto-Salanova, M.F., Weber, G. (2012) Optimum vitamin nutrition – In the production of quality animal foods.
  3. Crespo, R. (2020) Fatty liver hemorrhagic syndrome in poultry. https://www.merckvetmanual.com/poultry/fatty-liver-hemorrhagic-syndrome/fatty-liver-hemorrhagic-syndrome-in-poultry?query=fatty%20liver Consulted February 5th
  4. Crespo, R., Shivaprasad, H.L. (2008) Developmental, metabolic, and other noninfectious disorders. Chapter 30 in Diseases of Poultry, 12th edition, Edited by Saif, Y.M.
  5. Dong, X.F., Zhai, Q.H., Tong, J.M. (2019) Dietary choline supplementation regulated lipid profiles of egg yolk, blood, and liver and improved hepatic redox status in laying hens. Poultry science 98: 3304-3312.
  6. Gilman, G.G. e.a. (1990) Choline. In: The pharmaceutical basis of therapeutics, p 1542-1544.
  7. Griffith, M., Olinde, A.J., Schexnailder, R., Davenport, R.F., McKnight, W.F. (1969) Effect of choline, methionine and vitamin B12 on liver fat, egg production and egg weight in hens. Poultry science 48(6): 2160–2172.
  8. Hossain, M.E., Das, G.B. (2014) Effects of supplemental choline on deposition of cardiac, hepatic and abdominal fat in broiler. Bangladesh journal of animal science 43(2): 118-122.
  9. Howard, J.L. (1986) Vitamins in food animal nutrition. Current Veterinary Therapy, Food Animal Practice 290.
  10. Igwe, I.R., Okonkwo, C.J., Uzoukwu, U.G., Onyenegecha, C.O. (2015) The effect of choline chloride on the performance of broiler chickens. Annual research & review in biology 8(3).
  11. Kahn, C.M. (2005) The Merck Veterinary Manual 9th Chapter Poultry – Fatty liver syndrome page 2226-2227.
  12. Khosravinia, H., Chethen, P.S., Umakantha, B., Nourmohammadi, R. (2015) Effects of lipotropic products on productive performance, liver lipid and enzymes activity in broiler chickens. Poultry science journal 3(2): 113-120.
  13. Kpodo, K.R. (2015) Dietary supplementation of choline and betaine in heat-stressed broilers. Thesis for the master of science degree at the University of Tennessee, Knoxville.
  14. Krishnan Rajalekshmy, P. (2010) Effects of dietary choline, folic acid and vitamin B12 on laying hen performance, egg components and egg phospholipid composition. Theses and dissertations in animal science. 21.
  15. March, B.E. (1981) Choline supplementation of layer diets containing soybean meal or rapeseed meal as protein supplement. Poultry science 60: 818-823.
  16. Mendoca, C.X., Guerra, E.M., de Oliveira, C.A. (1989) Suplementação de colina para poedeiras comerciais Hisex Brown e hisex White. 2. Deposição de gordura hepática e níveis de lipídeos plasmáticos. Revista da faculdade de medicina veterinaria e zootecnia da universidade de Sao Paolo 26(1): 93-103.
  17. Ramo Rao, S.V., Sunder, G.S., Reddy, M.R., Praharaj, N.K., Raju, M.V., Panda, A.K. (2001) Performance of broiler chicken in early life on methionine deficient feed with added choline and betaine. British poultry science 42(3): 362-367.
  18. Saeed, M., Alagawany, M., Asif Arain, M., El-Hack, M.E.A., Dhama, K. (2017) Beneficial impacts of choline in animal and human with special reference to its role against fatty liver syndrome. Journal of experimental biology and agricultural sciences 5(5): 589-598.
  19. Schexnailder, R., Griffith, M. (1973) Liver fat and egg production of laying hens as influenced by choline and other nutrients. Poultry science 52: 1188-1194.
  20. Shini, S. (2014) Fatty liver haemorrhagic syndrome in laying hens: field and experimental investigations. A thesis submitted for the degree of Doctor of Philosophy at The University of Queensland.
  21. Shini, S., Shini, A., Bryden, W.L. (2019a) Unravelling fatty liver haemorrhagic syndrome: 1. Oestrogen and inflammation. Avian pathology 49(1): 87-98.
  22. Shini, S., Shini, A., Bryden, W.L. (2019b) Unravelling fatty liver haemorrhagic syndrome: 2. Inflammation and pathophysiology. Avian pathology 49(2): 131-143.
  23. The poultry site – fatty liver haemorrhagic syndrome. 06-05-2020. https://thepoultrysite.com/articles/fatty-liver-haemorrhagic-syndrome
  24. Trott, K.A., Giannitti, F., Rimoldi, G., Hill, A., Woods, L., Barr, B., Anderson, M., Mete, A. (2014) Fatty liver hemorrhagic syndrome in the backyard chicken: a retrospective histopathological case series. Veterinary pathology 51(4): 787-795.
  25. Whitehead, C.C. (1979) Nutritional and metabolic aspects of fatty liver disease in poultry. The veterinary quarterly 1(3): 150-157.
  26. Workel, H.A., Keller, T., Reeve, A., Lauwaerts, A. (2002) Choline – the rediscovered vitamin for poultry. The poultry site. https://thepoultrysite.com/articles/choline-the-rediscovered-vitamin-for-poultry.

Parasieten bij landbouwhuisdieren; samenvatting en targeted treatments

Het Technical Support team van Dopharma heeft al enkele artikelen geschreven over infecties met wormen en protozoën bij landbouwhuisdieren. In dit artikel wordt een samenvatting gegeven van de eerder verschenen artikelen en wordt het idee van targeted treatments onder de aandacht gebracht.

parasieten-bij-landbouwhuisdieren-samenvatting-en-targeted-treatments

Pluimvee

Worminfecties bij pluimvee

Bij pluimvee zijn worminfecties vooral van belang bij leghennen en ouderdieren. Sinds dieren in scharrelsystemen gehouden worden, is er een toegenomen blootstelling aan mest, waardoor de infectiedruk sneller kan toenemen. Ook de toename van uitloopbedrijven is van invloed op de incidentie van parasitaire aandoeningen, vooral bij de wormsoorten waarbij een tussengastheer een rol kan spelen, zoals de grote spoelworm.

Worminfecties zijn vooral belangrijk door de gevolgen die ze hebben op de productie. Een enkele keer komen klinische verschijnselen voor. Daarnaast kunnen wormen een rol spelen in de overdracht van infectieuze agentia, zoals Histomonas. De meest voorkomende wormsoort is de grote spoelworm (Ascaridia galli). Andere wormen worden echter ook met regelmaat gevonden. Het bepalen van het type worm is van belang voor de behandeling en preventie. In Nederland zijn alleen benzimidazolen geregistreerd. Flubendazol (Feedmix flubendazol 0,6%) is werkzaam tegen alle inwendige stadia van A. galli (eieren, larven en volwassen wormen). Strategisch ontwormen wordt vaak iedere zes weken gedaan. Dit is gebaseerd op de cyclus van A. galli. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat de cyclus ook in vier á vijf weken doorlopen kan worden. Bovendien is dit interval ook te lang voor andere wormsoorten. Het interval kan verkort worden, of er kan gekozen worden voor targeted treatments, waarover later meer.

