Nieuwe mogelijkheden in de rundveehouderij

In september 2017 hebben Dopharma en RIPAC-LABOR hun krachten gebundeld. Maar wat betekent dat voor u als rundveedierenarts?

In september 2017 hebben Dopharma en RIPAC-LABOR hun krachten gebundeld. De jarenlange ervaring van Dopharma in de intensieve veehouderij en de specialisatie van Ripac-Labor in de ontwikkeling en productie van bedrijfsspecifieke vaccins moet ervoor zorgen dat verdere sprongen kunnen worden gemaakt om de veehouderij van morgen rendabel te houden. Het gebruik van bedrijfsspecifieke vaccins is volledig ingeburgerd in de pluimvee- en varkenshouderij. Ook in de rundveehouderij zijn er mogelijkheden. Klik hier voor een overzicht van de kiemen waar Ripac-Labor mee werkt.

Als diergeneesmiddelen of commerciële vaccins op de markt niet voldoen of niet beschikbaar zijn, weet dan dat uw zoektocht nog niet hoeft op te houden. Hebt u interesse, aarzel dan niet om contact op te nemen met het “Technical Support Team” om meer te weten te komen.

D-Cloprostenol

Indupart is een oplossing voor injectie en is geregistreerd voor gebruik in runderen, varkens en paarden. Indupart bevat als werkzame stof 75 µg D-cloprostenol per ml. In dit artikel willen we u wat meer vertellen over de werkzame stof D-cloprostenol.

Prostaglandine

Prostaglandine is een veel gebruikt hormoon in de diergeneeskunde. Het hormoon prostaglandine F2α (PGF2α) oefent in het vrouwelijk landbouwhuisdier op twee manieren invloed uit.

  1. Allereerst bezit PGF2α een luteolytisch effect (zie afbeelding 1). Een stijging in de PGF2α plasmaconcentratie veroorzaakt regressie van een eventueel aanwezig corpus luteum indien deze zich in de refractaire periode bevindt.
  2. Daarnaast oefent PGF2α invloed uit op het myometrium. De contractiliteit van de uterus wordt groter wanneer de plasmaconcentratie van PGF2α stijgt.

Deze effecten van PGF2α kunnen nagebootst worden wanneer men een PGF2α preparaat parenteraal toedient.

ts_cloprostenol_oestrische_cyclus

Afbeelding 1 De oestrische cyclus

Cloprostenol

Er bestaan diverse synthetische analogen van PGF2α. Cloprostenol is één van deze synthetische analogen en bezit van alle bekende PGF2α analogen de meeste activiteit. Cloprostenol heeft, net als natuurlijk prostaglandine, een luteolytische werking en bewerkstelligt door middel van luteolyse zowel een functionele als een morfologische regressie van het corpus luteum.

Isomeren

Alle synthetische analogen van prostaglandine zijn een racemisch mengel. Dit betekent dat ze twee isomeren bevatten in een verhouding van 1:1. Ook cloprostenol is dus een racemisch mengsel van twee isomeren: D-cloprostenol en L-cloprostenol. D-cloprostenol en L-cloprostenol zijn optische isomeren van elkaar (zie afbeelding 2). Ze vormen elkaars spiegelbeeld en bezitten elk dan ook andere eigenschappen. Uit het onderzoek van Kral et al. (1988) is gebleken dat enkel D-cloprostenol luteolytische activiteit bezit. Na toediening van D-cloprostenol wordt er een daling van de progesteronconcentratie in het plasma waargenomen, terwijl  toediening van L-cloprostenol deze daling niet bewerkstelligt. Dit heeft te maken met de vorm van de prostaglandine receptoren. Deze is dusdanig dat L-cloprostenol hier niet op past en hier dus ook geen effect op kan hebben. D-cloprostenol is daarom ook vele malen effectiever in het bewerkstelligen van luteolyse dan het racemische mengel DL-cloprostenol.

cloprostenol_voorbeeld_optische_isomeren_bron_chemhume_co_uk

Afbeelding 2 Voorbeeld optische isomeren [Chemohume.co.uk]

D-cloprostenol

Tegenwoordig is het mogelijk om D-cloprostenol uit het racemische mengsel te isoleren. Zoals hierboven beschreven werkt enkel D-cloprostenol luteolytisch en is de werkzame stof D-cloprostenol daarom dus effectiever dan DL-cloprostenol. Als gevolg hiervan is er dus minder werkzame stof nodig om hetzelfde effect te bewerkstelligen. Minder werkzame stof houdt ook in dat er een lagere kans op bijwerkingen is en dat het product een lagere toxiciteit heeft.

Referenties

  1. Cuervo-Arango, J.; Newcombe, J. R. (2012) Relationship between dose of cloprostenol and age of corpus luteum on the luteolytic response of early dioestrous mares: a field study. Reproduction in Domestic Animals, 47(4), 660-665.
  2. Král, J.; Bílek, P.; Myšičková, S.; Borovička, A.; Píchová, D.; Ševčík, B (1988) The effect of optically active isomers of cloprostenol on the secretory activity of corpus luteum. Biologizace a Chemizace Živočišné Výroby, Veterinaria 24(3), 217-221
  3. Re, G.; Badino, P.; Novelli, A.; Vallisneri, A.; Girardi, C.(1994) Specific binding of dl-cloprostenol and d-cloprostenol to PGF2α receptors in bovine corpus luteum and myometrial cell membranes. Journal of Veterinary Pharmacology and Therapeutics, 17(6), 455-458

Diarree bij kalveren, lammeren, biggen en veulens en de behandeling met het dieetvoedermiddel Diavit Plus

Een van de belangrijkste aandoeningen bij jonge dieren is diarree. Diarree kan zorgen voor productieverliezen en sterfte, maar kan ook de productie van dieren op lange termijn beïnvloeden. In dit artikel worden de verschillende oorzaken van diarree besproken, evenals de mogelijkheden voor een behandeling. In het laatste stuk wordt de literatuur besproken die bekend is over het gebruik van johannesbrood, het belangrijkste bestanddeel van Diavit Plus. Diavit Plus is een dieetvoedermiddel uit het assortiment van Dopharma.

Diarree

Diarree komt bij alle diersoorten voor. In de volgende alinea’s wordt het voorkomen van diarree bij kalveren, geiten, lammeren, biggen en veulens besproken.

Kalveren

Gedurende de eerste acht levensweken van het kalf treden relatief veel ziekten op; 30-50% van de kalveren wordt in deze periode ziek, waarbij diarree en respiratoire aandoeningen de meest belangrijke aandoeningen zijn. Veel veehouders onderschatten de economische gevolgen van deze aandoeningen. Niet alleen het gebruik van medicijnen kost geld, maar ook het verlies aan groei en de gevolgen voor de productie op langere termijn [2].
figuur-1-groei-gezonde-kalveren-vs-luchtaandoeningen-vs-diarree

Figuur 1 Groei van gezonde kalveren en kalveren met milde en ernstige luchtwegaandoeningen en diarree [2].

Zo wordt in een Duits onderzoek geschat dat de kosten voor de behandeling van diarree bij kalveren gemiddeld €75 zijn voor milde gevallen en €145 voor ernstige gevallen. In deze berekening zijn echter alleen diergeneesmiddelen, elektrolytendranken en dierenartsenkosten meegenomen. Deze kosten vormen slechts 55-70% van de totale kosten. De overige kosten worden veroorzaakt door extra opfokkosten, verliezen (gewicht) en extra arbeid. De groei van kalveren daalt tijdens een periode van diarree. Belangrijk is echter dat bij ernstige diarree niet alleen de groei afneemt, maar ook het absolute gewicht van de kalveren kan dalen. Bovendien daalt de groei al voordat klinische symptomen worden waargenomen. Dit wordt geïllustreerd in Figuur 1. Tot slot zorgt ook uitval voor hoge kosten, zeker als het gaat om vaarskalveren [2].

Naast de directe kosten, is ziekte in de eerste levensweken ook van invloed op de resultaten op latere leeftijd. De daling in groei zal niet volledig gecompenseerd worden waardoor deze dieren gemiddeld op latere leeftijd voor de eerste keer afkalven. Daarnaast blijkt ook de levensproductie lager te zijn, vooral bij koeien die als kalf meerdere aandoeningen hebben gehad tijdens de eerste acht weken van de opfokperiode [3].

Kalverdiarree kan zowel een infectieuze als een niet-infectieuze oorzaak hebben. De hoogste mortaliteit wordt gezien bij infectieuze diarree, welke veroorzaakt kan worden door onderstaande infectieuze agentia

  • Viraal
    • Rota- en coronavirus
    • Bovine virusdiarree (BVD)
    • Adenovirus
  • Bacterieel
    • Escherichia coli
    • Salmonella spp
    • Clostridium spp. (type C)
  • Parasitair
    • Coccidiose
    • Cryptosporidiose.

Enkele predisponerende factoren die het ontstaan van diarree in de hand kunnen werken zijn overbevolking, onvoldoende hygiëne, een lage biestopname en diarree door een niet-infectieuze oorzaak.

Niet-infectieuze diarree wordt veroorzaakt door voedingsfouten, eventueel in combinatie met stress. Stress kan de oorzaak zijn van een verminderde werking van het immuunsysteem en een daling van de melk- en voeropname. Voorbeelden van aan voeding gerelateerde factoren zijn

  • Overvoedering
  • Een te lage concentratie verteerbare eiwitten. Dit treedt vooral op bij plantaardige eiwitbronnen.
  • Overschakelen van moedermelk naar een melkvervanger.
  • Het niet correct aanmaken van de melkvervanger.
  • Het verstrekken van de melk met een te lage temperatuur. Hierdoor werkt de slokdarmsleufrelfex onvoldoende.
  • Te lange intervallen tussen voedingsbeurten.
  • Voedingen met een hoge energetische waarde [1].

Geiten- en schapenlammeren

Ook bij geiten- en schapenlammeren is diarree een veel voorkomende aandoening. Een vrij recente studie heeft aangetoond dat in Australië op 64,8% van de schapenbedrijven diarree was vastgesteld. Op deze bedrijven was gemiddeld 6,9% van de lammeren aangetast [5].

De oorzaken van diarree bij geiten- en schapenlammeren komen overeen met de infectieuze en niet-infectieuze oorzaken zoals deze zijn beschreven voor kalveren [4].

Biggen

Diarree is ook bij biggen een economisch belangrijke aandoening. Diergezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) heeft berekend wat de verwachte kosten van speendiarree bij biggen zijn voor de varkenssector in België; €3.199.440 ten gevolge van biggensterfte, €133.033 door vertraagde groei (excl. kosten arbeid) en extra kosten voor medicatie van €3.800.932. De schatting van de totale kosten is €7.133.405 [6]. Op een bedrijf met 200 zeugen (24 biggen/zeug/jaar) zal uitval van één procent van de biggen ten gevolge van speendiarree al een jaarlijkse kostenpost van €1000 veroorzaken [7].

Diarree kan bij biggen, evenals bij herkauwers zowel een infectieuze als niet-infectieuze oorzaak hebben.
De belangrijkste infectieuze verwekkers van diarree bij biggen zijn:

  • Viraal
    • Rotavirus
    • Coronavirus (PED)
  • Bacterieel
    • Escherichia coli
    • Clostridium perfringens
    • Brachyspira spp
    • Salmonella spp
  • Parasitair
    • Cryptosporidium parvum
    • Isospora suis

Veulens

Diarree bij veulens kan verschillende oorzaken hebben:

  • Hengstigheidsdiarree komt voor bij veulens van vier tot 14 dagen leeftijd en is meestal zeer mild van aard. De exacte etiologie is nog onbekend [8].
  • Bacteriële veulendiarree kan veroorzaakt worden door verschillende kiemen, waaronder onderstaande:
    • Salmonella spp
    • Escherichia coli
    • Actinobacillus spp
    • Clostridium perfringens
    • Lawsonia intracellularis [9].
  • De belangrijkste virale verwekker van diarree bij veulens is het rotavirus, maar ook coronavirussen kunnen een rol spelen [10].
  • Ook bij paarden kan nutritionele diarree voorkomen met als oorzaken overvoeding, slechte voeding (bijv. melkvervanger voor kalveren) of de opname van niet verteerbare bestanddelen zoals ruwvoer of zand ( [11].

Aanvullend diervoeder

Naast het behandelen van de oorzaak van diarree wordt bij dieren met diarree de melk doorgaans (gedeeltelijk) vervangen door water met een elektrolytendrank of ander diervoeder. Er zijn diverse soorten elektrolytendranken beschikbaar. De complexere producten zoals Diavit Plus bevatten niet alleen elektrolyten, maar ook een energiebron en stoffen die bijdragen aan het herstel van de darmmucosa.

Voor kalveren is aangetoond dat het gebruik van een product zoals Diavit Plus zorgt voor een sneller herstel van de consistentie van de faeces, een lagere incidentie van bloed in de faeces en een kortere duur van de diarree. In onderstaande figuur wordt Diavit Plus (komplexe Diättränke) vergeleken met een elektrolytendrank, melk met een antibioticum en een eenvoudig dieetvoedermiddel . In de figuur wordt het percentage dieren weergegeven waarvan de faeces een normale consistentie heeft [12].

overzicht-invloed-dieetdranken-duur-van-diarree

Diavit Plus

Diavit Plus kan preventief gebruikt worden, maar ook bij dieren die al diarree hebben. Dit product bevat naast enkele elektrolyten onder andere dextrose voor energie, vitaminen en johannesbrood. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de informatie die bekend is over johannesbrood.

