Diergeneesmiddelengebruik via de cascade

Indien er voor een betreffende diersoort en aandoening geen geregistreerd middel is, kan een dierenarts gebruik maken van de cascade. Het diergeneesmiddel wordt dan off label gebruikt. In dit artikel wordt uitgelegd hoe de cascade werkt en hoe deze toegepast kan worden.

Uitleg cascade

Het toepassen van de cascade is beschreven in het Besluit Diergeneeskundigen, artikel 5.1 en artikel 5.2.

De eerste voorwaarde voor het toepassen van de cascade is dat de dieren onaanvaardbaar lijden wordt bespaard. Daarna worden de volgende stappen doorlopen:

  1. Is er een Nederlands product geregistreerd voor een andere diersoort of voor een andere aandoening bij dezelfde diersoort.
  2. Als dit niet het geval is, kan er gebruik worden gemaakt van:
    1. Een in Nederland humaan geregistreerd geneesmiddel;
    2. Een in een andere lidstaat van de EU geregistreerd diergeneesmiddel voor toepassing bij dezelfde of een andere diersoort.
  3. Ten slotte is er de mogelijkheid een magistraal bereid diergeneesmiddel te gebruiken.

Het correct toepassen van de cascade is weergegeven in de figuur.

Voedselproducerende dieren

Bij voedselproducerende dieren mogen alleen diergeneesmiddelen worden toegepast met een werkzame stof waarvoor een MRL (maximum residue level) is vastgesteld, of waarvoor is bepaald dat een MRL niet nodig is. Deze middelen zijn opgenomen in tabel 1 (toegestane stoffen) van Verordening (EU) 37/2010.

Het is niet noodzakelijk dat er een MRL is voor de diersoort waarvoor het product wordt toegepast. Het is echter wel belangrijk dat er rekening wordt gehouden met eventuele opmerkingen in deze tabel, zoals “niet voor gebruik bij dieren die melk of eieren voor humane consumptie produceren”. Werkzame stoffen met deze opmerking mogen ook niet via de cascade worden toegepast bij dieren die eieren of melk voor humane consumptie produceren.

De gehanteerde wachttermijn is minimaal even lang als de wachttermijn die aangegeven wordt voor het betreffende middel en de betreffende diersoort. Als er geen wachttermijn is aangegeven voor de betreffende diersoort, geldt een minimale wachttijd van:

  1. 7 dagen voor eieren en melk;
  2. 28 dagen voor vlees van pluimvee en zoogdieren, met inbegrip van vet en afval;
  3. 500 graaddagen voor visvlees.

Paarden

Voor paarden geldt een uitzondering op de cascade. In Verordening (EU) 1950/2006 is een lijst opgenomen met werkzame stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paarden. Deze stoffen mogen alleen gebruikt worden voor de behandeling van de in de verordening genoemde specifieke ziekteverschijnselen, behandelingsbehoeften en zoötechnische doeleinden.

Ook paarden die bestemd zijn voor humane consumptie mogen behandeld worden met deze diergeneesmiddelen, maar er moet dan een wachttermijn van minimaal zes maanden worden toegepast.

Behandelen met een ander diergeneesmiddel is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de eisen voor voedselproducerende diersoorten, of wanneer op het paardenpaspoort wordt aangegeven dat het dier uitgesloten is voor de voedselproductie.

Administratie & Etikettering

Bij het gebruik van diergeneesmiddelen volgens de cascade dient de dierenarts het diergeneesmiddel zelf van etiketten te voorzien met de Nederlandse gegevens. Tevens is het verplicht bij iedere levering van diergeneesmiddelen een Nederlandstalige bijsluiter af te geven aan de dierhouder.

Administratie dierenarts

De eisen voor administratie van de dierenarts zijn weergegeven in de regeling diergeneeskundigen.

Bij het toepassen of afleveren van diergeneesmiddelen via de cascade bij voedselproducerende dieren dient een dierenarts tenminste de volgende administratie te voeren:

  1. de datum waarop de dieren werden onderzocht;
  2. naam en adres van de houder van de dieren;
  3. het aantal behandelde dieren;
  4. de diagnose;
  5. de diergeneeskundige motivering voor de toediening van het diergeneesmiddel;
  6. de voorgeschreven diergeneesmiddelen;
  7. de toegediende dosering;
  8. de duur van de behandeling;
  9. de geadviseerde wachttermijn.