Coccidiose bij pluimvee

Coccidiose komt zowel in de leg- als vleessector voor. De subklinische vorm van coccidiose is economisch erg belangrijk omdat het kan leiden tot groeiachterstand en een predisponerende factor kan zijn voor het optreden van dysbacteriose. Klinische infecties komen echter ook voor. De OPG (oöcysten per gram feces) kan in mest bepaald worden, maar er is een slechte correlatie tussen de OPG en de impact van een infectie in de koppel. Preventie is lastig omdat oöcysten vrijwel overal voorkomen en geïnfecteerde dieren grote aantallen oöcysten uitscheiden. Vaccinatie is een mogelijkheid, maar vrij kostbaar. Er is ook veel onderzoek gedaan naar het gebruik van voedermiddelen of toevoegingsmiddelen, maar er zijn nog geen overtuigende resultaten behaald. De behandeling van coccidiose vindt meestal plaats met toltrazuril (Dozuril® 25 mg/ml), maar ook sulfonamiden (sulfadimidine en sulfaquinoxaline) zijn goed werkzaam.

Voor meer informatie verwijzen we u naar de artikelen over worminfecties en coccidiose bij pluimvee.

Varken

Worminfecties bij varkens

Bij varkens komen verschillende wormen voor, maar het belang van de spoelworm Ascaris suum is het grootst. Hoewel er bij een infectie vaak weinig klinische verschijnselen voorkomen, kan er wel economische schade optreden door een verhoogde voederconversie, een lagere groei, afkeuringen van levers en kosten voor medicatie. Ook kan de kans op secundaire bacteriële luchtweginfecties toenemen en is er een negatief effect op de Mycoplasma hyopneumoniae vaccinatie. Door een toename van het aantal bedrijven met strobedding en buitenuitloop kan de prevalentie van deze parasiet toenemen. Het aantal eitjes dat uitgescheiden wordt met de mest geeft een indruk van de mate van infectie door A. suum. Het aantal eitjes is namelijk gecorreleerd met het aantal aanwezige volwassen wormen. Er is echter geen correlatie met de hoeveelheid migrerende larven, terwijl juist deze de meeste schade veroorzaken. Met een ELISA kan A. suum-hemoglobine worden aangetoond. Nadeel van deze test is dat deze pas vier weken na infectie positief wordt. Preventie van ascariasis op varkensbedrijven is moeilijk, vooral door het grote aantal eitjes dat wordt uitgescheiden en de lange levensduur van infectieuze eitjes in de omgeving. Reiniging met hoge druk en stoom in combinatie met enkele dagen leegstand is effectief om afdelingen schoon te krijgen maar is praktisch moeilijk uitvoerbaar. Een intensief behandelschema op een gesloten bedrijf kan bestaan uit het ontwormen van zeugen voordat ze in het kraamhok komen, gespeende biggen op zes weken leeftijd en vleesvarkens bij opleg en daarna met een interval van vijf tot zes weken. Zelfs op bedrijven waar een intensief ontwormingsschema wordt ingezet, kan het tot een jaar duren voordat het percentage afgekeurde levers in het slachthuis gaat dalen. Beschikbare producten bevatten flubendazol (Feedmix flubendazol 0,6%, Flubendazol 5% topdressing), levamisol (Leva Oraal 10%) of ivermectine (Iverveto 1%).

Coccidiose bij varkens

Coccidiose wordt meestal veroorzaakt door Isospora suis. De prevalentie op Europese bedrijven is hoog; 68 – 100% van de bedrijven en 29 – 53% van de tomen is geïnfecteerd. Coccidiose komt voor tot een leeftijd van 40 dagen, maar problemen treden vooral één tot twee weken na de geboorte op. Coccidiose is een economisch belangrijke aandoening; ook subklinische infecties hebben een negatieve invloed op de groei. De darmschade wordt veroorzaakt tijdens de prepatentperiode, dus voordat verschijnselen worden gezien. Dit verklaart waarom de meeste biggen behandeld worden op een leeftijd van 3 – 5 dagen, zodat problemen worden voorkomen. Deze behandeling zorgt niet alleen voor een daling van het aantal oöcysten en een verbetering van de consistentie van de feces, maar heeft ook een positieve invloed op de groei en voederconversie op de lange termijn. Toltrazuril (Dozuril® 50 mg/ml) is de meest gebruikte en meest aangewezen werkzame stof. Een andere belangrijke preventieve maatregel is het reinigen van de hokken; de parasieten worden vermoedelijk van de ene op de andere toom overgedragen via oöcysten in de kraamhokken.

Voor meer informatie verwijzen we u naar de artikelen over worminfecties en coccidiose bij varkens.

Rund

Worminfecties bij runderen

De belangrijkste maagdarmwormen bij het rund zijn nematoden, waaronder de lebmaagworm Ostertagia ostertagi en Cooperia oncophora. Ook lintwormen kunnen voorkomen in het maagdarmkanaal. Longworm (Dictyocaulus viviparus) is ook een belangrijke aandoening bij rundvee. Tot slot komt Fasciola hepatica voor, de veroorzaker van de aandoening leverbot. De diagnose is lastig, omdat de meeste methoden (mestonderzoek, ELISA) pas een positief resultaat geven als er volwassen wormen zijn. Pepsinogeenbepalingen van het plasma kunnen ook uitgevoerd worden in het geval van de lebmaagworm. Een goed weidemanagement is de belangrijkste preventieve maatregel. Voor longwormen is dit echter in de praktijk erg lastig omdat de cyclus zo snel verloopt dat de wei na één week al besmet is. Een alternatief is om te vaccineren tegen longwormen. Een curatieve of metafylactische behandeling kan uitgevoerd worden met benzimidazolen, imidazothiazolen (Leva Oraal 10%), macrocylische lactonen (Dophamec® cattle pour-on, Iverveto 1%), salicylanilides of benzeensulfonamiden. Bij de meeste worminfecties loopt de schade voor de veehouder snel op. Een verminderde melk- en vleesproductie, soms gepaard gaande met een verhoogde afkeuring op het slachthuis, maakt dat een goede wormbehandeling zeker zijn geld opbrengt.

Coccidiose bij runderen

Coccidiose wordt veroorzaakt door Eimeria spp, waarvan E. bovis en E. zurnii als meest pathogeen worden gezien. E. alabamensis is echter ook gerelateerd aan ernstige diarree. De GD schat dat coccidiose in Nederland op vrijwel alle bedrijven voorkomt. Mestonderzoek uitgevoerd in Nederland (2007-2011) liet zien dat coccidiose op 67% van de bedrijven en in 62% van de monsters voorkomt. Verschijnselen worden gezien bij kalveren en jongvee, vooral op de leeftijd van drie weken tot zes maanden. De economische schade wordt vooral veroorzaakt door kalveren die subklinisch geïnfecteerd zijn: een vertraging van de groei en langetermijneffecten op de vruchtbaarheid. Preventie is lastig omdat de meeste desinfectiemiddelen niet werken tegen oöcysten. Hygiëne is een zeer belangrijke factor; orale opname van mest of met mest gecontamineerd voer moet worden voorkomen. Coccidiose kan behandeld worden met producten met sulfonamiden, diclazuril of toltrazuril, maar in Nederland zijn alleen producten met toltrazuril geregistreerd. Een metafylactische behandeling wordt meestal gedurende de prepatentperiode gegeven, omdat dit het moment is waarop schade optreedt.