De elektrolyten aanwezig in Diavit Plus hebben een stabiliserende functie, maar zijn niet instaat om een ernstige disbalans in water- en elektrolytenhuishouding op te heffen. Daarom wordt het aanbevolen om bij gedehydrateerde dieren met zeer ernstige diarree naast Diavit Plus een elektrolytenmix te geven ter compensatie van de grote verliezen.

Johannesbrood

Johannesbrood wordt gemaakt van peulen die geoogst worden van de johannesbroodboom (Ceratonia siliqua). Deze peulen bevatten een relatief hoog gehalte aan tannines. Tannines zijn polyfenolen en behoren tot de antioxidanten. Ze vormen verbindingen met eiwitten, waardoor er een beschermend laagje wordt gevormd op het darmslijmvlies. Toxinen die in het maagdarmkanaal aanwezig zijn worden hierdoor verminderd geabsorbeerd. Daarnaast kunnen tannines zorgen voor remming van de groei van bacteriën, schimmels en gisten [13]. In een andere studie wordt beschreven dat tannines een antibacterieel, antiviraal en antiprotozoair effect hebben [15].

Johannesbrood bezit naast hoge gehaltes tannines ook hoge gehaltes suikers. Deze suikers zorgen ervoor dat johannesbrood een hoogenergetische voedselbron is [14] die bovendien een positieve invloed op de voedselopname heeft [13].

diarree-bij-kalveren-lammeren-biggen-en-veulens-en-de-behandeling-met-diavit-plus

Diergezondheid

Antibacterieel

Er zijn verschillende studies waarin het antibacteriële effect van tannines wordt beschreven. Costabile et al toonden een in vitro antibacterieel effect van tannines aan op Salmonella typhimurium [16]. Ook tegen Salmonella cholerasuis is een in vitro antibacterieel effect aangetoond. Dit antibacteriële effect wordt veroorzaakt door agglutinatie van de bacteriën, remming van de bacteriële groei en preventie van het aanhechten van de bacterie aan de varkensenterocyt [17]. Tegen Helicobacter pylori is in vitro ook een antibacterieel effect van tannines aangetoond. In dit onderzoek werd dit effect veroorzaakt door aggregatie van de bacteriën en beschadiging van de bacteriële celmembranen [18].

Badia et al hebben aangetoond dat biggen die johannesbrood krijgen en die gechallenged worden met E.coli geen significant hogere C-reactief proteïne (een acute fase eiwit) concentratie in het bloed hebben dan biggen die behandeld werden met colistine of biggen die niet gechallenged zijn. Geconcludeerd werd dat johannesbrood de ontstekingsreactie ten gevolge van E.coli kan reduceren [19].

In een studie van Lizardo et al is aangetoond dat het toevoegen van johannesbroodmeel aan het biggenvoer (3% – 6%) leidt tot een daling van de incidentie van speendiarree met respectievelijk 20% en 33%. De voeropname, groei en voederconversie waren in deze studie niet significant verschillend tussen de controlegroep en dieren die johannesbroodmeel kregen [20].

Antiparasitair

De effecten van peulvruchten met een hoge concentratie tannines op wormen zijn vooral onderzocht in schapen en geiten. De volgende effecten zijn waargenomen:

  • een daling van het aantal infectieuze derde stadium nematodenlarven, waardoor de kans op herinfectie van de gastheer verminderd wordt [21];
  • een verminderde excretie van nematodeneieren in de ontlasting, waardoor de besmetting van de omgeving afneemt [21-23];
  • een verminderde ontwikkeling van eieren tot infectieuze larven in faeces en/of op het land, waardoor de infectiedruk afneemt. Dit is echter minder vaak en minder consistent waargenomen dan de vorige twee effecten [24].

Het is niet bekend of tannines een direct effect uitoefenen op de wormen of dat ze zorgen voor een betere eiwitbenutting en de gastheer hierdoor in staat stellen de parasieten zelf te elimineren. Het effect op de wormeieren kan afhankelijk zijn van twee werkingsmechanismen: een daling van het aantal wormen of een verminderde vruchtbaarheid van de vrouwelijke wormen [24].

Specifiek voor Ascaris suum is aangetoond dat tannines een antiparasitair effect uitoefenen. In vitro studies hebben aangetoond dat de motiliteit van deze parasiet significant afneemt als ze worden blootgesteld aan tannines. Zowel de L3 als L4 stadia van deze parasiet zijn gevoelig [25].

Humane gezondheid

Johannesbrood wordt ook humaan gebruikt bij neonaten. Zo is aangetoond dat het gebruik van johannesbrood bij kinderen (3-21 maanden leeftijd) met diarree t.g.v. het rotavirus of een bacteriële infectie zorgt voor een sneller herstel. Kinderen die johannesbrood kregen herstelden eerder van de diarree, hadden sneller een normale lichaamstemperatuur, groeiden beter en stopten eerder met braken [26]. Ook wordt johannesbrood met goed resultaat toegepast om de frequentie van regurgitatie bij neonaten en jonge kinderen te verminderen [27, 28].

Referenties

  1. Molero, C., Understanding and preventing neonatal diarrhoea in calves, in International Diary Topics. 2014. p. 9-11.
  2. Lührmann, B., Was Kostet eine Kälberkrankheit? Viele Landwirte unterschätzen die Gesamtkosten einer Erkrankung bei Kälbern in Landpost 2009. p. 10-11.
  3. Trilk, T. and K. Münch, Kranke Kälber gehen als Kühe früher ab, in Herden-Management. 2011. p. 18-20.
  4. Gruenberg, W. Merck Veterinary Manual;  Diarrhea in Neonatal Ruminants. 2014.
  5. Sweeney, T., et al., Effect of purified beta-glucans derived from Laminaria digitata, Laminaria hyperborea and Saccharomyces cerevisiae on piglet performance, selected bacterial populations, volatile fatty acids and pro-inflammatory cytokines in the gastrointestinal tract of pigs. Br J Nutr, 2012. 108(7): p. 1226-34.
  6. Vlaanderen), D.D., Onderzoek naar pathogenen betrokken bij speendiarree bij biggen in Vlaanderen. 2012: Torhout.
  7. Vettenburg, N. and A. Tylleman, Aandoeningen bij varkens. 2011, Afdeling duurzame landbouwontwikkeling Vlaamse overheid.
  8. Allison, J.S. Merck Veterinary Manual; Foal Heat Diarrhea. 2013.
  9. Allison, J.S. Merck Veterinary Manual; Bacterial Diarrhea in Foals. 2013.
  10. Allison, J.S. Merck Veterinary Manual;  Viral Diarrhea in Foals. 2013.
  11. Allison, J.S., Merck Veterinary Manual; Miscellaneous Causes of Diarrhea in Foals. 2013.
  12. Kunz, H., Erfolgreich füttern: Kälberdurchfall. Wissenwertes zur Elektroluttränke, in Bauernblatt. 2011. p. 49-50.
  13. Kotrotsios, N., et al., Carobs in productive animal nutrition. Journal of hellenic veterinary medical society, 2011. 62(1): p. 48-57.
  14. Kotrotsios, N., et al., Dietary Carob Pods on Growth Performance and Meat Quality of Fattening Pigs. Asian Australas. J. Anim. Sci, 2012. 25(6): p. 880-885.
  15. Redondo, L.M., et al., Perspectives in the use of tannins as alternative to antimicrobial growth promoter factors in poultry. Front Microbiol, 2014. 5: p. 118.
  16. Costabile, A., et al., Inhibition of Salmonella Typhimurium by Tannins in vitro. J Food Agric Environ, 2013. 9: p. 119-124.
  17. Groot, M., G. Kleijer-Ligtenberg, and T. Van Asseldonk, Stalboekje varkens; Natuurlijk gezond met kruiden en andere natuurproducten. 2014, Rikilt, UR: Wageningen.
  18. Funatogawa, K., et al., Antibacterial activity of hydrolyzable tannins derived from medicinal plants against Helicobacter pylori. Microbiol Immunol, 2004. 48(4): p. 251-61.
  19. Badia, R., et al., The influence of dietary locust bean gum and live yeast on some digestive immunological parameters of piglets experimentally challenged with Escherichia coli. J Anim Sci, 2012. 90 Suppl 4: p. 260-2.
  20. Lizardo, R., et al., Utilisation of carob powder in piglet diets and its influence on growth performance and health after weaning. Journees de la Recherche Porcine, 2002. 34: p. 97-101.
  21. Paolini, V., et al., Effects of condensed tannins on established populations and on incoming larvae of Trichostrongylus colubriformis and Teladorsagia circumcincta in goats. Vet Res, 2003.34(3): p. 331-9.
  22. Paolini, V., et al., Effects of condensed tannins on goats experimentally infected with Haemonchus contortus. Vet Parasitol, 2003. 113(3-4): p. 253-61.
  23. Min, B.R., et al., The effect of short-term consumption of a forage containing condensed tannins on gastro-intestinal nematode parasite infections in grazing wether goats. Small Ruminant Research, 2004. 51: p. 279-283.
  24. Hoste, H., et al., The anthelmintic properties of tannin- rich legume forages : from knowledge to exploitation in farm conditions, in Challenging strategies to promote the sheep and goat sector in the current global context, M.J. Ranilla, et al., Editors. 2011. p. 295-304.
  25. Williams, A.R., et al., Direct anthelmintic effects of condensed tannins from diverse plant sources against Ascaris suum. PLoS One, 2014. 9(5): p. e97053.
  26. Loeb, H., et al., Tannin-rich carob pod for the treatment of acute-onset diarrhea. J Pediatr Gastroenterol Nutr, 1989. 8(4): p. 480-5.
  27. Wenzel, T.G., et al., Effects of thickened feeding on gastro-esophageal reflux in infants: a placebo-controlled crossover study using intraluminal impedance. Pediatrics, 2003. 111: p. 355-359.
  28. Meunier, L., et al., Locust bean gum safety in neonates and young infants: an integrated review of the toxicological database and clinical evidence. Regul Toxicol Pharmacol, 2014. 70(1): p. 155-69.

Parasieten bij landbouwhuisdieren; samenvatting en targeted treatments

Het Technical Support team van Dopharma heeft al enkele artikelen geschreven over infecties met wormen en protozoën bij landbouwhuisdieren. In dit artikel wordt een samenvatting gegeven van de eerder verschenen artikelen en wordt het idee van targeted treatments onder de aandacht gebracht.

parasieten-bij-landbouwhuisdieren-samenvatting-en-targeted-treatments

Pluimvee

Worminfecties bij pluimvee

Bij pluimvee zijn worminfecties vooral van belang bij leghennen en ouderdieren. Sinds dieren in scharrelsystemen gehouden worden, is er een toegenomen blootstelling aan mest, waardoor de infectiedruk sneller kan toenemen. Ook de toename van uitloopbedrijven is van invloed op de incidentie van parasitaire aandoeningen, vooral bij de wormsoorten waarbij een tussengastheer een rol kan spelen, zoals de grote spoelworm.

Worminfecties zijn vooral belangrijk door de gevolgen die ze hebben op de productie. Een enkele keer komen klinische verschijnselen voor. Daarnaast kunnen wormen een rol spelen in de overdracht van infectieuze agentia, zoals Histomonas. De meest voorkomende wormsoort is de grote spoelworm (Ascaridia galli). Andere wormen worden echter ook met regelmaat gevonden. Het bepalen van het type worm is van belang voor de behandeling en preventie. In Nederland zijn alleen benzimidazolen geregistreerd. Flubendazol (Feedmix flubendazol 0,6%) is werkzaam tegen alle inwendige stadia van A. galli (eieren, larven en volwassen wormen). Strategisch ontwormen wordt vaak iedere zes weken gedaan. Dit is gebaseerd op de cyclus van A. galli. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat de cyclus ook in vier á vijf weken doorlopen kan worden. Bovendien is dit interval ook te lang voor andere wormsoorten. Het interval kan verkort worden, of er kan gekozen worden voor targeted treatments, waarover later meer.

Coccidiose bij pluimvee

Coccidiose komt zowel in de leg- als vleessector voor. De subklinische vorm van coccidiose is economisch erg belangrijk omdat het kan leiden tot groeiachterstand en een predisponerende factor kan zijn voor het optreden van dysbacteriose. Klinische infecties komen echter ook voor. De OPG (oöcysten per gram feces) kan in mest bepaald worden, maar er is een slechte correlatie tussen de OPG en de impact van een infectie in de koppel. Preventie is lastig omdat oöcysten vrijwel overal voorkomen en geïnfecteerde dieren grote aantallen oöcysten uitscheiden. Vaccinatie is een mogelijkheid, maar vrij kostbaar. Er is ook veel onderzoek gedaan naar het gebruik van voedermiddelen of toevoegingsmiddelen, maar er zijn nog geen overtuigende resultaten behaald. De behandeling van coccidiose vindt meestal plaats met toltrazuril (Dozuril® 25 mg/ml), maar ook sulfonamiden (sulfadimidine en sulfaquinoxaline) zijn goed werkzaam.