Deze administratie moet gedurende een periode van minimaal vijf jaar bewaard worden.

Informatie van de dierenarts aan de dierhouder

Bij de toepassing van diergeneesmiddelen volgens de cascaderegeling dient de dierenarts op voorhand de volgende informatie aan de dierhouder te verstrekken:

  1. Informeren over het gebruik van niet geregistreerde (dier)geneesmiddelen;
  2. Wijzen op mogelijke risico’s bij gebruik van het (dier)geneesmiddel;
  3. Naam en hoeveelheid van het afgeleverde (dier)geneesmiddel;
  4. De in acht te nemen wachttermijn.

De laatste twee punten moeten schriftelijk overhandigd worden aan de dierhouder.

Bij een behandeling van paarden volgens de cascade worden de bijzonderheden van een behandeling met een diergeneesmiddel via de cascade beschreven in hoofdstuk IX van het paspoort van het betreffende paard.

De dierenarts moet in de administratie van de houder van dieren de volgende aantekening maken:

  1. de datum van de behandeling met diergeneesmiddelen voor zover door de dierenarts uitgevoerd;
  2. benaming en, in voorkomend geval, nummer van het diergeneesmiddel;
  3. de identificatie van de behandelde dieren;
  4. de in acht te nemen wachttermijn;
  5. het doel van de behandeling;
  6. de wijze van toediening van het diergeneesmiddel.

Ook deze administratie moet voor een periode van minimaal vijf jaar bewaard worden.

Referenties

  1. Besluit Diergeneeskundigen, artikelen 5.1 en 5.2
  2. Regeling Diergeneeskundigen, artikelen 5.1 t/m 5.4
  3. Verordening (EU) 37/2010
  4. Verordening (EU) 1950/2006

Links- of rechtsdraaiend merries hengstig krijgen

Sinds 2015 behoort het product Indupart 75 µg/ml® tot het assortiment van Dopharma. Indupart 75 µg/ml® is een oplossing voor injectie en is geregistreerd voor gebruik in rund, varken en paard. Indupart 75 µg/ml®  bevat als werkzame stof 75 µg D-cloprostenol per ml. In dit artikel wordt meer informatie verstrekt over de werkzame stof D-cloprostenol.

Prostaglandine

Prostaglandine is een bekend en veel gebruikt hormoon in de voortplanting. Het wordt voornamelijk gebruikt vanwege zijn luteolytisch effect.

Natuurlijk versus synthetisch

Door middel van parenterale toediening van een PGF2α preparaat kunnen de effecten van PGF2α nagebootst worden. Er zijn zowel natuurlijke als synthetische PGF2α analogen op de markt. De diverse analogen verschillen zowel in potentie als in halfwaardetijd. Doorgaans hebben synthetische PGF2α analogen een langere halfwaardetijd en minder bijwerkingen dan natuurlijke PGF2α analogen.

Cloprostenol

Van alle synthetische PGF2α analogen is cloprostenol de meest bekende en meest gebruikte. Cloprostenol is erg potent en heeft een relatief lange halfwaardetijd.

Isomeren

Net zoals alle synthetische PGF2α analogen is cloprostenol een racemisch mengel. Dit betekent dat cloprostenol twee isomeren, D-cloprostenol en L-cloprostenol, bevat in een verhouding van 1:1. D-cloprostenol en L-cloprostenol zijn optische isomeren van elkaar. Dit betekent dat ze elkaars spiegelbeeld vormen en elk andere eigenschappen bezitten.

Uit het onderzoek van Kral et al. (1988) is gebleken dat enkel D-cloprostenol luteolytische activiteit bezit. Na toediening van D-cloprostenol wordt er een daling van de progesteronconcentratie in het plasma waargenomen, terwijl toediening van L-cloprostenol deze daling niet bewerkstelligt. Dit heeft te maken met de vorm van de prostaglandine receptoren. Deze is dusdanig dat L-cloprostenol hier niet op past en hier dus ook geen effect op kan hebben.