Cryptosporidiose bij runderen

Cryptosporidiose wordt veroorzaakt door Cryptosporidium spp. De meest voorkomende species, vooral bij jonge kalveren, is C. parvum. Andere veelvoorkomende species zijn C. bovis en C. andersoni. De prevalentie in Europese landen is hoog. Daarnaast is cryptosporidiose niet alleen van belang voor het dier, maar is het ook een zoönose. Klinische verschijnselen door cryptosporidiose komen meestal voor op de leeftijd van 3 – 45 dagen, maar worden vooral gezien op dag 5 – 15. Kalveren kunnen geïnfecteerd raken door volwassen dragers of door andere kalveren (direct of indirect). Het optreden van cryptosporidiose is afhankelijk van tal van risicofactoren, waaronder contact met de koe, de biestvoorziening en de hygiëne van de kalverhokken. Er zijn verschillende methoden om de diagnose aan de hand van de mest vast te stellen. Het enige in Nederland geregistreerde product voor de preventie of reductie van diarree door Cryptosporidium parvum is gebaseerd op halofuginone lactaat. Paromomycine is ook effectief. Naast een curatieve behandeling wordt ook aangeraden om de dieren te behandelen met een NSAID zoals meloxicam (Melovem® 5 mg/ml, Melovem® 20 mg/ml en Melovem® 30 mg/ml).

Voor meer informatie verwijzen we u naar de artikelen over worminfecties en cryptosporidiose en coccidiose bij rundvee.

Targeted treatments

In het artikel over wormen bij rundvee werd al een stukje geschreven over targeted treatments. Hierbij vindt een behandeling plaats op basis van bepaalde parameters, zoals de uitslagen van mestonderzoek. Recent is hierover ook een interessant artikel verschenen voor toepassing bij pluimvee. Beide artikelen worden hieronder besproken.

Pluimvee

Het meest toegepaste schema voor het ontwormen van kippen kent een interval van zes weken, gebaseerd op de prepatentperiode van A. galli. In een recente studie is echter aangetoond dat de prepatentperiode slechts vier tot vijf weken is. Behandeling met flubendazole is effectief tegen alle stadia. Desondanks is gebleken dat er snel een herinfectie optreedt. Larven werden al gevonden op dag zeven na de behandeling en volwassen wormen op dag 28 [1]. Dezelfde onderzoekers hebben vervolgens verschillende behandelschema’s vergeleken. Ze geven aan dat er vaak ontwormd wordt als de infectiedruk en EPG al hoog zijn, en de omgeving dus al sterk gecontamineerd is met wormeieren. Als alternatief hebben ze de effectiviteit van targeted treatments getest. Hierbij werd tweewekelijks mestonderzoek uitgevoerd en werd er behandeld wanneer de EPG hoger was dan 200. Het resultaat is dat de infectiedruk in de omgeving niet oploopt [2]. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met andere worminfecties. Voor sommige wormsoorten wordt geadviseerd te behandelen bij een EPG van 50. Voor meer informatie hierover verwijzen we naar het artikel over worminfecties bij pluimvee.

Herkauwers

Bij herkauwers zijn er twee vormen van targeted treatments. Bij de standaard vorm wordt de hele koppel behandeld op basis van mestonderzoek, serum pepsinogeen bepalingen of productieresultaten, zoals groei. Deze productieparameters zijn echter niet specifiek. Bij “selective targeted treatments” wordt ook behandeld op basis van parameters, maar worden dieren individueel behandeld.

De auteur raadt aan om geen strikte grenswaarden te hanteren waarboven behandeld wordt, maar een basale waarde per bedrijf vast te stellen en te behandelen op basis van een trendanalyse.

Het is lastig om te bepalen wat de return on investment is van targeted treatments. Doorgaans zijn er minder behandelkosten, maar meer kosten voor diagnostiek. Op de lange termijn is daarnaast ook de invloed op de ontwikkeling van resistentie van belang. Er is één studie waarin een positief effect wordt aangetoond, maar dit is per bedrijf verschillend, en onder andere afhankelijk van de infectiedruk [3].

Conclusie

Kortom, parasitaire infecties zijn economisch en klinisch belangrijke aandoeningen in zowel pluimvee, varkens als runderen. Dopharma hoopt met het brede assortiment aan antiparasitaire producten een bijdrage te kunnen leveren aan het voorkómen en behandelen van deze infecties.

Voor meer vragen kunt u terecht bij het Technical Support Team, of de afdeling Customer Service.

Referenties

Voor een overzicht van de referenties van de eerste drie paragrafen wordt verwezen naar de originele artikelen op onze website.

  1. Tarbiat, B., et al., The efficacy of flubendazole against different developmental stages of the poultry roundworm Ascaridia galli in laying hens. Vet Parasitol, 2016. 218: p. 66-72.
  2. Tarbiat, B., et al., Comparison between anthelmintic treatment strategies against Ascaridia galli in commercial laying hens. Vet Parasitol, 2016. 226: p. 109-15.
  3. Charlier, J., et al., Practices to optimise gastrointestinal nematode control on sheep, goat and cattle farms in Europe using targeted (selective) treatments. Veterinary record, 2014: p. 250-255.

Kalvermeeting: Diagnose van BRD, hoe pakken we dit het best aan?

Luchtwegproblemen zijn niet weg te denken uit de vleeskalverhouderij. Vereiste nummer één voor een verantwoord antibioticagebruik bij respiratoire infecties is natuurlijk het stellen van een goede diagnose.

Ter ondersteuning hiervan organiseerde Dopharma een dag voor Belgische en Nederlandse dierenartsen uit de vleeskalversector over het toepassen van enkele diagnostische methoden bij infectieuze pneumonie bij kalveren.  

Bovine respiratory disease

Bovine respiratory disease (BRD) is een ziektecomplex van de bovenste en onderste luchtwegen dat vaak voorkomt bij vleeskalveren. Een juiste diagnose is noodzakelijk voor het inzetten van een goede behandeling.

Broncho-alveolaire spoeling

Naast het klinisch onderzoek met thermometer en stethoscoop, kan bijkomend diagnostisch onderzoek nuttige informatie opleveren. Laboratoriumdiagnostiek als het nemen van nasofaryngale swabs of broncho-alveolaire spoeling (BAL) dragen zeker bij aan het stellen van een goede diagnose. Maar terwijl het voor sommige onder ons dagelijkse routine is, is het uitvoeren van een BAL voor anderen toch net een brug te ver. Daarom kregen kalverdierenartsen tijdens de praktische sessie de kans om een BAL te oefenen onder deskundige begeleiding.