Voor meer informatie verwijzen we u naar de artikelen over worminfecties en coccidiose bij pluimvee.

Varken

Worminfecties bij varkens

Bij varkens komen verschillende wormen voor, maar het belang van de spoelworm Ascaris suum is het grootst. Hoewel er bij een infectie vaak weinig klinische verschijnselen voorkomen, kan er wel economische schade optreden door een verhoogde voederconversie, een lagere groei, afkeuringen van levers en kosten voor medicatie. Ook kan de kans op secundaire bacteriële luchtweginfecties toenemen en is er een negatief effect op de Mycoplasma hyopneumoniae vaccinatie. Door een toename van het aantal bedrijven met strobedding en buitenuitloop kan de prevalentie van deze parasiet toenemen. Het aantal eitjes dat uitgescheiden wordt met de mest geeft een indruk van de mate van infectie door A. suum. Het aantal eitjes is namelijk gecorreleerd met het aantal aanwezige volwassen wormen. Er is echter geen correlatie met de hoeveelheid migrerende larven, terwijl juist deze de meeste schade veroorzaken. Met een ELISA kan A. suum-hemoglobine worden aangetoond. Nadeel van deze test is dat deze pas vier weken na infectie positief wordt. Preventie van ascariasis op varkensbedrijven is moeilijk, vooral door het grote aantal eitjes dat wordt uitgescheiden en de lange levensduur van infectieuze eitjes in de omgeving. Reiniging met hoge druk en stoom in combinatie met enkele dagen leegstand is effectief om afdelingen schoon te krijgen maar is praktisch moeilijk uitvoerbaar. Een intensief behandelschema op een gesloten bedrijf kan bestaan uit het ontwormen van zeugen voordat ze in het kraamhok komen, gespeende biggen op zes weken leeftijd en vleesvarkens bij opleg en daarna met een interval van vijf tot zes weken. Zelfs op bedrijven waar een intensief ontwormingsschema wordt ingezet, kan het tot een jaar duren voordat het percentage afgekeurde levers in het slachthuis gaat dalen. Beschikbare producten bevatten flubendazol (Feedmix flubendazol 0,6%, Flubendazol 5% topdressing), levamisol (Leva Oraal 10%) of ivermectine (Iverveto 1%).

Coccidiose bij varkens

Coccidiose wordt meestal veroorzaakt door Isospora suis. De prevalentie op Europese bedrijven is hoog; 68 – 100% van de bedrijven en 29 – 53% van de tomen is geïnfecteerd. Coccidiose komt voor tot een leeftijd van 40 dagen, maar problemen treden vooral één tot twee weken na de geboorte op. Coccidiose is een economisch belangrijke aandoening; ook subklinische infecties hebben een negatieve invloed op de groei. De darmschade wordt veroorzaakt tijdens de prepatentperiode, dus voordat verschijnselen worden gezien. Dit verklaart waarom de meeste biggen behandeld worden op een leeftijd van 3 – 5 dagen, zodat problemen worden voorkomen. Deze behandeling zorgt niet alleen voor een daling van het aantal oöcysten en een verbetering van de consistentie van de feces, maar heeft ook een positieve invloed op de groei en voederconversie op de lange termijn. Toltrazuril (Dozuril® 50 mg/ml) is de meest gebruikte en meest aangewezen werkzame stof. Een andere belangrijke preventieve maatregel is het reinigen van de hokken; de parasieten worden vermoedelijk van de ene op de andere toom overgedragen via oöcysten in de kraamhokken.

Voor meer informatie verwijzen we u naar de artikelen over worminfecties en coccidiose bij varkens.

Rund

Worminfecties bij runderen

De belangrijkste maagdarmwormen bij het rund zijn nematoden, waaronder de lebmaagworm Ostertagia ostertagi en Cooperia oncophora. Ook lintwormen kunnen voorkomen in het maagdarmkanaal. Longworm (Dictyocaulus viviparus) is ook een belangrijke aandoening bij rundvee. Tot slot komt Fasciola hepatica voor, de veroorzaker van de aandoening leverbot. De diagnose is lastig, omdat de meeste methoden (mestonderzoek, ELISA) pas een positief resultaat geven als er volwassen wormen zijn. Pepsinogeenbepalingen van het plasma kunnen ook uitgevoerd worden in het geval van de lebmaagworm. Een goed weidemanagement is de belangrijkste preventieve maatregel. Voor longwormen is dit echter in de praktijk erg lastig omdat de cyclus zo snel verloopt dat de wei na één week al besmet is. Een alternatief is om te vaccineren tegen longwormen. Een curatieve of metafylactische behandeling kan uitgevoerd worden met benzimidazolen, imidazothiazolen (Leva Oraal 10%), macrocylische lactonen (Dophamec® cattle pour-on, Iverveto 1%), salicylanilides of benzeensulfonamiden. Bij de meeste worminfecties loopt de schade voor de veehouder snel op. Een verminderde melk- en vleesproductie, soms gepaard gaande met een verhoogde afkeuring op het slachthuis, maakt dat een goede wormbehandeling zeker zijn geld opbrengt.

Coccidiose bij runderen

Coccidiose wordt veroorzaakt door Eimeria spp, waarvan E. bovis en E. zurnii als meest pathogeen worden gezien. E. alabamensis is echter ook gerelateerd aan ernstige diarree. De GD schat dat coccidiose in Nederland op vrijwel alle bedrijven voorkomt. Mestonderzoek uitgevoerd in Nederland (2007-2011) liet zien dat coccidiose op 67% van de bedrijven en in 62% van de monsters voorkomt. Verschijnselen worden gezien bij kalveren en jongvee, vooral op de leeftijd van drie weken tot zes maanden. De economische schade wordt vooral veroorzaakt door kalveren die subklinisch geïnfecteerd zijn: een vertraging van de groei en langetermijneffecten op de vruchtbaarheid. Preventie is lastig omdat de meeste desinfectiemiddelen niet werken tegen oöcysten. Hygiëne is een zeer belangrijke factor; orale opname van mest of met mest gecontamineerd voer moet worden voorkomen. Coccidiose kan behandeld worden met producten met sulfonamiden, diclazuril of toltrazuril, maar in Nederland zijn alleen producten met toltrazuril geregistreerd. Een metafylactische behandeling wordt meestal gedurende de prepatentperiode gegeven, omdat dit het moment is waarop schade optreedt.

Cryptosporidiose bij runderen

Cryptosporidiose wordt veroorzaakt door Cryptosporidium spp. De meest voorkomende species, vooral bij jonge kalveren, is C. parvum. Andere veelvoorkomende species zijn C. bovis en C. andersoni. De prevalentie in Europese landen is hoog. Daarnaast is cryptosporidiose niet alleen van belang voor het dier, maar is het ook een zoönose. Klinische verschijnselen door cryptosporidiose komen meestal voor op de leeftijd van 3 – 45 dagen, maar worden vooral gezien op dag 5 – 15. Kalveren kunnen geïnfecteerd raken door volwassen dragers of door andere kalveren (direct of indirect). Het optreden van cryptosporidiose is afhankelijk van tal van risicofactoren, waaronder contact met de koe, de biestvoorziening en de hygiëne van de kalverhokken. Er zijn verschillende methoden om de diagnose aan de hand van de mest vast te stellen. Het enige in Nederland geregistreerde product voor de preventie of reductie van diarree door Cryptosporidium parvum is gebaseerd op halofuginone lactaat. Paromomycine is ook effectief. Naast een curatieve behandeling wordt ook aangeraden om de dieren te behandelen met een NSAID zoals meloxicam (Melovem® 5 mg/ml, Melovem® 20 mg/ml en Melovem® 30 mg/ml).

Voor meer informatie verwijzen we u naar de artikelen over worminfecties en cryptosporidiose en coccidiose bij rundvee.

Targeted treatments

In het artikel over wormen bij rundvee werd al een stukje geschreven over targeted treatments. Hierbij vindt een behandeling plaats op basis van bepaalde parameters, zoals de uitslagen van mestonderzoek. Recent is hierover ook een interessant artikel verschenen voor toepassing bij pluimvee. Beide artikelen worden hieronder besproken.

Pluimvee

Het meest toegepaste schema voor het ontwormen van kippen kent een interval van zes weken, gebaseerd op de prepatentperiode van A. galli. In een recente studie is echter aangetoond dat de prepatentperiode slechts vier tot vijf weken is. Behandeling met flubendazole is effectief tegen alle stadia. Desondanks is gebleken dat er snel een herinfectie optreedt. Larven werden al gevonden op dag zeven na de behandeling en volwassen wormen op dag 28 [1]. Dezelfde onderzoekers hebben vervolgens verschillende behandelschema’s vergeleken. Ze geven aan dat er vaak ontwormd wordt als de infectiedruk en EPG al hoog zijn, en de omgeving dus al sterk gecontamineerd is met wormeieren. Als alternatief hebben ze de effectiviteit van targeted treatments getest. Hierbij werd tweewekelijks mestonderzoek uitgevoerd en werd er behandeld wanneer de EPG hoger was dan 200. Het resultaat is dat de infectiedruk in de omgeving niet oploopt [2]. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met andere worminfecties. Voor sommige wormsoorten wordt geadviseerd te behandelen bij een EPG van 50. Voor meer informatie hierover verwijzen we naar het artikel over worminfecties bij pluimvee.

Herkauwers

Bij herkauwers zijn er twee vormen van targeted treatments. Bij de standaard vorm wordt de hele koppel behandeld op basis van mestonderzoek, serum pepsinogeen bepalingen of productieresultaten, zoals groei. Deze productieparameters zijn echter niet specifiek. Bij “selective targeted treatments” wordt ook behandeld op basis van parameters, maar worden dieren individueel behandeld.

De auteur raadt aan om geen strikte grenswaarden te hanteren waarboven behandeld wordt, maar een basale waarde per bedrijf vast te stellen en te behandelen op basis van een trendanalyse.

Het is lastig om te bepalen wat de return on investment is van targeted treatments. Doorgaans zijn er minder behandelkosten, maar meer kosten voor diagnostiek. Op de lange termijn is daarnaast ook de invloed op de ontwikkeling van resistentie van belang. Er is één studie waarin een positief effect wordt aangetoond, maar dit is per bedrijf verschillend, en onder andere afhankelijk van de infectiedruk [3].

Conclusie

Kortom, parasitaire infecties zijn economisch en klinisch belangrijke aandoeningen in zowel pluimvee, varkens als runderen. Dopharma hoopt met het brede assortiment aan antiparasitaire producten een bijdrage te kunnen leveren aan het voorkómen en behandelen van deze infecties.

Voor meer vragen kunt u terecht bij het Technical Support Team, of de afdeling Customer Service.

Referenties

Voor een overzicht van de referenties van de eerste drie paragrafen wordt verwezen naar de originele artikelen op onze website.

  1. Tarbiat, B., et al., The efficacy of flubendazole against different developmental stages of the poultry roundworm Ascaridia galli in laying hens. Vet Parasitol, 2016. 218: p. 66-72.
  2. Tarbiat, B., et al., Comparison between anthelmintic treatment strategies against Ascaridia galli in commercial laying hens. Vet Parasitol, 2016. 226: p. 109-15.
  3. Charlier, J., et al., Practices to optimise gastrointestinal nematode control on sheep, goat and cattle farms in Europe using targeted (selective) treatments. Veterinary record, 2014: p. 250-255.

Worminfecties en de behandeling hiervan bij rundvee

Worminfecties bij runderen komen veel voor. Deze belangrijke aandoening geeft een aantal klinische symptomen, maar kan ook subklinisch voorkomen en grote economische schade veroorzaken. In dit artikel worden de belangrijkste worminfecties bij rundvee besproken en worden de mogelijkheden voor behandeling en preventie samengevat.

Maagdarmwormen

Trichostrongylidae (nematoden) zijn de meest voorkomende wormen bij het rund. De bekendste en schadelijkste is Ostertagia ostertagi (lebmaagworm), maar ook Cooperia oncophora kan voorkomen. [1, 2]. Daarnaast komen er cestoden (lintwormen) voor bij het rund.

Nematoden

Ostertagia ostertagi

Naam Ostertagia ostertagi
PPP1 2-3 weken [1]
Predilictieplaats Lebmaag
Moment van verschijnselen Tweede helft van het weideseizoen (juli / augustus)

Tijdens stalperiode door activatie geïnhibieerde larven (februari-mei)

Verschijnselen Kalveren: groeivertraging, slechte eetlust en diarree, een gezwollen buik.

Volwassen koeien: daling van de melkproductie [1, 2].

Bij activatie van geïnhibieerde larven is slechts een deel van de koppel aangetast [1].

Pathologie Hypertrofische gastritis met verlies van sterkte van thight junctions in de lebmaag. De larven zullen in de lebmaag zorgen voor vervanging van de zoutzuur en pepsinogeen producerende cellen door slijm producerende cellen, waardoor de pH in de lebmaag zal toenemen en de eiwitvertering verstoord raakt. Door de hogere pH kan de hoeveelheid bacteriën in de lebmaag ook toenemen [1]. Ook kan een anemie en/of hypoalbuminemie voorkomen [1, 2]

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.