Tegenwoordig is het mogelijk D-cloprostenol te isoleren uit het racemische mengsel. Een preparaat met enkel D-cloprostenol is vele malen effectiever in het bewerkstelligen van luteolyse dan een preparaat met het racemische mengel met D- en L-cloprostenol.

Indupart 75 µg/ml®

Indupart 75 µg/ml® is een oplossing voor injectie met D-cloprostenol als werkzame stof. Doordat Indupart 75 µg/ml® enkel het luteolytisch actieve D-cloprostenol bevat is er minder werkzame stof nodig om hetzelfde effect te bewerkstelligen. Minder werkzame stof betekent ook een kleinere kans op bijwerkingen zoals zweten en diarree.

Literatuur

  1. Cuervo-Arango, J.; Newcombe, J. R. ( 2012) Relationship between dose of cloprostenol and age of corpus luteum on the luteolytic response of early dioestrous mares: a field study. Reproduction in Domestic Animals 47: 4, 660-665.
  2. Král, J.; Bílek, P.; Myšičková, S.; Borovička, A.; Píchová, D.; Ševčík, B. (1988) The effect of optically active isomers of cloprostenol on the secretory activity of corpus luteum. Biologizace a Chemizace Živočišné Výroby, Veterinaria 24: 3, 217-221.
  3. Re, G.; Badino, P.; Novelli, A.; Vallisneri, A.; Girardi, C. (1994) Specific binding of dl-cloprostenol and d-cloprostenol to PGF2α receptors in bovine corpus luteum and myometrial cell membranes. Journal of Veterinary Pharmacology and Therapeutics 17: 6, 455-458.
  4. Pinto, C.R.F. (2013) Use of Prostaglandin F2 for Controlling the Mare’s Estrous Cycle. AAEP proceedings Vol. 59.
  5. Cuervo-Arango, J. (2010) The effect of cloprostenol on follicular development, ovulation, anovulation and pregnancy rate in the mare. Academic dissertation, Helsinki.
news

Intra-articulair gebruik van corticosteroïden en wachttermijn sport

De British Horseracing Authority (BHA) heeft recent een notificatie betreffende het intra-articulair gebruik van corticosteroïden gepubliceerd welke ook door de British Equine Veterinary Association (BEVA) is overgenomen. Niet alles in deze notificatie is van toepassing op wedstrijdpaarden in Nederland. Desalniettemin bevat deze notificatie enkele alinea’s die ook interessant zijn voor Nederlandse eigenaren en dierenartsen actief in de paardensport. Hieronder een vertaling. De originele notificatie kan teruggevonden worden op de website van BEVA.

Corticosteroïden, waaronder triamcinolonacetonide, methylprednisolonacetaat, betamethason en dexamethason, vallen onder stoffen die verboden zijn op racedagen. Het gebruik van deze middelen is wel toegestaan voor de behandeling van gediagnostiseerde en geïndiceerde aandoeningen tijdens training. Het is de verantwoordelijkheid van de trainer om te zorgen dat er op de racedag geen verboden stoffen in het paard aanwezig zijn.

‘Stand-Down’ periode

In januari 2015 werd er door de BHA een nieuwe regel geïmplementeerd: een verplichte stand-down periode van 14 dagen na toediening van een intra-articulair corticosteroïd. Volgens deze regel mag een paard in de laatste 14 dagen voor een race niet intra-articulair behandeld zijn met een corticosteroïd. Deze stand-down periode is de minimaal verplichte periode en moet niet verward worden met detectietijd of wachttermijn.

Detectietijden

Na het toedienen van corticosteroïden aan een paard, zeker intra-articulair, kan de excretietijd aanzienlijk variëren. Excretietijden kunnen o.a. beïnvloed worden door:

  • het toegediende corticosteroïd;
  • de plaats van toediening (bijvoorbeeld in welk gewricht);
  • de dosering per gewricht en de totale dosering per paard;
  • de mate van ontsteking in het gewricht;
  • de gelijktijdige toediening van andere medicatie (bijvoorbeeld amikacine, hyaluronzuur);
  • de injectietechniek (bijvoorbeeld accidentele toediening in de omliggende weke delen).