Toch wordt bijkomend diagnostisch onderzoek niet altijd uitgevoerd. Argumenten als kosten en tijd voordat een uitslag bekend is, spelen dikwijls een rol bij het niet inzetten. Redenen die voor echografie van de longen niet aangehaald kunnen worden.

Echografie

Transcutane echografie van het longveld kan helpen bij het opsporen van pneumonie en het beslissen of al dan niet antibiotica dienen ingezet te worden.

Vele praktijken bezitten een echo om de voortplanting bij koeien of paarden te kunnen opvolgen. Deze toestellen kunnen ook gebruikt worden als diagnostisch middel bij kalveren. Dus het aanschaffen van een dure echo is niet nodig, met behulp van een lineaire sonde kom je al een heel eind.

Diagnose door middel van echografie is niet alleen weggelegd voor meer ervaren dierenartsen. Tijdens de oefensessie in de kalverstal werd al vlug duidelijk dat ook minder ervaren collega’s met behulp van de beslisboom die werd aangereikt tijdens de sessie, de echografiebeelden relatief makkelijk kunnen interpreteren.

Thoracale echografie is geen gouden standaard. Het verdient echter wel een plaats tussen de diagnostische middelen om infectieuze pneumonie te detecteren en te beoordelen.

Worminfecties en de behandeling hiervan bij rundvee

Worminfecties bij runderen komen veel voor. Deze belangrijke aandoening geeft een aantal klinische symptomen, maar kan ook subklinisch voorkomen en grote economische schade veroorzaken. In dit artikel worden de belangrijkste worminfecties bij rundvee besproken en worden de mogelijkheden voor behandeling en preventie samengevat.

Maagdarmwormen

Trichostrongylidae (nematoden) zijn de meest voorkomende wormen bij het rund. De bekendste en schadelijkste is Ostertagia ostertagi (lebmaagworm), maar ook Cooperia oncophora kan voorkomen. [1, 2]. Daarnaast komen er cestoden (lintwormen) voor bij het rund.

Nematoden

Ostertagia ostertagi

Naam Ostertagia ostertagi
PPP1 2-3 weken [1]
Predilictieplaats Lebmaag
Moment van verschijnselen Tweede helft van het weideseizoen (juli / augustus)

Tijdens stalperiode door activatie geïnhibieerde larven (februari-mei)

Verschijnselen Kalveren: groeivertraging, slechte eetlust en diarree, een gezwollen buik.

Volwassen koeien: daling van de melkproductie [1, 2].

Bij activatie van geïnhibieerde larven is slechts een deel van de koppel aangetast [1].

Pathologie Hypertrofische gastritis met verlies van sterkte van thight junctions in de lebmaag. De larven zullen in de lebmaag zorgen voor vervanging van de zoutzuur en pepsinogeen producerende cellen door slijm producerende cellen, waardoor de pH in de lebmaag zal toenemen en de eiwitvertering verstoord raakt. Door de hogere pH kan de hoeveelheid bacteriën in de lebmaag ook toenemen [1]. Ook kan een anemie en/of hypoalbuminemie voorkomen [1, 2]

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.

Een infectie treedt op door opname van L3. De larven penetreren de kliercellen in de fundus van de lebmaag. In een periode van twee weken ontwikkelen de larven zich tot jong volwassen wormen die volwassen worden op het slijmvlies [1].
De vroege L4 stadia kunnen in inhibitie gaan. Door het lage metabolisme kunnen ze langer overleven dan de volwassen wormen. Larven die vanaf het najaar worden opgenomen gaan grotendeels in inhibitie en hervatten de ontwikkeling pas aan het eind van de winter. Bij dieren die al een immuniteit ontwikkeld hebben gaat een groter deel van de larven in inhibitie dan bij naïeve dieren [1].

Klinische verschijnselen worden vooral gezien in de tweede helft van het weideseizoen (juli/augustus). De dieren komen al eerder in contact met wormeieren, maar doorgaans is de infectiedruk pas hoog genoeg om verschijnselen te veroorzaken na een eerste cyclus in de gastheer en de daaropvolgende ontwikkeling van wormeieren tot L3 op het land [1, 2].

Wormeieren aantonen in de mest is mogelijk, maar pas vanaf vijf tot tien weken na de eerste blootstelling is er een correlatie tussen het aantal eieren en het optreden van verschijnselen. Pepsinogeenbepalingen van het plasma kunnen ook uitgevoerd worden. Bij een ernstige infectie kan er namelijk pepsinogeen door de maagwand lekken en in de bloedbaan terecht komen [1].

Om problemen te voorkomen kunnen de kalveren langer op stal gehouden worden. In het voorjaar neemt het aantal overwinterde larven op de wei namelijk snel af. Door het land te maaien voordat de kalveren naar buiten gaan kan de infectiedruk ook verlaagd worden. Wanneer een behandeling wordt ingezet is het bij deze wormsoort extra belangrijk dat er gekozen wordt voor een anthelminthicum dat effectief is tegen zowel de volwassen als larvale stadia [1].

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-rundvee-ostertagia

Figuur 1 Pathologisch beeld Ostertagia.

Cooperia oncophora

Cooperia oncophora komt voor bij rundvee, maar is minder pathogeen dan de Ostertagia ostertagi. Deze worm wordt gevonden in de dunne darm. De cyclus en ontwikkeling zijn vergelijkbaar met die van de Ostertagia ostertagi, incl. de inhibitie van L4 [1].

Cestoden

Moniezia spp is de bij herkauwers voorkomende lintworm. Deze wormen kunnen tot een meter lang worden, maar zijn eigenlijk niet pathogeen. De diagnose kan bevestigd worden door het aantonen van wormeieren of proglottiden in de mest [1].

Echinococcus granulosus is een worm die klinisch van belang is bij honden. Herkauwers zijn tussengastheer van deze wormsoort. Een besmetting kan leiden tot de vorming van blaaswormen in de lever en longen. Deze worden aan de slachtlijn bij 0,1% van de dieren gevonden, doorgaans als toevalsbevinding [1].

Longwormen

Naam Dictyocaulus viviparus
PPP1 24 – 25 dagen [3]
Predilictieplaats Longen
Moment van verschijnselen Vanaf augustus
Verschijnselen Hoesten en benauwdheid. Daarnaast kunnen meer andere respiratoire infecties voorkomen [2].

Dictyocaulus

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.

Dictyocaulus viviparus is de belangrijkste longworm in Nederland die problemen kan veroorzaken bij kalveren en volwassen runderen [3].
De cyclus is direct; wormeieren of L1 worden opgehoest en doorgeslikt en komen vervolgens als L1 in de mest terecht. De ontwikkeling tot L3 duurt ongeveer één week. De L3 stadia migreren via de schimmel Pilobolus spp naar het gras. Na opname penetreren deze larven de darmwand en migreren via de lymfe en het bloed naar de longen. Deze trektocht duurt ongeveer –zeven tot negen dagen. Als de larven in de bronchi aankomen ontwikkelen ze zich tot volwassen wormen [3]. De wormen of larven overwinteren in Nederland niet of nauwelijks op de wei. Het land wordt meestal in het voorjaar geïnfecteerd door dragers. Op de meeste bedrijven met weidegang komen wel enkele dragers voor [3].