Een infectie treedt op door opname van L3. De larven penetreren de kliercellen in de fundus van de lebmaag. In een periode van twee weken ontwikkelen de larven zich tot jong volwassen wormen die volwassen worden op het slijmvlies [1].
De vroege L4 stadia kunnen in inhibitie gaan. Door het lage metabolisme kunnen ze langer overleven dan de volwassen wormen. Larven die vanaf het najaar worden opgenomen gaan grotendeels in inhibitie en hervatten de ontwikkeling pas aan het eind van de winter. Bij dieren die al een immuniteit ontwikkeld hebben gaat een groter deel van de larven in inhibitie dan bij naïeve dieren [1].

Klinische verschijnselen worden vooral gezien in de tweede helft van het weideseizoen (juli/augustus). De dieren komen al eerder in contact met wormeieren, maar doorgaans is de infectiedruk pas hoog genoeg om verschijnselen te veroorzaken na een eerste cyclus in de gastheer en de daaropvolgende ontwikkeling van wormeieren tot L3 op het land [1, 2].

Wormeieren aantonen in de mest is mogelijk, maar pas vanaf vijf tot tien weken na de eerste blootstelling is er een correlatie tussen het aantal eieren en het optreden van verschijnselen. Pepsinogeenbepalingen van het plasma kunnen ook uitgevoerd worden. Bij een ernstige infectie kan er namelijk pepsinogeen door de maagwand lekken en in de bloedbaan terecht komen [1].

Om problemen te voorkomen kunnen de kalveren langer op stal gehouden worden. In het voorjaar neemt het aantal overwinterde larven op de wei namelijk snel af. Door het land te maaien voordat de kalveren naar buiten gaan kan de infectiedruk ook verlaagd worden. Wanneer een behandeling wordt ingezet is het bij deze wormsoort extra belangrijk dat er gekozen wordt voor een anthelminthicum dat effectief is tegen zowel de volwassen als larvale stadia [1].

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-rundvee-ostertagia

Figuur 1 Pathologisch beeld Ostertagia.

Cooperia oncophora

Cooperia oncophora komt voor bij rundvee, maar is minder pathogeen dan de Ostertagia ostertagi. Deze worm wordt gevonden in de dunne darm. De cyclus en ontwikkeling zijn vergelijkbaar met die van de Ostertagia ostertagi, incl. de inhibitie van L4 [1].

Cestoden

Moniezia spp is de bij herkauwers voorkomende lintworm. Deze wormen kunnen tot een meter lang worden, maar zijn eigenlijk niet pathogeen. De diagnose kan bevestigd worden door het aantonen van wormeieren of proglottiden in de mest [1].

Echinococcus granulosus is een worm die klinisch van belang is bij honden. Herkauwers zijn tussengastheer van deze wormsoort. Een besmetting kan leiden tot de vorming van blaaswormen in de lever en longen. Deze worden aan de slachtlijn bij 0,1% van de dieren gevonden, doorgaans als toevalsbevinding [1].

Longwormen

Naam Dictyocaulus viviparus
PPP1 24 – 25 dagen [3]
Predilictieplaats Longen
Moment van verschijnselen Vanaf augustus
Verschijnselen Hoesten en benauwdheid. Daarnaast kunnen meer andere respiratoire infecties voorkomen [2].

Dictyocaulus

1 PPP = prepatentperiode = de periode tussen infectie van de gastheer en de uitscheiding van wormeieren door de gastheer.

Dictyocaulus viviparus is de belangrijkste longworm in Nederland die problemen kan veroorzaken bij kalveren en volwassen runderen [3].
De cyclus is direct; wormeieren of L1 worden opgehoest en doorgeslikt en komen vervolgens als L1 in de mest terecht. De ontwikkeling tot L3 duurt ongeveer één week. De L3 stadia migreren via de schimmel Pilobolus spp naar het gras. Na opname penetreren deze larven de darmwand en migreren via de lymfe en het bloed naar de longen. Deze trektocht duurt ongeveer –zeven tot negen dagen. Als de larven in de bronchi aankomen ontwikkelen ze zich tot volwassen wormen [3]. De wormen of larven overwinteren in Nederland niet of nauwelijks op de wei. Het land wordt meestal in het voorjaar geïnfecteerd door dragers. Op de meeste bedrijven met weidegang komen wel enkele dragers voor [3].

De klinische verschijnselen starten al tijdens de migratiefase door de longen en de ernst is afhankelijk van het aantal larven en volwassen wormen. Meestal is de eerste besmetting te licht om verschijnselen te veroorzaken, maar stijgt de infectiedruk na de eerste cyclus dusdanig dat er na opname van deze larven wel verschijnselen optreden. Meestal treedt dit vanaf augustus op [2].

Verschijnselen bij volwassen dieren noemt men het larvale herinfectiesyndroom. De dieren hoesten door migrerende larven, maar deze worden niet volwassen door de al opgebouwde immuniteit. Er kunnen wel overgevoeligheidsreacties optreden. Dit wordt ook wel longjacht genoemd en leidt tot longoedeem en een acute dyspneu. Dit treedt vooral op bij zeer hoge besmettingen van de wei in de zomermaanden [3].

Tegen volwassen wormen wordt snel immuniteit opgebouwd, maar er is geen leeftijdsresistentie [3].
De diagnostiek is lastig, omdat de meeste methoden (mestonderzoek, ELISA) pas positief zijn als er volwassen wormen zijn. Tijdens de prepatentperiode of een larvaal herinfectiesyndroom zijn deze testen negatief [3]. Als mestonderzoek wordt uitgevoerd moet dit minimaal tien dagen na de eerste klinische verschijnselen worden gedaan [2].

worminfecties-en-de-behandeling-hiervan-bij-rundvee-dictyocaulus

Figuur 2 Dictiocaulus

Trematoden

Fasciola heptica

Naam Fasciola heptica
Moment van verschijnselen Acute leverbot: najaar.

Chronische/subacute leverbot: eind winter/begin voorjaar [4, 5].

Verschijnselen Melkvee: verminderde eetlust, daling van de melkproductie of een langere tussenkalftijd.

Jongvee: groeivertraging

Algemeen: soms treedt icterus op en door een verslechtering van de immuniteit kan de incidentie van Salmonella spp infecties toenemen [4, 5].

Pathologie Driehoekslever: door leverfibrose wordt de linker lob van de lever kleiner en door compensatoire hyperplasie wordt de rechter lob groter.

Verkalking van de galgangen [4].

De belangrijkste trematode is Fasciola hepatica (leverbot). Het voorkomen van deze parasiet is seizoensgebonden en afhankelijk van de tussengastheer: het slakje Lymnaea truncatula. Deze leeft alleen in een vochtige omgeving. Infectie van de slak door trilhaarlarven(miracidia) van de leverbot vindt alleen plaats bij temperaturen hoger dan 10˚C, omdat de ontwikkeling van ei tot larve alleen dan kan plaatsvinden. Normaal gesproken loopt deze periode van april tot november, maar door de milde winters wordt deze periode in Nederland steeds langer. In Nederland is de infectiedruk op het land het hoogst in het najaar [4, 6].

Na een infectie zullen de juveniele botjes de darmwand binnendringen, maar hierbij treedt nauwelijks schade op. De meeste botjes gaan via de serosa en de buikholte naar de lever, waar ze het leverkapsel penetreren. Een deel zal echter via de poortader naar de lever migreren. In de lever veroorzaken ze schade door de zoektocht naar de galgangen.  De trektocht door de lever duurt ongeveer –zes tot acht weken. Ook in de galgangen veroorzaken de leverbotten schade. De stekelige cuticala en de uitscheiding van toxische afvalstoffen zorgen voor irritatie van de mucosa [4].

Antilichamen tegen de volwassen wormen kunnen aangetoond worden, maar hiermee wordt alleen aangetoond dat de dieren ooit in contact zijn geweest met deze wormen. Mestonderzoek kan ook worden uitgevoerd, maar wormeieren worden pas gevonden als de volwassen botten in de galgangen zijn aangekomen [4]. Het groot aantal afgekeurde levers in het slachthuis kan ook een indicatie zijn voor het voorkomen van leverbotproblemen op een bedrijf.

Dieren die op een besmette weide lopen kunnen het beste omgeweid worden. Daarnaast is een goede afwatering belangrijk om de populatie van slakjes zo klein mogelijk te houden [4]. Behandeling met triclabendazol wordt steeds lastiger i.v.m. resistentie [5, 7-9]. De Gezondheidsdienst in Deventer adviseert daarom alleen te behandelen na bevestiging van de diagnose door bloed- of mestonderzoek [7]. Een behandeling met closantel of clorsulan werkt echter alleen tegen volwassen stadia en is niet toegestaan bij melkgevende koeien. Via de cascade wordt soms oxyclozanide of albendazol ingezet. [5]. Deze middelen mogen gebruikt worden bij melkgevende koeien, maar zijn ook alleen effectief tegen de volwassen leverbotten [8].

Preventie & Behandeling

Beweiding

Een wei wordt als veilig van maagdarmwormen gezien gedurende de eerste drie weken in het vroege voorjaar. Als de dieren er langer dan twee weken hebben gelopen kan de wei besmet zijn. In de periodes tussen half maart en half juni en tussen half september en begin november is dit drie weken. Om een infectie te voorkomen zouden de dieren binnen deze periode omgeweid moeten worden. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met de omstandigheden; als het warm en vochtig is kan de ontwikkelingscyclus korter zijn. Tussen begin november en half maart is er eigenlijk geen ontwikkeling van larven op de wei [10].

Bij longwormen gaat de cyclus sneller; in de zomer ontwikkelen de eieren zich binnen één week tot larve. Deze infectieuze larven blijven in de zomer enkele weken in leven. In de winter is de ontwikkeling iets trager, maar blijven de larven langer in leven. Overleving gedurende de hele winter is in de literatuur beschreven, maar komt in Nederland waarschijnlijk niet voor. Omweiden om longwormen te voorkomen is lastig omdat de dieren maximaal één week op een weide mogen verblijven. De periode dat de weide leeg moet zijn is met zes weken relatief kort, maar dit is weer te kort voor een beweidingsschema waarbij ook rekening gehouden wordt met maagdarmwormen [11].

Vaccineren

Preventief kan er tegen longworm (L3) worden gevaccineerd. Het vaccin wordt twee keer toegediend, zes en twee weken voordat de dieren de wei op gaan. Om na vaccinatie een langdurige immuniteit te krijgen is het echter wel nodig dat de dieren geïnfecteerd worden met larven van longwormen [2, 3, 11]. Vaccinatie kan gecombineerd worden met preventief ontwormen, maar niet met bolussen die een lange (>60 dagen) werkingsduur hebben [11].

Anthelmintica

De meeste middelen die in Nederland op de markt zijn, zijn in drie groepen te verdelen: benzimidazolen, imidazothiazolen en macrocyclische lactonen. Daarnaast zijn er nog producten met salicylaniliden of benzeensulfonamiden geregistreerd.

Benzimidazolen (febantel, fenbendazol, oxfendazol) zijn opgebouwd uit een imidazole- en benzeenring. Deze stoffen werken door binding aan tubulines. Tubulines zijn gerangschikt in een polymeerstructuur waardoor buisvormige structuren worden gevormd, die bekend staan als microtubuli. De microtubuli zijn verantwoordelijk voor het transport van nutriënten zoals glucose. Door binding aan de tubulines wordt voorkomen dat microtubuli worden gevormd. Dit zal leiden tot een ATP-tekort. Het spectrum van de oude moleculen is smal: volwassen stadia van strongyloïden, trichostrongyloïden en ascaridia. Alle nieuwe moleculen hebben een veel breder spectrum en zijn ook werkzaam tegen larvale stadia van strongyloïden, trichostrongyloïden, longwormen en sommige cestoden. Triclabendazole en albendazol zijn ook effectief tegen leverbot. Triclabendazole heeft een afwijkend spectrum en is niet effectief tegen nematoden, maar wel tegen alle stadia van Fasciola hepatica. Benzimidazolen hebben een ruime veiligheidsmarge. Resistentie tegen benzimidazolen komt in de praktijk voor, waarbij er vaak volledige kruisresistentie is [12, 13].

Imidazothiazolen werken door stimulatie van de cholinerge receptoren. Dit leidt tot paralyse van de parasieten. De enige in Nederland beschikbare imidazothiazole is levamisol. Levamisol is werkzaam tegen de meeste volwassen en larvale stadia van gastro-intestinale nematoden en longwormen [12]. De veiligheidsmarge van levamisol is vrij smal, maar bij toediening van de normale dosering worden doorgaans geen problemen gezien [14].
Naast de anthelmintische werking van levamisol is ook een immunostimulerende werking beschreven. Zo zorgt de toediening van 6 mg levamisol per kg lichaamsgewicht voor een betere antilichaamrespons na een IBR vaccinatie [15].