Deze factoren maken het extreem moeilijk om één detectietijd vast te stellen die trainers en dierenartsen kunnen gebruiken. Daarom publiceert de BHA geen detectietijden voor het gebruik van intra-articulaire corticosteroïden.

De BHA is op de hoogte van studies uitgevoerd in gezonde paarden die er op lijken te wijzen dat een eenmalige dosering van 10 mg triamcinolonacetonide in een gewricht binnen de 14 dagen stand-down periode hoogstwaarschijnlijk niet zal resulteren in een positief resultaat op de racedag. Dit moet echter niet los gezien worden van de overige informatie gegeven in deze notificatie. Er is namelijk GEEN gepubliceerde detectietijd voor intra-articulair toegediende corticosteroïden en de verplichte 14 dagen stand-down periode moet niet gebruikt worden als detectietijd. Gegeven de strikte verantwoordelijkheid van de trainer om zorg te dragen dat er op racedagen geen verboden stoffen aanwezig zijn in de deelnemende paarden, moeten de trainers en hun dierenartsen de bovengenoemde factoren meewegen bij de bepaling van een geschikte wachttermijn sport na een intra-articulaire behandeling met corticosteroïden.

Wachttermijnen

Men moet op de hoogte zijn van het verschil tussen een detectietijd en een wachttermijn, daar de twee verschillend zijn. Bij de bepaling van een wachttermijn zou men een adequate veiligheidsmarge moeten toevoegen aan de detectietijd. Deze veiligheidsmarge moet worden bepaald door de behandelend dierenarts, gebruikmakend van zijn professionele kennis. De mogelijke biologische, farmaceutische en farmacologische variatie dient hierbij in ogenschouw genomen te worden. Dit geeft duidelijk stof tot discussie tussen trainers en hun dierenartsen wanneer de afweging moet worden gemaakt om wel of niet gebruik te maken van een op de racedag verboden stof.

Vrijwillig testen

Trainers kunnen er voor kiezen om hun paard voor een race vrijwillig te laten testen op de aanwezigheid van toegediende medicatie.

Dopharma’s verbeterde doseringswijzer

Als dierenarts of veehouder kon u al langer gebruik maken van de doseringswijzer van Dopharma. In het kader van Dopharma 2.0 is ook onze doseringswijzer vernieuwd. We hebben niet alleen de opmaak veranderd, ook de techniek achter deze calculator is verbeterd.

De doseringswijzer kan gebruikt worden voor vleesvarkens, vleeskuikens en kalveren. Uniek aan Dopharma’s gebruiksvriendelijke doseringswijzer is dat u kunt aangeven met welk product u de dieren wilt behandelen. De dosering en behandelduur zoals deze in de SPC staan, worden dan automatisch weergegeven.

Wat is er verbeterd ten opzichte van de oude doseringswijzer?

  • In de berekening worden, op basis van gemiddelde kengetallen, suggesties gedaan voor de water- en voeropname. Het is echter heel eenvoudig om deze waardes aan te passen. Zo kan er ook een nauwkeurige dosering worden berekend als de dieren bijvoorbeeld minder drinken door ziekte of juist meer drinken door hoge omgevingstemperaturen.
  • Voor vleeskuikens houdt de calculator rekening met de snelle toename in lichaamsgewicht. Als u het lichaamsgewicht invult dat de dieren hebben op dag één van de behandeling, past de calculator de berekening automatisch zo aan dat de toename in lichaamsgewicht op de daaropvolgende dagen mee wordt genomen.
  • Bij kalveren kan ingevoerd worden hoeveel behandelingen per dag gegeven worden. De hoeveelheid product per behandeling wordt hier dan op aangepast.
  • Naast de dosering per liter drinkwater of ton voer en de totale hoeveelheid product, wordt nu ook de hoeveelheid product per dag weergegeven.
  • Na het invullen van de doseringswijzer kunt u het resultaat, inclusief de waardes die voor de berekening zijn ingevuld, per mail versturen. Aan deze mail kunt u eventueel nog opmerkingen toevoegen.

U vindt de doseringswijzer door naar www.doseringswijzer.nl te gaan.

Wij horen het graag als u nog vragen of opmerkingen heeft over de vernieuwde doseringswijzer.