De klinische verschijnselen starten al tijdens de migratiefase door de longen en de ernst is afhankelijk van het aantal larven en volwassen wormen. Meestal is de eerste besmetting te licht om verschijnselen te veroorzaken, maar stijgt de infectiedruk na de eerste cyclus dusdanig dat er na opname van deze larven wel verschijnselen optreden. Meestal treedt dit vanaf augustus op [2].

Verschijnselen bij volwassen dieren noemt men het larvale herinfectiesyndroom. De dieren hoesten door migrerende larven, maar deze worden niet volwassen door de al opgebouwde immuniteit. Er kunnen wel overgevoeligheidsreacties optreden. Dit wordt ook wel longjacht genoemd en leidt tot longoedeem en een acute dyspneu. Dit treedt vooral op bij zeer hoge besmettingen van de wei in de zomermaanden [3].

Tegen volwassen wormen wordt snel immuniteit opgebouwd, maar er is geen leeftijdsresistentie [3].
De diagnostiek is lastig, omdat de meeste methoden (mestonderzoek, ELISA) pas positief zijn als er volwassen wormen zijn. Tijdens de prepatentperiode of een larvaal herinfectiesyndroom zijn deze testen negatief [3]. Als mestonderzoek wordt uitgevoerd moet dit minimaal tien dagen na de eerste klinische verschijnselen worden gedaan [2].

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-rundvee-dictyocaulus

Figuur 2 Dictiocaulus

Trematoden

Fasciola heptica

Naam Fasciola heptica
Moment van verschijnselen Acute leverbot: najaar.

Chronische/subacute leverbot: eind winter/begin voorjaar [4, 5].

Verschijnselen Melkvee: verminderde eetlust, daling van de melkproductie of een langere tussenkalftijd.

Jongvee: groeivertraging

Algemeen: soms treedt icterus op en door een verslechtering van de immuniteit kan de incidentie van Salmonella spp infecties toenemen [4, 5].

Pathologie Driehoekslever: door leverfibrose wordt de linker lob van de lever kleiner en door compensatoire hyperplasie wordt de rechter lob groter.

Verkalking van de galgangen [4].

De belangrijkste trematode is Fasciola hepatica (leverbot). Het voorkomen van deze parasiet is seizoensgebonden en afhankelijk van de tussengastheer: het slakje Lymnaea truncatula. Deze leeft alleen in een vochtige omgeving. Infectie van de slak door trilhaarlarven(miracidia) van de leverbot vindt alleen plaats bij temperaturen hoger dan 10˚C, omdat de ontwikkeling van ei tot larve alleen dan kan plaatsvinden. Normaal gesproken loopt deze periode van april tot november, maar door de milde winters wordt deze periode in Nederland steeds langer. In Nederland is de infectiedruk op het land het hoogst in het najaar [4, 6].

Na een infectie zullen de juveniele botjes de darmwand binnendringen, maar hierbij treedt nauwelijks schade op. De meeste botjes gaan via de serosa en de buikholte naar de lever, waar ze het leverkapsel penetreren. Een deel zal echter via de poortader naar de lever migreren. In de lever veroorzaken ze schade door de zoektocht naar de galgangen.  De trektocht door de lever duurt ongeveer –zes tot acht weken. Ook in de galgangen veroorzaken de leverbotten schade. De stekelige cuticala en de uitscheiding van toxische afvalstoffen zorgen voor irritatie van de mucosa [4].

Antilichamen tegen de volwassen wormen kunnen aangetoond worden, maar hiermee wordt alleen aangetoond dat de dieren ooit in contact zijn geweest met deze wormen. Mestonderzoek kan ook worden uitgevoerd, maar wormeieren worden pas gevonden als de volwassen botten in de galgangen zijn aangekomen [4]. Het groot aantal afgekeurde levers in het slachthuis kan ook een indicatie zijn voor het voorkomen van leverbotproblemen op een bedrijf.

Dieren die op een besmette weide lopen kunnen het beste omgeweid worden. Daarnaast is een goede afwatering belangrijk om de populatie van slakjes zo klein mogelijk te houden [4]. Behandeling met triclabendazol wordt steeds lastiger i.v.m. resistentie [5, 7-9]. De Gezondheidsdienst in Deventer adviseert daarom alleen te behandelen na bevestiging van de diagnose door bloed- of mestonderzoek [7]. Een behandeling met closantel of clorsulan werkt echter alleen tegen volwassen stadia en is niet toegestaan bij melkgevende koeien. Via de cascade wordt soms oxyclozanide of albendazol ingezet. [5]. Deze middelen mogen gebruikt worden bij melkgevende koeien, maar zijn ook alleen effectief tegen de volwassen leverbotten [8].

Preventie & Behandeling

Beweiding

Een wei wordt als veilig van maagdarmwormen gezien gedurende de eerste drie weken in het vroege voorjaar. Als de dieren er langer dan twee weken hebben gelopen kan de wei besmet zijn. In de periodes tussen half maart en half juni en tussen half september en begin november is dit drie weken. Om een infectie te voorkomen zouden de dieren binnen deze periode omgeweid moeten worden. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met de omstandigheden; als het warm en vochtig is kan de ontwikkelingscyclus korter zijn. Tussen begin november en half maart is er eigenlijk geen ontwikkeling van larven op de wei [10].

Bij longwormen gaat de cyclus sneller; in de zomer ontwikkelen de eieren zich binnen één week tot larve. Deze infectieuze larven blijven in de zomer enkele weken in leven. In de winter is de ontwikkeling iets trager, maar blijven de larven langer in leven. Overleving gedurende de hele winter is in de literatuur beschreven, maar komt in Nederland waarschijnlijk niet voor. Omweiden om longwormen te voorkomen is lastig omdat de dieren maximaal één week op een weide mogen verblijven. De periode dat de weide leeg moet zijn is met zes weken relatief kort, maar dit is weer te kort voor een beweidingsschema waarbij ook rekening gehouden wordt met maagdarmwormen [11].

Vaccineren

Preventief kan er tegen longworm (L3) worden gevaccineerd. Het vaccin wordt twee keer toegediend, zes en twee weken voordat de dieren de wei op gaan. Om na vaccinatie een langdurige immuniteit te krijgen is het echter wel nodig dat de dieren geïnfecteerd worden met larven van longwormen [2, 3, 11]. Vaccinatie kan gecombineerd worden met preventief ontwormen, maar niet met bolussen die een lange (>60 dagen) werkingsduur hebben [11].

Anthelmintica

De meeste middelen die in Nederland op de markt zijn, zijn in drie groepen te verdelen: benzimidazolen, imidazothiazolen en macrocyclische lactonen. Daarnaast zijn er nog producten met salicylaniliden of benzeensulfonamiden geregistreerd.