Macrocyclische lactonen worden onderverdeeld in avermectines (ivermectine, doramectine, eprinomectine) en milbemycines (moxidectine). Het werkingsmechanisme is gebaseerd op opening van de postsynaptische chloridekanalen, met paralyse tot gevolg. Deze moleculen zijn werkzaam tegen volwassen en larvale stadia van alle belangrijke nematoden en trichostrongyloïden. Tegen trichostrongyloïden hebben ze een residueel effect. Na een behandeling met ivermectine worden de dieren gedurende twee tot drie weken beschermd tegen een herinfectie met Osteragia ostertagi en één tot twee weken tegen Cooperia spp . Tegen longworm is er een residueel effect dat minimaal drieweken duurt [16]. Daarnaast zijn ze werkzaam tegen bloedzuigende ectoparasieten en horzellarven [12].

Salicylanilides (closantel) zorgen voor ontkoppeling van de oxidatieve fosforylering en interfereren dus met de energieproductie van parasieten. Closantel is effectief tegen leverbot, horzellarven, bloedzuigende nematoden en enkele andere ectoparasieten. De veiligheidsmarge van deze stof is smal [12].

Benzeensulfonamiden (clorsulon) werken tegen leverbot. Ze voorkomen dat de parasiet opgenomen glucose kan gebruiken door remming van het enzym phosphoglyceraat kinase [12].

Ontwormen

Bij de meeste worminfecties loopt de schade voor de veehouder snel op. Een verminderde melk- en vleesproductie, soms gepaard gaande met een verhoogde afkeuring op het slachthuis, maakt dat een goede wormbehandeling zeker zijn geld opbrengt.
Als er preventief wordt ontwormd, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat er tussen het ontwormen wel een opbouw van immuniteit mogelijk is. Dit kan door het toepassen van puls release bolussen of het zelf toedienen van diergeneesmiddelen met een bepaald interval [17].
De vijf belangrijkste punten waarop gelet moet worden bij het ontwormen zijn:

  • De juiste werkzame stof: hierbij is zowel het spectrum van het product als het voorkomen van resistentie belangrijk.
  • Het juiste dier: Dieren voor het spenen ontwormen heeft niet zoveel zin. Volwassen dieren ontwormen is vaak niet nodig. Preventief ontwormen is het belangrijkst bij jongvee.
  • Behandel op het juiste moment: houd hierbij rekening met het beweidingsschema, het type dier en het seizoen.
  • Dien de juiste dosering toe: bekijk hiervoor de SPC.
  • Pas de juiste toedieningsmethode toe: dien het diergeneesmiddel toe zoals in de SPC wordt vermeldt [18].

In de tabel hieronder worden standaard behandelschema’s voorgesteld die gebruikt kunnen worden voor strategische ontworming van trichostrongyloïden en longwormen.

Werkzame stof Standaard preventief ontwormschema[12]
Benzimidazolen of levamisol 3 + 6 + 9 weken na start beweiding
Ivermectine of eprinomectine 3 + 8 weken na start beweiding

of 0 + 6 weken na start beweiding

Doramectine 0 + 8 weken na start beweiding
Moxidectine 0 + 10 weken na start beweiding

Resistentie

Resistentie tegen anthelmintica komt steeds vaker voor [19, 20]. Uit een onderzoek van de Gezondheidsdienst is echter gebleken dat er in Nederland nog nauwelijks resistente pathogene maagdarm- en longwormen voorkomen. Er werden wel enkele resistentie Coopheria oncophora en Fasciola hepatica gevonden [9].

Er zijn vier mechanismen waarop deze resistentie gebaseerd kan zijn: verandering van target molecuul, verandering in het metabolisme waardoor de stof wordt geïnactiveerd of niet wordt geactiveerd, een gewijzigde distributie in de parasiet of genetische veranderingen waardoor de stof geen effect meer heeft. Er is nog nooit beschreven dat een resistente populatie parasieten weer gevoelig wordt. Om de ontwikkeling van resistentie te beperken is het belangrijk om dieren alleen te behandelen indien dit nodig is. Daarnaast wordt het aanbevolen nieuwe dieren in quarantaine te plaatsen. Het kan ook zinvol zijn om de dieren van extra eiwit en energie te voorzien, waardoor de werking van het immuunsysteem ondersteund kan worden [19]. Om te bepalen of behandeling nodig is kan een wormeitelling (EPG: eggs per gram) uitgevoerd worden. Het is volgens Chalier et al echter belangrijk om niet te behandelen op basis van één vaste grenswaarde. Het is beter om per bedrijf een basaal waarde vast te stellen en alleen te behandelen als de EPG hoger is dan deze waarde (trendanalyse). Mestonderzoek wordt doorgaans gebruikt om de koppel te behandelen op de momenten waarop dit nodig is (TT: Targeted Treatments). Mestonderzoek van individuele dieren kan echter ook gebruikt worden voor de behandeling van individuele dieren (TST: Targeted Selective Treatments) [21]. Mestonderzoek kan daarnaast ook gebruikt worden om te bepalen of resistentie een probleem vormt op een bedrijf [22]. In 2014 is echter aangetoond dat veehouders in Nederland vaak ontwormen zonder voorafgaande diagnostiek [9].

Rekentool

Om de kosten van worminfecties op een bedrijf te berekenen heeft de universiteit van Gent een rekentool ontwikkeld: Paracalc.

Referenties

  1. Robben, J.H., et al., Digestie, in Ziekteleer 1 Syllabys, L.J.E. Rutgers, Editor. 2008, Faculty of veterinary medicine: Utrecht. p. 63-67, 109-117.
  2. GD, Nieuwsbrief worminfecties bij rundvee. 2013, Gezondheidsdienst voor dieren.
  3. Robben, J.H., et al., Respiratie, in Ziekeleer 2 Syllabus, L.J.E. Rutgers, Editor. 2008, Faculty of veterinary medicine: Utrecht. p. 77-80.
  4. Robben, J.H., et al., Lever en galwegen, in Ziekteleer 1 Syllabus, L.J.E. Rutgers, Editor. 2008, Faculty of veterinary medicine: Utrecht. p. 32-36.
  5. Gezondheidsdienst. Leverbotcyclus. 2016  [cited 2016 16-02-2016].
  6. Leverbot sluimerend probleem, in Plattelandspost. 2014. p. 33.
  7. Gezondheidsdienst, Voorjaarsinfecties met leverbot vastgesteld. 2013, Gezondheidsdienst voor dieren: Deventer.
  8. Rotgers, G., Beducht op leverbot bij melkvee, in Veehouder & Veearts. 2015, WUR: Wageningen. p. 18-19.
  9. Holzhauer, M., et al., Wormmanagement en resistentie-ontwikkeling op Nederlandse rundveebedrijven. Tijdschr Diergeneeskd, 2014(6): p. 27-35.
  10. Verkaik, J.C. Wormenwijzer. 2016  [cited 2016 18-01-2016];
  11. Eysker, M., Epidemiologie en bestrijding van longworminfecties bij het rund. Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 1994. 119: p. 322-325.
  12. Faculty of Veterinary Medicine Utrecht, T.N., Veterinary endo-parasitic control guide. Vol. 2nd edition. 2001: Alfasan Nederland B.V.
  13. McKellar, Q.A. and E.W. Scott, The benzimidazole anthelmintic agents – a review. J. Vet. Pharmacol. Therp., 1990. 13: p. 223-247.
  14. Lyons, E.T., et al., Controlled test of anthelmintic activity of levamisole administered to calves via drinking water, subcutaneous injection, of alfalfa pellet premix. Am J Vet Res, 1975. 36(6): p. 777-780.
  15. Babiuk, L.A. and V. Misra, Effect of levamisole in immune responses to bovine herpesvirus-1. Am J Vet Res, 1982. 43(8): p. 1349-1354.
  16. Steffan, P. and P. Nansen, Persistant activity of a single late season treatment with ivermectin against gastrointestinal Trichostrongyles and lungworm in young calves. Acta Vet Scand, 1990.31: p. 237-242.
  17. Vee&Arts, Nieuwsbrief ontwormen, N. Vee&Arts, Editor. 2013.
  18. (COWS), C.o.w.s., The COWS Guide to the effective use of cattle wormers. 2015.
  19. Wolstenholme, A.J., et al., Drug resistance in veterinary helminths. Trends in parasitology, 2004. 20(10): p. 469-476.
  20. Coles, G.C., et al., The detection of anthelmintic resistance in nematodes of veterinary importance (review). Veterinary parasitology, 2006. 136: p. 167-185.
  21. Chalier, J., et al., Practices to optimise gastrointestinal nematode control on sheep, goat and cattle farms in Europe using targeted (selective) treatments. Veterinary record, 2014: p. 250-255.
  22. Radostits, O.M., et al., Diseases associated with helminth parasites, in Veterinary Medicine – A textbook of the diseases of cattle, horses, sheep, pigs and goats, O.M. Radostits, Editor. 2008, Saunders Elsevier: Philadelphia. p. 1541-1585.

[/av_textblock]

Salmonella, terug van weggeweest?

In de jaren negentig werd de kalverhouderij opgeschrikt door Salmonella besmettingen met massale sterfte tot gevolg. De jaren daarna bleef het relatief stil. Maar de bacterie is nooit helemaal weggeweest. Sinds een vijftal jaren is Salmonella terug in opmars. En dat niet alleen in de kalverhouderij. Ook in de melkveehouderij en vleesveehouderij wordt af en toe salmonellose gediagnosticeerd.

Maar wat houdt een Salmonella infectie nu eigenlijk in?

In dit artikel wordt er gekeken naar etiologie, prevalentie, transmissie, klinische symptomen, diagnose, behandeling en preventiemaatregelen van salmonellose.

Oorzaak

Salmonellose wordt veroorzaakt door de Salmonella bacterie. Dit is een gram negatief staafje dat veel ellende kan veroorzaken op rundveebedrijven. Van de circa 2500 verschillende Salmonella bacteriën vormen vooral twee serogroepen een gevaar voor de rundveehouderij.

De typering van Salmonella isolaten vindt vaak plaats op serogroep niveau. Er wordt een onderverdeling gemaakt op basis van de O-antigenen in serogroepen A tot en met E. In de rundveehouderij komen voornamelijk twee typen Salmonella voor, namelijk Salmonella enterica serotype typhimurium (serogroep B) en Salmonella enterica serotype dublin (serogoep D).

Salmonellose valt onder de besmettelijke dierziekten die aangifteplichtig zijn als bedoeld in artikel 100 van de wet.

Prevalentie

In België deed DGZ een onderzoek naar de prevalentie van Salmonella op melkveebedrijven op basis van antistoffenonderzoek in bloed en melk. Er werd gekeken naar de twee meest voorkomende typen, namelijk S. typhimurium en S. dublin. Van de 206 bedrijven die getest werden, waren er 17,45% positief.

In Nederland werd naar aanleiding van het Salmonella –monitoringsplan op 10% van de melkveebedrijven Salmonella gevonden.

Een uitbraak van Salmonella dublin veroorzaakt op een bedrijf met 100 melkkoeien een gemiddelde bedrijfseconomische schade van € 4.637,- als gevolg van vooral sterfte, behandelings- en afvoerkosten. En alsof dit nog niet genoeg is, ook de melkveehouder en zijn gezin kunnen ernstig ziek worden door een infectie met de bacterie.

Transmissie

Salmonella verspreidt zich voornamelijk door de oro-fecale route. Binnen het besmette bedrijf vindt overdracht van infectie dan ook vooral plaats door direct contact tussen de dieren en door fecale verontreiniging van water, melk of voedsel. Maar er treedt ook uitscheiding op in urine, speeksel en vaginale uitscheiding. Dit betekent dat ook overdracht van de bacterie via ‘mechanische vectoren’ kan leiden tot verspreiding op een bedrijf en tussen bedrijven.

Ook ongedierte en vogels kunnen de bacterie verspreiden.

Vermits een Salmonella bacterie lang kan overleven in de omgeving, blijft de kans op besmetting bestaan.

Het ziekteproces

Na de opname van de bacterie via de bek, nestelt de bacterie zich in het maagdarmkanaal om te vermenigvuldigen. Daarna dringen de bacteriën binnen in de epitheelcellen van de dunne darm, het ceacum en het colon. Dit resulteert in een hemorragische tot pseudomembraneuze infectie van de darm, wat leidt tot hypersecretie, malabsorptie en maldigestie.  Wanneer de bacterie niet onderschept wordt door het immuunsysteem kan hij in de bloedbaan terecht komen en septikemie veroorzaken. Jonge kalfjes tot drie maanden zijn extra gevoelig voor een Salmonella besmetting en kunnen de infectie gemakkelijk aan elkaar doorgeven.

De uitscheiding na besmetting is het hoogst de eerste week na de infectie en neemt nadien geleidelijk af.

Een Salmonella infectie kent verschillende klinische ziektebeelden maar kan ook verlopen zonder ziekteverschijnselen.

Bij een peracute infectie zal het dier al snel na de infectie doodgaan. Dit komt vooral voor bij kalveren met een lage weerstand bij een hoge infectiedruk.

Bij een acute infectie hebben de kalveren de volgende symptomen: koorts, depressie, verminderde eetlust, pneumonie, bloederige diarree en artritis. Ook nerveuze verschijnselen kunnen voorkomen.

Bij koeien kan een acute infectie zorgen voor diarree, koorts, abortus en melkproductiedaling. Deze acute infectie kan ook overgaan in een chronische infectie. Dit gebeurt meestal bij al wat oudere dieren. Deze dieren blijven duidelijk achter in groei, hebben een smerige vacht en hebben dikwijls een lichte temperatuursverhoging. Voor Salmonella dublin zijn in dit stadium necrose van de oorhuid of distale ledematen typerend.

Maar een infectie kan ook zonder symptomen verlopen. Dit gebeurt wanneer de bacterie kan ontsnappen aan het immuunsysteem. Bij deze dieren blijft na een infectie de bacterie aanwezig. Deze dieren worden ook wel “dragers” genoemd. Er bestaan twee soorten dragers, actieve en passieve dragers.

Actieve dragers scheiden de bacterie continu uit in de mest. Passieve dragers, ook wel “latente” dragers genoemd, scheiden de bacterie met tussenpozen uit in de mest.

Deze dragers zijn de grootste verspreiders van de infectie, omdat de dieren niet te herkennen zijn aan de symptomen.

Zoönose

Salmonella’s bij het rund kunnen mensen die in contact komen met de runderen besmetten.

Uit onderzoek blijkt dat bij 20% van de rundveebedrijven met een klinische uitbraak ook klachten voorkomen in het gezin. De voornaamste klachten zijn diarree en koorts.

Diagnose

Een verdenking van salmonellose op basis van klinische verschijnselen kan worden bevestigd met behulp van melk, bloed of mestonderzoek.

Tankmelkonderzoek is een gemakkelijke manier om een idee te krijgen van de aanwezigheid van een Salmonella infectie op een bedrijf.

In het bloed kunnen ongeveer twee weken na de infectie reeds antistoffen aangetoond worden. Deze antistoffen blijven ongeveer 6 maanden aanwezig.

Mestonderzoek op de bacterie is ook een mogelijkheid om de infectie op een bedrijf te bevestigen. Vermits de passieve dragers van een Salmonella infectie een intermitterende uitscheiding hebben is dit onderzoek alleen niet betrouwbaar.

Behandeling

Salmonellose kan best zo vlug mogelijk worden aangepakt. Ondersteunende vocht- en elektrolytentoediening zijn niet weg te denken als behandeling.

Maar ook een antibioticum behandeling kan helpen om de Salmonella bacterie te bestrijden. Een Salmonella typhimurium infectie beperkt zich tot een infectie van het maagdarmkanaal en daarom heeft orale therapie de voorkeur. Eerste keuze antibiotica als chloortetracycline, trimethoprim / sulfonamide combinatie, maar ook tweede keus moleculen als amoxicilline, ampicilline, apramycine, neomycine en flumequine kunnen hiervoor gebruikt worden. Door de hoge koorts en de algemene malaise is het ook nodig ontstekings- en koortsremmers te gebruiken.

Naast producten voor parenterale behandeling heeft Dopharma ook producten voor orale behandeling in haar gamma. Een overzichtje hiervan kan u vinden aan het einde van dit artikel.

Zieke kalveren worden best afgezonderd van de rest. Dit dient doordacht te gebeuren om de ziekte niet verder te verspreiden op het bedrijf.

Bij de behandeling moet de nadruk zeker gelegd worden op een goede hygiëne en preventie.

Dit om verdere besmetting van mens en dier te voorkomen.

Preventie

De volgende maatregelen kunnen preventief genomen worden:

  • Strikte bedrijfshygiëne met gebruik van bedrijfskledij en schoeisel;
  • Goede reiniging en desinfectie van de stal na infectie;
  • Ongediertebestrijding;
  • Geen materiaal uitwisseling tussen groepen van dieren en/of bedrijven;
  • Geen mest aanvoeren van andere rundveebedrijven.

Dopharma gamma ter behandeling van salmonellose bij rundvee

Producten Reg NL Aanbevolen dosering per kalf
Ondersteunende therapie
Na-salicylaat  8913 40 mg natrium salicylaat per kg lichaamsgewicht per dag, gedurende 1- 3 dagen.
Sodium Salicyl® 80% WSP 104033 40 mg natrium salicylaat per kg lichaamsgewicht eenmaal daags (overeenkomend met 50 mg product per kg lichaamsgewicht per dag), gedurende 1 – 3 dagen.
Antibiotica therapie*
Eerste keus antibiotica
Trim/sul Sul 80/420 2213 21 mg sulfadiazine natrium en 4 mg trimethoprim per kg lichaamsgewicht per dag (overeenkomend met 2,5 g product per 50 kg lichaamsgewicht), verdeeld over twee doses, gedurende maximaal 5 dagen.
Cubarmix® 48% 7863 20 mg sulfadiazine en 4 mg trimethoprim per kg lichaamsgewicht, verdeeld over twee doses (overeenkomend met tweemaal daags 2,5 g product per 100 kg lichaamsgewicht), gedurende 5 dagen.
Tweede keus antibiotica
Enterflume® kalf, kip 8758 9 mg flumequine per kg lichaamsgewicht, tweemaal daags (overeenkomend met twee maal daags 0,9 gram per 50 kg lichaamsgewicht), gedurende 3 – 5 dagen.
Neosol® 100% 104343 10 mg neomycine sulfaat per kg lichaamsgewicht per dag, verdeeld over 2 – 4 keer, gedurende 3 – 5 dagen.
Ampisol® 100% 5193 20 – 40 mg ampicilline trihydraat per kg lichaamsgewicht per dag, verdeeld over twee doseringen, gedurende 5 – 7 dagen.
Ampisol® 20% 1985 20 – 40 mg ampicilline trihydraat per kg lichaamsgewicht per dag (overeenkomend met 1 – 2 gram product per 10 kg lichaamsgewicht per dag), verdeeld over twee doseringen, gedurende minimaal 5 dagen.

* Gezien de ernst van de klinische verschijnselen is het aan te raden de hoogst toegelaten dosering te gebruiken.

Meer informatie over onze producten vindt u op onze website www.dopharma.com

Referenties

Moeten we ons zorgen maken om lumpy skin disease?

Lumpy Skin disease (LSD), een van origine Afrikaanse runderziekte rukt op naar het noorden.

LSD, ook besmettelijke nodulaire dermatitis genoemd, is een huidaandoening bij runderen die veroorzaakt wordt door een pokkenvirus. De ziekte leidt tot schade aan de huid en heeft effect op de melk-, rundvlees- en leerproductie.

Maatregelen om de verspreiding van de ziekte in te dijken lijken niet te volstaan. Vanwege de vergaande economische gevolgen die het kan veroorzaken, staat LSD op de A-lijst (snel verspreidende ziekten) van de OIE.

Figuur 1 Koe met lumpy skin disease

Lumpy skin disease (LSD) of besmettelijke nodulaire dermatose is een huidaandoening bij runderen die veroorzaakt wordt door een pokkenvirus.

In de richtlijn inzake de melding van besmettelijke dierziekten (volgens artikelen 3 en 4 van 92/119 / EG)  wordt LSD aangeduid als besmettelijke dierziekte bij vee. De NVWA dient daarom geïnformeerd te worden bij eventuele verdenking van de ziekte.

Etiologie

Het lumpy skin disease virus (LSDV) behoort tot de familie van de Poxviridae, genus Capripoxvirus en is nauw verwant aan het schapen- en geitenpokkenvirus.

Runderen zijn het meest gevoelig voor dit virus. Maar ook waterbuffalo’s, giraffen, impala’s en kamelen kunnen de infectie doormaken. LSDV kan zich ook vermenigvuldigen in schapen en geiten na inoculatie. Nodulaire dermatitis is niet besmettelijk voor mensen.

LSDV is opmerkelijk stabiel en kan gedurende lange perioden overleven. LSDV kan gedurende 33 dagen of langer overleven in necrotische huidknobbels, tot 35 dagen in gedroogde korsten en ten minste 18 dagen in aan de lucht gedroogd huiden. Het virus is gevoelig voor zonlicht en desinfectiemiddelen die vet kunnen oplossen. In donkere en verontreinigende stallen kan het virus lang overleven.

Lumpy skin werd voor het eerst gerapporteerd in Zambia in 1929. Meldingen van uitbraken uit naburige landen volgden al spoedig. In mei 1988 had de ziekte het noorden van Afrika bereikt. In dit jaar en het jaar daarop werden heel wat koeien besmet in Egypte en de ziekte verspreidde zich ook naar Israël. In Israël is de ziekte ondertussen uitgeroeid. Maar de verspreiding van LSD zet zich verder voort richting het noorden. Vorig jaar werden er in Bulgarije negen haarden van besmettelijke nodulaire dermatitis bevestigd. Om deze reden heeft de stichting kwaliteitsgarantie vleeskalverhouderij (SKV) in oktober 2016 een verbod afgekondigd voor het opzetten van kalveren uit Bulgarije.

Figuur 2 Kaart die uitbraken van augustus 2016 tot maart 2017 in kaart brengt (OIE).

Het virus wordt hoofdzakelijk overgedragen door bijtende insecten. Maar ook direct contact en besmette huiden kunnen de ziekte overbrengen. Het virus kan gevonden worden in speeksel, neus- en conjunctivale secreties, melk en in huidletsels en hun korsten. Virus uitscheiding via het sperma kan lange tijd aanhouden.

Uitbraken komen vooral voor in warme gebieden waar veel insecten aanwezig zijn, na intense regenval of langs rivieren. De ziekte verspreidt zich traag en ze kan onder controle gebracht worden door het ruimen van besmette bedrijven en het instellen van een bewegingsbeperking van runderen.

De morbiditeit kan oplopen tot 50%. Het sterfte percentage is normaal gezien vrij laag, maar bij een hoge infectiedruk kan dit oplopen tot 40%.

Symptomen

Over de incubatieperiode in het veld is nog niets bekend. Echter na inoculatie is de incubatieperiode 2 tot 8 weken. Bij experimenteel geïnfecteerde dieren ontstaat koorts (tot 41°C) na 6-9 dagen. De eerste huidletsels op de plaats van inoculatie ontstaan na 4 tot 20 dagen. Zieke dieren krijgen vooral knobbels op hun huid en op hun slijmvliezen. Dat kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. Door de hoge koorts zijn de dieren zwak en willen ze niet meer eten waardoor hun melkgift afneemt. De knobbels verdwijnen uiteindelijk maar het herstel kan heel lang duren, waardoor dieren kunnen sterven door zwakte en ondervoeding. Ook kunnen er letsels ontstaan in het gastro-intestinale stelsel en de trachea. Bijkomende bacteriële infecties in o.a. de uier (mastitis), pezen en gewrichten (kreupelheid) kunnen zorgen voor complicaties van lumpy skin disease. De ziekte leidt ook in lage percentages tot abortus en (tijdelijke) onvruchtbaarheid.

Figuur 3 Lumpy skin disease laesies

Diagnose

De diagnose van de ziekte gebeurt aanvankelijk op klinische gronden en dient later bevestigd te worden in het laboratorium door klassieke virologische en/of serologische methodes. Vanwege de lage antilichaamrespons na infectie wordt de bevestiging van de ziekte over het algemeen gebaseerd op de detectie van Capripoxvirus virions of antigenen via elektronenmiscroscopie, virusisolatie en/of real-time PCR.

Monsters voor virusisolatie moeten genomen worden tijdens de eerste week na het verschijnen van symptomen, voordat neutraliserende antilichamen verschijnen. Monsters voor real-time PCR kunnen ook na deze periode verzameld worden.

Differentiaal diagnose

  • Pseudo-nodulaire dermatose of ziekte van Allerton (Herpesvirus)
  • Huidleucose
  • Horzellarve
  • Demodicidose
  • Onchocercose

Bestrijding

Om verspreiding van LSD tegen te gaan, is in de Oost-Europese landen besloten om besmette veestapels te ruimen en de vervoersbewegingen in besmette gebieden te beperken. Probleem daarbij is wel dat het virus niet alleen door direct contact, maar ook door steekvliegen en muggen wordt overgebracht.

Vaccinatie is dan ook de meest doeltreffende manier om verliezen door Capripoxvirusen te beperken. Verschillende levend verzwakte virusvaccins worden gebruikt als bescherming tegen deze virussen. De meest gebruikte vaccins zijn deze op basis van de Romanian stam (schapenpokken) en de Neethling stam (nodulaire dermatose).

Vaccinatie tegen LSD is in Nederland verboden.

In landen waar lumpy skin disease heerst, is naast vaccinatie, vectorcontrole een belangrijke manier om schade als gevolg van de ziekte te beperken.

Voor gebieden zoals de Europese Unie die vrij zijn van de ziekte is het van belang te voorkomen dat de ziekte geïntroduceerd wordt. Binnen de Europese Unie geldt daarom een importverbod van runderen en kleine herkauwers uit landen waar lumpy skin disease heerst.

Maar hier stopt het niet. Alle runderen die uit Europa via de weg naar Turkije geëxporteerd worden, reizen door het besmette gebied in Bulgarije. Er dient dus ook aandacht geschonken te worden aan de vrachtwagens die terugkomen van Turkije.

Hygiënemaatregelen en een goede bioveiligheid zijn dan ook niet weg te denken in een goed bestrijdingsplan. Gelukkig is het virus gevoelig voor o.a. de volgende infectiemiddelen: fenol (2% / 15 minuten), natriumhypochloriet (2-3%), jodiumsamenstellingen (1:33 verdunning), quaternaire ammoniumverbindingen (0,5%).