Benzimidazolen (febantel, fenbendazol, oxfendazol) zijn opgebouwd uit een imidazole- en benzeenring. Deze stoffen werken door binding aan tubulines. Tubulines zijn gerangschikt in een polymeerstructuur waardoor buisvormige structuren worden gevormd, die bekend staan als microtubuli. De microtubuli zijn verantwoordelijk voor het transport van nutriënten zoals glucose. Door binding aan de tubulines wordt voorkomen dat microtubuli worden gevormd. Dit zal leiden tot een ATP-tekort. Het spectrum van de oude moleculen is smal: volwassen stadia van strongyloïden, trichostrongyloïden en ascaridia. Alle nieuwe moleculen hebben een veel breder spectrum en zijn ook werkzaam tegen larvale stadia van strongyloïden, trichostrongyloïden, longwormen en sommige cestoden. Triclabendazole en albendazol zijn ook effectief tegen leverbot. Triclabendazole heeft een afwijkend spectrum en is niet effectief tegen nematoden, maar wel tegen alle stadia van Fasciola hepatica. Benzimidazolen hebben een ruime veiligheidsmarge. Resistentie tegen benzimidazolen komt in de praktijk voor, waarbij er vaak volledige kruisresistentie is [12, 13].

Imidazothiazolen werken door stimulatie van de cholinerge receptoren. Dit leidt tot paralyse van de parasieten. De enige in Nederland beschikbare imidazothiazole is levamisol. Levamisol is werkzaam tegen de meeste volwassen en larvale stadia van gastro-intestinale nematoden en longwormen [12]. De veiligheidsmarge van levamisol is vrij smal, maar bij toediening van de normale dosering worden doorgaans geen problemen gezien [14].
Naast de anthelmintische werking van levamisol is ook een immunostimulerende werking beschreven. Zo zorgt de toediening van 6 mg levamisol per kg lichaamsgewicht voor een betere antilichaamrespons na een IBR vaccinatie [15].

Macrocyclische lactonen worden onderverdeeld in avermectines (ivermectine, doramectine, eprinomectine) en milbemycines (moxidectine). Het werkingsmechanisme is gebaseerd op opening van de postsynaptische chloridekanalen, met paralyse tot gevolg. Deze moleculen zijn werkzaam tegen volwassen en larvale stadia van alle belangrijke nematoden en trichostrongyloïden. Tegen trichostrongyloïden hebben ze een residueel effect. Na een behandeling met ivermectine worden de dieren gedurende twee tot drie weken beschermd tegen een herinfectie met Osteragia ostertagi en één tot twee weken tegen Cooperia spp . Tegen longworm is er een residueel effect dat minimaal drieweken duurt [16]. Daarnaast zijn ze werkzaam tegen bloedzuigende ectoparasieten en horzellarven [12].

Salicylanilides (closantel) zorgen voor ontkoppeling van de oxidatieve fosforylering en interfereren dus met de energieproductie van parasieten. Closantel is effectief tegen leverbot, horzellarven, bloedzuigende nematoden en enkele andere ectoparasieten. De veiligheidsmarge van deze stof is smal [12].

Benzeensulfonamiden (clorsulon) werken tegen leverbot. Ze voorkomen dat de parasiet opgenomen glucose kan gebruiken door remming van het enzym phosphoglyceraat kinase [12].

Ontwormen

Bij de meeste worminfecties loopt de schade voor de veehouder snel op. Een verminderde melk- en vleesproductie, soms gepaard gaande met een verhoogde afkeuring op het slachthuis, maakt dat een goede wormbehandeling zeker zijn geld opbrengt.
Als er preventief wordt ontwormd, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat er tussen het ontwormen wel een opbouw van immuniteit mogelijk is. Dit kan door het toepassen van puls release bolussen of het zelf toedienen van diergeneesmiddelen met een bepaald interval [17].
De vijf belangrijkste punten waarop gelet moet worden bij het ontwormen zijn:

  • De juiste werkzame stof: hierbij is zowel het spectrum van het product als het voorkomen van resistentie belangrijk.
  • Het juiste dier: Dieren voor het spenen ontwormen heeft niet zoveel zin. Volwassen dieren ontwormen is vaak niet nodig. Preventief ontwormen is het belangrijkst bij jongvee.
  • Behandel op het juiste moment: houd hierbij rekening met het beweidingsschema, het type dier en het seizoen.
  • Dien de juiste dosering toe: bekijk hiervoor de SPC.
  • Pas de juiste toedieningsmethode toe: dien het diergeneesmiddel toe zoals in de SPC wordt vermeldt [18].

In de tabel hieronder worden standaard behandelschema’s voorgesteld die gebruikt kunnen worden voor strategische ontworming van trichostrongyloïden en longwormen.

Werkzame stof Standaard preventief ontwormschema[12]
Benzimidazolen of levamisol 3 + 6 + 9 weken na start beweiding
Ivermectine of eprinomectine 3 + 8 weken na start beweiding

of 0 + 6 weken na start beweiding

Doramectine 0 + 8 weken na start beweiding
Moxidectine 0 + 10 weken na start beweiding

Resistentie

Resistentie tegen anthelmintica komt steeds vaker voor [19, 20]. Uit een onderzoek van de Gezondheidsdienst is echter gebleken dat er in Nederland nog nauwelijks resistente pathogene maagdarm- en longwormen voorkomen. Er werden wel enkele resistentie Coopheria oncophora en Fasciola hepatica gevonden [9].

Er zijn vier mechanismen waarop deze resistentie gebaseerd kan zijn: verandering van target molecuul, verandering in het metabolisme waardoor de stof wordt geïnactiveerd of niet wordt geactiveerd, een gewijzigde distributie in de parasiet of genetische veranderingen waardoor de stof geen effect meer heeft. Er is nog nooit beschreven dat een resistente populatie parasieten weer gevoelig wordt. Om de ontwikkeling van resistentie te beperken is het belangrijk om dieren alleen te behandelen indien dit nodig is. Daarnaast wordt het aanbevolen nieuwe dieren in quarantaine te plaatsen. Het kan ook zinvol zijn om de dieren van extra eiwit en energie te voorzien, waardoor de werking van het immuunsysteem ondersteund kan worden [19]. Om te bepalen of behandeling nodig is kan een wormeitelling (EPG: eggs per gram) uitgevoerd worden. Het is volgens Chalier et al echter belangrijk om niet te behandelen op basis van één vaste grenswaarde. Het is beter om per bedrijf een basaal waarde vast te stellen en alleen te behandelen als de EPG hoger is dan deze waarde (trendanalyse). Mestonderzoek wordt doorgaans gebruikt om de koppel te behandelen op de momenten waarop dit nodig is (TT: Targeted Treatments). Mestonderzoek van individuele dieren kan echter ook gebruikt worden voor de behandeling van individuele dieren (TST: Targeted Selective Treatments) [21]. Mestonderzoek kan daarnaast ook gebruikt worden om te bepalen of resistentie een probleem vormt op een bedrijf [22]. In 2014 is echter aangetoond dat veehouders in Nederland vaak ontwormen zonder voorafgaande diagnostiek [9].

Rekentool

Om de kosten van worminfecties op een bedrijf te berekenen heeft de universiteit van Gent een rekentool ontwikkeld: Paracalc.