Conclusie

Lumpy skin disease is een ziekte van het Afrikaanse continent. In 2013 werd toen de ziekte voor het eerst vastgesteld in Turkije. Sindsdien heeft het virus zich verspreid in naar Griekenland, Servië, Bulgarije, Macedonië, Albanië en Montenegro. Het risico op verdere verspreiding van de ziekte noordwaarts is groot. Besmettelijke nodulaire dermatitis kan in de Europese rundveepopulatie van circa 87 miljoen runderen grote economische schade veroorzaken. Binnen de Europese Unie geldt daarom een importverbod voor runderen uit met LSD besmette gebieden. Maar naast dit importverbod zullen ook maatregelen op vlak van hygiëne en bioveiligheid strikt moeten gevolgd worden om intrede van deze ziekte in Europa te voorkomen.

Referenties

  1. OIE (2013) Lumpy skin disease.
  2. FAO – Lumpy skin disease.
  3. Wageningen university and research – Lumpy skin disease

Krijg jij ook soms vragen over positief geteste melk met de Delvotest®?

Krijg jij als dierenarts soms ook de vraag van een boer waarom een melkmonster van een individuele koe, na het verstrijken van de wachttijd, toch nog positief test met de Delvotest®?

In dit artikel vind je meer informatie over de Delvotest, alsook enkele mogelijke verklaringen voor een vals positieve Delvotest.

Werkingsmechanisme van de Delvotest

De test bestaat uit:

  • ampullen met agar medium;
  • incubator.

In het agar medium zit:

  • een gestandaardiseerde hoeveelheid sporen van Bacillus stearothermophilus var. Calidolactis;
  • nutriënten om deze bacteriën te doen groeien;
  • de pH-indicator bromocresol (die de vloeistof paars kleurt).

In de ampullen zitten dus alle ingrediënten die nodig zijn om de sporen van Bacillus stearothermophilus te laten ontkiemen. Na een incubatietijd van 3 uur en 15 minuten bij een temperatuur van 64°C zal dit dan ook gebeuren. Bij een te lange incubatietijd vermindert de testgevoeligheid.

Als melk zonder bacterie groeiremmende stoffen aan de testampul wordt toegevoegd, zal er na de incubatieperiode ontkieming van de sporen en uiteindelijk groei van de bacteriën kunnen plaatsvinden. Dit veroorzaakt een pH-verandering en de pH-indicator zal de kleur doen veranderen van paars naar geel.

Als melk een te grote hoeveelheid bacterie groeiremmende stoffen bevat, vindt er geen groei van de bacteriën in de ampul plaats: de kleur blijft paars.

Hieronder een voorbeeld van de kleuromschakeling.

Bewaarcondities

Om een goede screening te kunnen uitvoeren, is het van belang dat bewaring van de testkit gebeurt op de aangegeven manier. De testen dienen rechtop in de originele verpakking te worden bewaard. De test dient bewaard te worden in het donker, bij een temperatuur tussen de 4 °C en 8 °C. De cups mogen niet bevriezen. Wisselende temperaturen kunnen de inhoud zacht maken waardoor de agar los komt en er luchtbellen kunnen ontstaan. Als de ampullen bij hogere temperatuur worden bewaard gaat dit ten koste van de houdbaarheid.

Afwijken van de bewaarcondities kan leiden tot afwijkende resultaten.

Houdbaarheidsdatum

De vervaldatum op de verkoopverpakking dient gerespecteerd te worden.

Hoe de Delvotest uitvoeren?

Om betrouwbare resultaten te krijgen dient de Delvotest juist te worden uitgevoerd. Bekijk de instructievideo.  

Gevoeligheid van de Delvotest

In het veld wordt de Delvotest ingezet om melk te testen op de aanwezigheid van antibiotica. De meest courante antibiotica kunnen met deze test opgespoord worden. Voor sommige antibiotica is de detectiewaarde gelijk aan de Europese Maximum Residue Level (MRL), maar voor andere is de detectiewaarde lager of hoger dan de wettelijke MRL.

Hieronder een overzichtslijst van de sensitiviteit van Delvotest voor de meeste antibiotica op de markt.

Antibioticumklasse Antibioticum MRL

uitgedrukt in pbb

Detectiewaarde van Delvotest op basis van ampullen uitgedrukt in ppb
Penicillinen Amoxicilline 4 4
Ampicilline 4 4
Penicilline G 4 2
Cloxacilline 30 6
Oxacilline 30 30
Tetracyclinen Oxytetracycline 100 100
Chlortetracycline 100 150
Tetracycline 100 70
Doxycycline (0) 50
Sulfonamiden Sulfamethazine 100 135
Sulfathiazole 100 40
Sulfadimethoxine 100 40
Sulfadiazine 100 40
Macroliden Tilmicosine 50 60
Tylosine 50 35
Erythromycine 40 160
Aminoglycosiden Neomycine 1500 60
Gentamycine 100 65
Kanamycine 150 1010
DH/Streptomycine 200 4240
Spectinomycine 200 2010
Cephalosporines Cephapirine 60 6
Ceftiofur puur^ 100 20
Cefoperazone 50 40
Cefalexine 100 30
Cefquinone 20 40
Andere Lincomycine 150 220
Trimethoprim 50 110
Rifamixine 60 40

^ceftiofur met metabolieten hebben een detectielimiet van 4 keer hoger

Private eisen van zuivelorganisaties

Een zuivelbedrijf kan aanvullende private eisen opnemen in haar leveringsvoorwaarden. De toegelaten grens van een specifiek antibioticum in de melk kan dus per organisatie verschillen, uiteraard moet altijd wel aan de Europese MRL worden voldaan.

Vals-positieve resultaten met Delvotest

De Delvotest is een microbiële test gebaseerd op de remming van bacteriën. Dit betekent dat de test ook een positief resultaat kan geven indien er andere bacteriegroeiremmende stoffen dan antibiotica in het melkmonster aanwezig zijn.

Onderstaande oorzaken kunnen mogelijk verantwoordelijk zijn voor vals-positieve resultaten

Aanwezigheid in de melk van:

  • Natuurlijke inhibitoren zoals lysozym en lactoferrine
    Lysozym en lactoferrine zitten als natuurlijke inhibitoren in de melk en kunnen zorgen voor een vals-positief resultaat. Bij nieuwmelkse koeien en koeien met mastitis is de concentratie van deze stoffen in de melk relatief hoog;
  • Desinfectiemiddelen en reinigingsproducten
    Ook desinfectiemiddelen zoals iodine, chloor of waterstofperoxide (30%) kunnen bij resp. 150 ppb, 200 ppb en 600 ppb een vals-positief resultaat geven;
  • Hoog melkvetpercentage
    Melk met een vetpercentage boven de 6% reageert in het veld ook vals-positief;
  • Hoge concentratie aan somatische cellen
    Melk met een concentratie aan somatische cellen hoger dan 106 per ml kan een vals-positief resultaat opleveren;
  • Zure melk
    Microbiologische inhibitortesten zijn extreem gevoelig voor een lage pH van de monsters.

Ook anderen factoren kunnen zorgen voor een vals-positief resultaat:

  • Mechanische defecten aan incubator
    Een niet correcte incubatietemperatuur (<62°c – >66°C) of een te korte incubatietijd kan een vals-positief resultaat geven;
  • Foute bewaring van Delvotest
    De test dient op de juiste manier bewaard te worden. Bewaring bij een te hoge of te lage temperatuur kan er voor zorgen dat aanwezige sporen in het agar afsterven waardoor groei ervan en hierdoor kleurverandering niet meer mogelijk is;
  • Een foutief uitgevoerde test
    Het niet correct volgen van de werkinstructie kan verantwoordelijk zijn voor vals-positieve resultaten;
  • Onhygiënisch werken
    De test moet steeds worden uitgevoerd met propere handen op een schoon werkvlak. Een onhygiënisch uitgevoerde test kan vals-positieve resultaten geven.

Wat te adviseren bij een positieve Delvotest op de melk?

Bij een positieve Delvotest op melk bij een individuele koe, is het raadzaam om een hertest uit te voeren. Het advies hierbij is om de melk vóór de hertest kort gedurende 10 minuten te verhitten bij 80°C om zo het eventueel aanwezige lysozym of lactoferrine in de melk te neutraliseren. Voer daarna de test opnieuw uit volgens de werkinstructie van de producent van de Delvotest.

Conclusie

De Delvotest is een betrouwbare screeningstest op bacteriegroei remmende stoffen in de melk. Een positieve geteste melk kan dus ook worden veroorzaakt door de aanwezigheid van andere groeiremmende stoffen dan antibiotica. Ook het niet correct uitvoeren van de test kan aan de oorzaak liggen van een positief resultaat. Heeft u vragen over een positieve Delvotest, vraag uw dierenarts dan om raad.

Referenties

(Referenties zijn op te vragen bij Technical support)

  1. DSM Delvotest® – Specification sheet
  2. DSM Delvotest® – Technical data sheet
  3. DSM Delvotest® – Technical bulletin
  4. Verordening (EEG) nr. 2377/902
  5. Influence of Preservative Concentration, pH Value and Fat Content in Raw Milk at Detection Limit of Microbial Inhibitor Tests (Delvotest® Accelerator) for Amoxicillin and Oxytetracycline – Slavko Mirecki & Nikoleta Nikolić (2016).

Distocur; u wilt toch ook uw melkvee tegen leverbot behandelen tijdens lactatie en droogstand?

Bedrijven die aan weidegang doen of vers gras voeren, kunnen vroeg of laat te maken krijgen met leverbot. Leverbot wint steeds meer terrein in West-Europa. Ook in Nederland en België worden steeds meer besmettingen gemeld. Sterfte door leverbot komt in runderen bijna niet voor. Maar is deze ziekte daarom minder belangrijk?

Leverbot

Leverbotinfectie of distomatose is een parasitaire ziekte bij herkauwers die veroorzaakt wordt door trematoden of platwormen. De grote leverbot die voorkomt in onze contreien draagt de naam Fasciola hepatica. Deze ziekte veroorzaakt wereldwijd belangrijke economische verliezen. De verliezen bestaan voor het grootste deel uit melkproductiedaling, gewichtsverlies en afgekeurde levers in het slachthuis. Daarnaast kan een infectie met leverbot het effect van andere ziekteverwekkers versterken of verminderen of interfereren met hun diagnose (zie verder in deze tekst). Wat wel eens vergeten wordt, is dat deze parasiet ook problemen kan geven bij andere graseters en ook bij de mens.

Leverbot – prevalentie en risicofactoren

Waar vroeger leverbotinfecties alleen maar voorkwamen in meer zuidelijke gelegen landen zien we de laatste jaren dat leverbotinfestaties ook bij ons meer en meer voorkomen. Veranderde klimatologische omstandigheden (mildere winters, hoge temperaturen en meer neerslag) zorgen ervoor dat de omstandigheden voor de ontwikkeling van de leverbot verbeteren. Daarnaast zorgen de veranderende weersomstandigheden er ook voor dat de periode met gevaar voor besmetting met leverbot steeds vroeger in het weideseizoen begint. Maar er zijn nog andere risicofactoren die de uitbreiding van leverbot op een bedrijf in de hand werken. Uit een studie uitgevoerd in Denemarken bleek dat vaarzen en droge koeien die grazen op natte weiden significante risicofactoren zijn om de infectie met leverbot op het bedrijf in stand te houden. Ook de aankoop van besmette koeien, geen of slechte behandeling van besmet jongvee en te weinig controle op al dan niet voorkomen van resistentie mogen niet vergeten genoemd te worden. Zo kan resistentie tegen triclabendazol ervoor zorgen dat leverbotinfecties gestaag uitbreiden.

Leverbot – levenscyclus

De leverbot heeft een indirecte cyclus, waarin de poelslak Galba truncatula als tussengastheer een belangrijke rol speelt. De aanwezigheid van deze poelslak is noodzakelijk om de cyclus van de leverbot te vervolledigen.

In de lever legt de volwassen leverbot eitjes die, samen met de gal, in de mest van het rund worden uitgescheiden. Een volwassen leverbot kan per dag wel 4.000 tot 7.000 eieren produceren. In de buitenwereld komen uit de eitjes trilhaarlarven of miracidiumlarven. Deze miracidiumlarven hebben binnen de 24 uur een poelslak nodig om te kunnen overleven. In de slak ontwikkelen de larven verder tot staartlarven. Deze larven verlaten de slak en komen zo in de weide terecht. Na het verliezen van zijn staart kapselt de larve zich in tot een besmettelijke cyste (metacercaria). Bij het opeten van de cysten via het gras raken graseters besmet. Binnen enkele uren na opname ontstaan juveniele leverbotjes in de dunne darm. Deze botjes boren zich door de darmwand en migreren door de buikholte richting lever en galgangen.
In het rund loopt de levensduur van een leverbot uiteen van 6 maanden tot twee jaar.

Leverbot levenscyclus

Figuur 1 De leverbotcyclus in het rund met tussengastheer Galba truncatula (bron: DGZ – Ugent)

Leverbot – symptomen

Door de migratie van de parasiet in de lever en de beschadigingen die daar worden aangebracht kan er een hele waaier aan symptomen ontstaan. Deze kunnen gaan van verminderde melkproductie, gewichtsverlies, verminderde fertiliteit, diarree tot sterfte.
Bij rundvee is een infectie meestal subklinisch en dus sluimerend, met economische consequenties tot gevolg. Bij schapen kan het vooral bij jonge dieren aanleiding geven tot acute sterfte.

Leverbot – diagnose

De diagnose van leverbot kan op verschillende manieren worden gesteld. Niet elke methode is op elk moment van de infectie relevant.

Mestonderzoek

Met mestonderzoek (sedimentatie-flotatie) kan het aantal eieren uitgescheiden door volwassen wormen worden aangetoond. De mest (rectaal genomen) wordt microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van leverboteieren. De aanwezigheid van eieren van de parasiet is niet alleszeggend en kan ook niet op elk tijdstip worden uitgevoerd. Zo is er in de prepatente periode geen uitscheiding van eieren door de immature stadia. Daarbij staat het aantal eieren gevonden in de faeces niet altijd in relatie met het aantal adulte parasieten in de lever. Na het opnemen van een metacercaria duurt het gemiddeld 10 tot 12 weken tot de leverbot volwassen is en eieren kan uitscheiden. De beste periode om mestonderzoek te doen is 3 maanden na het einde van het weideseizoen. Omwille van intermitterende uitscheiding is het uiteraard het best om meerdere dieren uit een groep te bemonsteren. Het aantonen van leverboteieren in de mest geeft informatie over de infestatie in de groep.

Aantonen van antistoffen in het bloed

Een leverbot infestatie geeft aanleiding tot het vormen van antistoffen in het bloed. Vier weken na het opdoen van een leverbotinfectie kunnen deze antistoffen in het bloed aangetroffen worden met behulp van een ELISA-test. De antistoffen zijn aantoonbaar tot 180 dagen na een infectie. Dit impliceert dat een besmetting opgelopen in het najaar, in het daaropvolgende jaar nog kan zorgen voor een positieve test op afweerstoffen in het bloed. Deze test kan dus niet gebruikt worden om een effectieve besmetting aan te tonen. Naast het opsporen van antistoffen kan er in het bloed ook gekeken worden naar de leverenzymgehaltes gamma-glutamyltransferase (GGT) en glutamaatdehydrogenase om een idee te krijgen van de leverbeschadiging die er heeft plaats gevonden.

Aantonen van antistoffen in de melk

Via tankmelkonderzoek wordt de Optische Densiteit Ratio (ODR) van antistoffen gericht tegen Fasciola hepatica bepaald. Dit tankmelkonderzoek kan het hele jaar gebeuren, maar preferentieel voor het einde van het weideseizoen. Hiermee krijgt de veehouder een idee over de graad van besmetting op bedrijfsniveau. Een ODR < 0,30 wordt als negatief beschouwd. Een ODR tussen 0,30 en 0,50 wijst op een leverbotbesmetting zonder ernstige productieverliezen. Een ODR > 0,50 wijst op een ernstige besmetting met leverbot met mogelijk negatieve gevolgen op melkgifte en fertiliteit.

Aantonen van antigenen in de mest

Met een ELISA-test die antigenen in de mest opspoort (hoge gevoeligheid) kan er gekeken worden of een dier al dan niet zwaar besmet is.

Lijkschouwing

Op gestorven dieren kan ook gekeken worden hoe ernstig de lever is beschadigd.

Leverbot – immuniteitsontwikkeling

De immuunrespons als reactie op de aanwezigheid van pathogenen valt onder te verdelen in aspecifieke immuunrespons en een verworven immuunrespons. De aspecifieke immuunrespons is zoals het woord al aangeeft niet specifiek voor een bepaald pathogeen en zal bijgevolg niet leiden tot een immunologisch geheugen. Bij de verworven of adaptieve immuunrespons zijn de B-cellen die zich kunnen differentiëren tot antistof secreterende plasmacellen en de T-cellen die zich differentiëren tot CD8+ cytotoxische T-cellen, CD4+ helper T-cellen en regulatoire T-cellen van belang. Er is veel bekend over de T-helpercel type 1 (Th1-cel) en type 2 (Th2-cel). De Th1-cel produceert voornamelijk IFN-γ en is van belang voor de activatie van macrofagen, voor de verwijdering van intracellulaire pathogenen en cellulaire immuniteit. De Th2-cel produceert voornamelijk IL-4 en is van belang voor de activatie en recruitment van ontstekingscellen en voor humorale immuniteit.

Infecties met Fasciola hepatica gaan gepaard met release van hoge concentraties Interleukine 4 (IL-4), IL-5 en IL-13 wat uiteindelijk resulteert in verhoogde IgE niveaus, eosinofilie en andere immuun responsen geassocieerd met het Th2 subtype. De vroege differentiatie tussen Th1/Th2 cellijn van de helper T-cellen wordt in de hand gewerkt door cytokines als IL-4 en IFN-γ. De hoge concentratie IL-4 bij een leverbotinfectie en bijgevolg de sterke Th2 immuunrespons zorgt tevens voor een neerwaartse initiële Th1 immuunrespons met minder productie van IFN-γ en verlaagde reactiviteit van lymfocyten tot gevolg.
Hieronder ziet u een schematische voorstelling van de immuunrespons regulatie geïnduceerd tegen Fasciola hepatica. (Bron: E. Moreau, Alain Chauvin)

Schematische voorstelling immuunregulatie tegen fasciola hepatica

Leverbot – immunomodulerende eigenschappen

Wormen hebben verschillende manieren ontwikkeld om aan de immuunrespons van de gastheer te ontsnappen. Maizels et al. noemden ze daarom ook “De meesters van de immunomodulatie”.
Deze immunomodulerende eigenschappen zorgen ervoor dat de worm in de gastheer blijft bestaan en kunnen leiden tot interacties met inflammatoire en immuunmechanismen die betrokken zijn bij andere infecties, vaccinaties, allergische reacties of auto-immuunziekten.

Enkele voorbeelden:

Bovine tuberculose

Bovine tuberculose (BTB) veroorzaakt door Mycobacterium bovis is wereldwijd nog steeds een belangrijke ziekte bij koeien. De eradicatieprogramma’s in de meeste landen zijn gebaseerd op:
• SICCT (single intradermal comparative cervical tuberculin test)
• IFN-γ bloedtest (tweedelijnstest).

Zoals hierboven aangegeven wordt tijdens een leverbotinfectie de Th1 immuunrespons en daarmee de cellulaire immuniteit onderdrukt. Hierdoor kan mogelijk afbreuk gedaan worden aan de gevoeligheid van de twee screeningstesten gebruikt in het veld met vals negatieve resultaten tot gevolg.
Dit mogelijk verband werd aangetoond door Robin J. Flynn aan de universiteit in Dublin.
Om een mogelijke interferentie te onderzoeken vaccineerde hij dieren al dan niet geïnfecteerd met leverbot met BCG vaccin (avirulente stam die gebruikt wordt in de humane geneeskunde).
De SCITT en IFN-γ test uitgevoerd bij de verschillende groepen dieren gaf de volgende resultaten:

SCITT en IFN gamma testresultaten

Uit bovenstaand experiment blijkt dat bij runderen geïnfecteerd met leverbot er mogelijk interferentie kan optreden met de bestaande screeningstesten voor BTB gebruikt in het veld.
Overmatige IL-4 secretie door leverbotinfectie is voornamelijk verantwoordelijk voor suppressie van Th1 cellulaire immuniteit die ontstaat na vaccinatie met Mycobacterium bovis.

De leverbot met zijn immuunmodulerende eigenschappen kan de vatbaarheid van de gastheer voor infecties met andere pathogenen verhogen. Immers het downregulerend effect van IL-4 op Th1 immuunrespons (welke gerelateerd is aan cellulaire immuniteit) kan ervoor zorgen dat bepaalde infecties waar deze immuniteit belangrijk is heftiger verlopen.

Salmonella dublin

Studies uitgevoerd in de late jaren 1970 en vroege jaren 1980 vonden dat co-infectie van runderen met Salmonella dublin en Fasciola hepatica leidde tot een verhoogde ernst van de klinische ziekte, een langer ziekteverloop en een verhoogde kans dat co-geïnfecteerde dieren dragers worden van S. dublin. De door F. hepatica onderdrukte pro-inflammatoire response bij Salmonella infectie zorgt ervoor dat de gevoeligheid voor deze intracellulaire parasiet toeneemt.

Escherichia coli O157

Escherichia coli O157 is een bacterie die verantwoordelijk is voor hemorragische diarree bij mensen. Runderen zijn reservoir van deze verocytotoxigene E. coli en zijn dus een mogelijk gevaar voor overdracht naar de mens. Uit een onderzoek uitgevoerd op de Universiteit in Liverpool is gebleken dat runderen die geïnfecteerd zijn met Fasciola hepatica een verhoogde kans op uitscheiding met de E. coli O157 vertonen. Door een goede controle van distomatose kan zo een mogelijke besmetting met E. coli O157 voorkomen worden.

Leverbot – preventie en behandeling

Bestrijding van de leverbot berust op twee pijlers.

Preventie

Een goed weidebeheerplan en het overdacht buiten zetten van dieren kan al een heel stuk helpen bij de bestrijding van leverbot. Met een aangepast weidebeheer is het contact tussen de eindgastheer en de infectieuze leverbotstadia sterk te verminderen.

Behandeling

Er zijn verschillende flukiciden op de markt in Nederland. Niet elke product is werkzaam tegen ieder stadium van de leverbot. Triclabendazol met een werkzaamheid tegen alle fasen van de leverbot was het middel dat gedurende jaren gebruikt is geweest om een infectie te bestrijden. Probleem is dat de leverbot steeds vaker resistent blijkt voor dit middel. Daarnaast kan triclabendazol niet gebruikt worden bij melkgevend vee. Producten met oxyclozanide kunnen gebruikt worden bij melkvee tijdens de lactatie en de volledige droogstandperiode en zijn actief tegen adulte leverbotten.

Dopharma heeft sinds kort Distocur 34 mg/ml met de actieve stof oxyclozanide in het productgamma. Dus behandeling van een leverbotinfectie of distomatose bij melkvee kan voortaan ook in Nederland zonder toepassing van de cascade.

Referenties

  • M.A.A. Rana et al, Fascioliasis in cattle – A review. The Journal of Animal & Plant Sciences, 24(3):2014, pages: 668-675
  • N.J. Beesley et al, Fasciola and Fasciolosis in ruminants in Europe: Identifying research needs. Transboundary and Emerging Diseases, 65 (Suppl. 1):2018, pages: 199-216
  • D.J.L. Williams, Liver fluke – an overview for practitioners. http://www.cattleparasites.org.uk/
  • N. Takeuchi-Storm et al, Patterns of Fasciola hepatica infection in Danish dairy cattle: implications for on-farm control of the parasite based on different diagnostic methods. Parasites & Vectors, 2018, 11:674
  • Focus op Leverbot, Praktische handleiding. DGZ – Ugent
  • E. Moreau and Alain Chauvin, Immunity against Helminths: Interactions with the Host and het incurrent infections. Journal of Biomedicine and Biotechnology, Volume 2010, Article ID 428593, 9 pages
  • R.J. Flynn et al, Experimental Fasciola hepatica infection alters responses to tests used for diagnosis of bovine tuberculosis. Infection and immunity, Mar. 2007, Pages: 1373-1381
  • M.M. Aitken et al, Effects of experimental Salmonella dublin infection in cattle given Fasciola hepatica thirteen weeks previously. Journal of Comparative Pathology Volume 88, Issue1, January 1978, pages: 75-84
  • A.K. Howell et al, Co-infection with Fasciola hepatica may increase the risk of Escherichia coli O157 shedding in British cattle destined for the food chain. Prevetmed, 2017

Effy Tabs voor herstel van de vochtbalans bij kalverdiarree

De oorzaak van diarree is meestal multifactorieel. Voor een correcte curatieve behandeling is het noodzakelijk te weten welke pathogenen de veroorzakers zijn van de diarree. Daarnaast dient er ook een symptomatische behandeling te worden ingesteld.

Ten gevolge van diarree treedt vochtverlies op. Dit kan afhankelijk van de ernst van de symptomen variëren van 3% tot 20%. Met dat vocht verliest het dier ook een aantal belangrijke mineralen zoals bicarbonaat, natrium, kalium en chloor. Dit zorgt voor een verstoring van de zuurbasebalans in het lichaam met verzuring van het bloed tot gevolg.

De vochtbalans ten gevolge van diarree kunt u terug op peil brengen door het toedienen van een infuus of een orale elektrolytenoplossing. De keuze is mede afhankelijk van de uitdrogingsgraad. Is het verlies van lichaamsvloeistoffen minimaal (3 – 6%), dan kunt u met orale elektrolytenoplossingen aan de slag.

Effy tabs zijn bruistabletten voor kalveren ter stabilisatie van de water- en elektrolytenbalans. Hiermee kunt u de vochtbalans op een gemakkelijke manier terug op peil brengen. Daarnaast zorgen de alkalinisator bicarbonaat en de SID van 82.805 mmol/l ervoor dat de verzuring van het bloed wordt tegengegaan.