Referenties

  1. Robben, J.H., et al., Digestie, in Ziekteleer 1 Syllabys, L.J.E. Rutgers, Editor. 2008, Faculty of veterinary medicine: Utrecht. p. 63-67, 109-117.
  2. GD, Nieuwsbrief worminfecties bij rundvee. 2013, Gezondheidsdienst voor dieren.
  3. Robben, J.H., et al., Respiratie, in Ziekeleer 2 Syllabus, L.J.E. Rutgers, Editor. 2008, Faculty of veterinary medicine: Utrecht. p. 77-80.
  4. Robben, J.H., et al., Lever en galwegen, in Ziekteleer 1 Syllabus, L.J.E. Rutgers, Editor. 2008, Faculty of veterinary medicine: Utrecht. p. 32-36.
  5. Gezondheidsdienst. Leverbotcyclus. 2016  [cited 2016 16-02-2016].
  6. Leverbot sluimerend probleem, in Plattelandspost. 2014. p. 33.
  7. Gezondheidsdienst, Voorjaarsinfecties met leverbot vastgesteld. 2013, Gezondheidsdienst voor dieren: Deventer.
  8. Rotgers, G., Beducht op leverbot bij melkvee, in Veehouder & Veearts. 2015, WUR: Wageningen. p. 18-19.
  9. Holzhauer, M., et al., Wormmanagement en resistentie-ontwikkeling op Nederlandse rundveebedrijven. Tijdschr Diergeneeskd, 2014(6): p. 27-35.
  10. Verkaik, J.C. Wormenwijzer. 2016  [cited 2016 18-01-2016];
  11. Eysker, M., Epidemiologie en bestrijding van longworminfecties bij het rund. Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 1994. 119: p. 322-325.
  12. Faculty of Veterinary Medicine Utrecht, T.N., Veterinary endo-parasitic control guide. Vol. 2nd edition. 2001: Alfasan Nederland B.V.
  13. McKellar, Q.A. and E.W. Scott, The benzimidazole anthelmintic agents – a review. J. Vet. Pharmacol. Therp., 1990. 13: p. 223-247.
  14. Lyons, E.T., et al., Controlled test of anthelmintic activity of levamisole administered to calves via drinking water, subcutaneous injection, of alfalfa pellet premix. Am J Vet Res, 1975. 36(6): p. 777-780.
  15. Babiuk, L.A. and V. Misra, Effect of levamisole in immune responses to bovine herpesvirus-1. Am J Vet Res, 1982. 43(8): p. 1349-1354.
  16. Steffan, P. and P. Nansen, Persistant activity of a single late season treatment with ivermectin against gastrointestinal Trichostrongyles and lungworm in young calves. Acta Vet Scand, 1990.31: p. 237-242.
  17. Vee&Arts, Nieuwsbrief ontwormen, N. Vee&Arts, Editor. 2013.
  18. (COWS), C.o.w.s., The COWS Guide to the effective use of cattle wormers. 2015.
  19. Wolstenholme, A.J., et al., Drug resistance in veterinary helminths. Trends in parasitology, 2004. 20(10): p. 469-476.
  20. Coles, G.C., et al., The detection of anthelmintic resistance in nematodes of veterinary importance (review). Veterinary parasitology, 2006. 136: p. 167-185.
  21. Chalier, J., et al., Practices to optimise gastrointestinal nematode control on sheep, goat and cattle farms in Europe using targeted (selective) treatments. Veterinary record, 2014: p. 250-255.
  22. Radostits, O.M., et al., Diseases associated with helminth parasites, in Veterinary Medicine – A textbook of the diseases of cattle, horses, sheep, pigs and goats, O.M. Radostits, Editor. 2008, Saunders Elsevier: Philadelphia. p. 1541-1585.

[/av_textblock]

Salmonella, terug van weggeweest?

In de jaren negentig werd de kalverhouderij opgeschrikt door Salmonella besmettingen met massale sterfte tot gevolg. De jaren daarna bleef het relatief stil. Maar de bacterie is nooit helemaal weggeweest. Sinds een vijftal jaren is Salmonella terug in opmars. En dat niet alleen in de kalverhouderij. Ook in de melkveehouderij en vleesveehouderij wordt af en toe salmonellose gediagnosticeerd.

Maar wat houdt een Salmonella infectie nu eigenlijk in?

In dit artikel wordt er gekeken naar etiologie, prevalentie, transmissie, klinische symptomen, diagnose, behandeling en preventiemaatregelen van salmonellose.

Oorzaak

Salmonellose wordt veroorzaakt door de Salmonella bacterie. Dit is een gram negatief staafje dat veel ellende kan veroorzaken op rundveebedrijven. Van de circa 2500 verschillende Salmonella bacteriën vormen vooral twee serogroepen een gevaar voor de rundveehouderij.

De typering van Salmonella isolaten vindt vaak plaats op serogroep niveau. Er wordt een onderverdeling gemaakt op basis van de O-antigenen in serogroepen A tot en met E. In de rundveehouderij komen voornamelijk twee typen Salmonella voor, namelijk Salmonella enterica serotype typhimurium (serogroep B) en Salmonella enterica serotype dublin (serogoep D).

Salmonellose valt onder de besmettelijke dierziekten die aangifteplichtig zijn als bedoeld in artikel 100 van de wet.

Prevalentie

In België deed DGZ een onderzoek naar de prevalentie van Salmonella op melkveebedrijven op basis van antistoffenonderzoek in bloed en melk. Er werd gekeken naar de twee meest voorkomende typen, namelijk S. typhimurium en S. dublin. Van de 206 bedrijven die getest werden, waren er 17,45% positief.

In Nederland werd naar aanleiding van het Salmonella –monitoringsplan op 10% van de melkveebedrijven Salmonella gevonden.

Een uitbraak van Salmonella dublin veroorzaakt op een bedrijf met 100 melkkoeien een gemiddelde bedrijfseconomische schade van € 4.637,- als gevolg van vooral sterfte, behandelings- en afvoerkosten. En alsof dit nog niet genoeg is, ook de melkveehouder en zijn gezin kunnen ernstig ziek worden door een infectie met de bacterie.

Transmissie

Salmonella verspreidt zich voornamelijk door de oro-fecale route. Binnen het besmette bedrijf vindt overdracht van infectie dan ook vooral plaats door direct contact tussen de dieren en door fecale verontreiniging van water, melk of voedsel. Maar er treedt ook uitscheiding op in urine, speeksel en vaginale uitscheiding. Dit betekent dat ook overdracht van de bacterie via ‘mechanische vectoren’ kan leiden tot verspreiding op een bedrijf en tussen bedrijven.

Ook ongedierte en vogels kunnen de bacterie verspreiden.

Vermits een Salmonella bacterie lang kan overleven in de omgeving, blijft de kans op besmetting bestaan.

Het ziekteproces

Na de opname van de bacterie via de bek, nestelt de bacterie zich in het maagdarmkanaal om te vermenigvuldigen. Daarna dringen de bacteriën binnen in de epitheelcellen van de dunne darm, het ceacum en het colon. Dit resulteert in een hemorragische tot pseudomembraneuze infectie van de darm, wat leidt tot hypersecretie, malabsorptie en maldigestie.  Wanneer de bacterie niet onderschept wordt door het immuunsysteem kan hij in de bloedbaan terecht komen en septikemie veroorzaken. Jonge kalfjes tot drie maanden zijn extra gevoelig voor een Salmonella besmetting en kunnen de infectie gemakkelijk aan elkaar doorgeven.

De uitscheiding na besmetting is het hoogst de eerste week na de infectie en neemt nadien geleidelijk af.

Een Salmonella infectie kent verschillende klinische ziektebeelden maar kan ook verlopen zonder ziekteverschijnselen.

Bij een peracute infectie zal het dier al snel na de infectie doodgaan. Dit komt vooral voor bij kalveren met een lage weerstand bij een hoge infectiedruk.

Bij een acute infectie hebben de kalveren de volgende symptomen: koorts, depressie, verminderde eetlust, pneumonie, bloederige diarree en artritis. Ook nerveuze verschijnselen kunnen voorkomen.

Bij koeien kan een acute infectie zorgen voor diarree, koorts, abortus en melkproductiedaling. Deze acute infectie kan ook overgaan in een chronische infectie. Dit gebeurt meestal bij al wat oudere dieren. Deze dieren blijven duidelijk achter in groei, hebben een smerige vacht en hebben dikwijls een lichte temperatuursverhoging. Voor Salmonella dublin zijn in dit stadium necrose van de oorhuid of distale ledematen typerend.

Maar een infectie kan ook zonder symptomen verlopen. Dit gebeurt wanneer de bacterie kan ontsnappen aan het immuunsysteem. Bij deze dieren blijft na een infectie de bacterie aanwezig. Deze dieren worden ook wel “dragers” genoemd. Er bestaan twee soorten dragers, actieve en passieve dragers.

Actieve dragers scheiden de bacterie continu uit in de mest. Passieve dragers, ook wel “latente” dragers genoemd, scheiden de bacterie met tussenpozen uit in de mest.

Deze dragers zijn de grootste verspreiders van de infectie, omdat de dieren niet te herkennen zijn aan de symptomen.

Zoönose

Salmonella’s bij het rund kunnen mensen die in contact komen met de runderen besmetten.

Uit onderzoek blijkt dat bij 20% van de rundveebedrijven met een klinische uitbraak ook klachten voorkomen in het gezin. De voornaamste klachten zijn diarree en koorts.

Diagnose

Een verdenking van salmonellose op basis van klinische verschijnselen kan worden bevestigd met behulp van melk, bloed of mestonderzoek.

Tankmelkonderzoek is een gemakkelijke manier om een idee te krijgen van de aanwezigheid van een Salmonella infectie op een bedrijf.

In het bloed kunnen ongeveer twee weken na de infectie reeds antistoffen aangetoond worden. Deze antistoffen blijven ongeveer 6 maanden aanwezig.

Mestonderzoek op de bacterie is ook een mogelijkheid om de infectie op een bedrijf te bevestigen. Vermits de passieve dragers van een Salmonella infectie een intermitterende uitscheiding hebben is dit onderzoek alleen niet betrouwbaar.

Behandeling

Salmonellose kan best zo vlug mogelijk worden aangepakt. Ondersteunende vocht- en elektrolytentoediening zijn niet weg te denken als behandeling.

Maar ook een antibioticum behandeling kan helpen om de Salmonella bacterie te bestrijden. Een Salmonella typhimurium infectie beperkt zich tot een infectie van het maagdarmkanaal en daarom heeft orale therapie de voorkeur. Eerste keuze antibiotica als chloortetracycline, trimethoprim / sulfonamide combinatie, maar ook tweede keus moleculen als amoxicilline, ampicilline, apramycine, neomycine en flumequine kunnen hiervoor gebruikt worden. Door de hoge koorts en de algemene malaise is het ook nodig ontstekings- en koortsremmers te gebruiken.

Naast producten voor parenterale behandeling heeft Dopharma ook producten voor orale behandeling in haar gamma. Een overzichtje hiervan kan u vinden aan het einde van dit artikel.

Zieke kalveren worden best afgezonderd van de rest. Dit dient doordacht te gebeuren om de ziekte niet verder te verspreiden op het bedrijf.

Bij de behandeling moet de nadruk zeker gelegd worden op een goede hygiëne en preventie.

Dit om verdere besmetting van mens en dier te voorkomen.

Preventie

De volgende maatregelen kunnen preventief genomen worden:

  • Strikte bedrijfshygiëne met gebruik van bedrijfskledij en schoeisel;
  • Goede reiniging en desinfectie van de stal na infectie;
  • Ongediertebestrijding;
  • Geen materiaal uitwisseling tussen groepen van dieren en/of bedrijven;
  • Geen mest aanvoeren van andere rundveebedrijven.

Dopharma gamma ter behandeling van salmonellose bij rundvee

Producten Reg NL Aanbevolen dosering per kalf
Ondersteunende therapie
Na-salicylaat  8913 40 mg natrium salicylaat per kg lichaamsgewicht per dag, gedurende 1- 3 dagen.
Sodium Salicyl® 80% WSP 104033 40 mg natrium salicylaat per kg lichaamsgewicht eenmaal daags (overeenkomend met 50 mg product per kg lichaamsgewicht per dag), gedurende 1 – 3 dagen.
Antibiotica therapie*
Eerste keus antibiotica
Trim/sul Sul 80/420 2213 21 mg sulfadiazine natrium en 4 mg trimethoprim per kg lichaamsgewicht per dag (overeenkomend met 2,5 g product per 50 kg lichaamsgewicht), verdeeld over twee doses, gedurende maximaal 5 dagen.
Cubarmix® 48% 7863 20 mg sulfadiazine en 4 mg trimethoprim per kg lichaamsgewicht, verdeeld over twee doses (overeenkomend met tweemaal daags 2,5 g product per 100 kg lichaamsgewicht), gedurende 5 dagen.
Tweede keus antibiotica
Enterflume® kalf, kip 8758 9 mg flumequine per kg lichaamsgewicht, tweemaal daags (overeenkomend met twee maal daags 0,9 gram per 50 kg lichaamsgewicht), gedurende 3 – 5 dagen.
Neosol® 100% 104343 10 mg neomycine sulfaat per kg lichaamsgewicht per dag, verdeeld over 2 – 4 keer, gedurende 3 – 5 dagen.
Ampisol® 100% 5193 20 – 40 mg ampicilline trihydraat per kg lichaamsgewicht per dag, verdeeld over twee doseringen, gedurende 5 – 7 dagen.
Ampisol® 20% 1985 20 – 40 mg ampicilline trihydraat per kg lichaamsgewicht per dag (overeenkomend met 1 – 2 gram product per 10 kg lichaamsgewicht per dag), verdeeld over twee doseringen, gedurende minimaal 5 dagen.

* Gezien de ernst van de klinische verschijnselen is het aan te raden de hoogst toegelaten dosering te gebruiken.

Meer informatie over onze producten vindt u op onze website www.dopharma.com

Referenties