Is ons vlees veilig?

De meeste mensen consumeren dierlijke producten, waaronder vlees, vis, eieren, melk (of melkproducten zoals kaas en yoghurt) en honing. Deze producten zijn een gezond onderdeel van onze voeding en zijn dan ook opgenomen in de schijf van vijf. Zo nu en dan zijn er echter incidenten waarbij de veiligheid van deze producten ter discussie staat, bijvoorbeeld bij de affaire met fipronil in eieren. In Nederland en de rest van Europa worden echter heel veel maatregelen getroffen om de kwaliteit en veiligheid van ons voedsel, en dus ook van dierlijke producten, te garanderen.

In dit artikel leggen we uit welke voorzorgsmaatregelen er zijn zodat iedereen kan genieten van deze producten.

Aanvaardbare dagelijkse inname (ADI)

Stoffen die niet van nature in voeding voorkomen, zoals toevoegingsmiddelen en bestanddelen die worden gebruikt in diergeneesmiddelen, hebben een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI = Acceptable Daily Intake). Dit is de maximale hoeveelheid van een stof die je levenslang dagelijks binnen kunt krijgen zonder negatieve effecten op je gezondheid. Deze ADI wordt alleen bepaald voor stoffen waarvan is bewezen dat ze niet kankerverwekkend zijn. Stoffen die wel kankerverwekkende effecten kunnen hebben, mogen niet worden gebruikt in de voedselketen en krijgen daarom ook geen ADI.

De ADI wordt meestal bepaald door middel van dierproeven. Proefdieren krijgen verschillende doseringen van de stof toegediend om de hoogste concentratie te bepalen waarbij geen negatieve effecten te zien zijn (NOAEL: No Observed Adverse Effect Level). Als er meerdere NOAEL bepalingen zijn gedaan voor dezelfde stof, wordt altijd gewerkt met de laagste NOAEL, tenzij kan worden onderbouwd waarom gebruik van een andere NOAEL is aangewezen.

De NOAEL wordt echter niet zomaar overgenomen als ADI. Hiervoor worden twee onzekerheidsfactoren ingebouwd. De eerste om te compenseren voor eventuele verschillen tussen mensen en proefdieren. De tweede is bedoeld om te compenseren voor het feit dat sommige stoffen gevaarlijker zijn voor specifieke risicogroepen zoals ouderen, zwangeren, baby’s en kinderen.

Vaak worden onzekerheidsfactoren gebruikt van 10 en wordt de NOAEL dus vermenigvuldigd met 100 (NOAEL x 10 x 10). Bij bepaalde risicofactoren wordt een hogere onzekerheidsfactor (bijv. 1000) gehanteerd.

Maximum residu limiet (MRL)

De MRL staat voor Maximum Residue Limit. De MRL is van belang voor de voedselveiligheid, omdat levensmiddelen van dierlijke afkomst geen residuen mogen bevatten die hoger zijn dan de MRL.

Een MRL is specifiek voor één werkzame stof en moet worden bepaald voor alle farmacologisch werkzame stoffen in diergeneesmiddelen en biociden die gebruikt worden bij voedselproducerende dieren.

Bij het bepalen van de MRL wordt de ADI als uitgangswaarde genomen. Deze wordt geëxtrapoleerd aan de hand van de opname van verschillende voedingsmiddelen volgens een standaard voedselpakket. Hierbij wordt ervanuit gegaan dat een gemiddelde persoon de hoeveelheden voedsel consumeert zoals in onderstaande tabel zijn weergegeven.

Tabel 1 Standaard voedselpakket voor berekening MRL

Zoogdieren Spier 300 gram
Vet 50 gram
Lever 100 gram
Nier 100 gram
Pluimvee Spier 300 gram
Vet & huid 90 gram
Lever 100 gram
Nier 100 gram
Vis Spier & huid 300 gram
Melk 1500 gram
Eieren 100 gram
Honing 20 gram

De MRL moet zo worden vastgesteld dat de blootstelling aan de consument onder de ADI ligt. Daarbij wordt rekening gehouden met een levenslange dagelijkse blootstelling en andere manieren waarop de consument aan de stof kan worden blootgesteld. Als een stof bijvoorbeeld zowel in diergeneesmiddelen als in gewasbescherming wordt gebruikt, mag slechts 45% van de ADI worden aangewend bij de bepaling van de MRL van deze stof voor diergeneeskundig gebruik.

Een overzicht van de vastgestelde MRL’s is te vinden in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) 37/2010.

Risicobeoordeling

De Europese Commissie keurt een aanvraag voor vaststelling van een MRL en de hoogte daarvan goed op basis van een wetenschappelijke risicobeoordeling door de CVMP (Committee for Medicinal Products for Veterinary Use, European Medicines Agency).

Er wordt onder andere gekeken naar de resultaten die zijn verkregen bij studies voor het bepalen van de ADI en het onderzoek naar residuen. Het risico op toxicologische, farmacologische en microbiologische effecten op de mens wordt hierbij in beschouwing genomen. Daarnaast wordt ook gekeken naar de farmacologische eigenschappen van de stof bij de relevante diersoorten. Bij stoffen die worden ingezet bij voedselproducerende dieren wordt ook altijd onderzoek gedaan naar langdurige blootstelling, mogelijke effecten op de vruchtbaarheid bij meerdere generaties en effecten op drachtige dieren, het embryo of de foetus.

Eén van de dingen die bijvoorbeeld worden onderzocht is het effect van een stof op de humane darmflora. Er wordt beoordeeld of de kolonisatiebarrière verstoord zou kunnen worden. Dit is de barrière die wordt gevormd door de normale darmflora in de darmen. Deze beperkt de invasie van exogene micro-organismen en overgroei van mogelijk pathogene micro-organismen. Ook wordt gekeken of er mogelijk een toename kan zijn van resistente bacteriën.

Naast de eigenschappen van de stoffen en de residuen, wordt er ook gekeken naar de situatie rondom het beoogde gebruik van de stof. Dit gebeurt middels een aanbeveling inzake risicomanagement, die onder andere de volgende factoren bevat:

  • de beschikbaarheid van alternatieve stoffen voor de behandeling van de betrokken diersoorten;
  • de noodzakelijkheid van de stof om onnodig dierenleed te voorkomen;
  • gevolgen voor de gezondheid van de personen die de dieren behandelen.

Geen MRL nodig

Is een MRL altijd nodig? Nee, er zijn uitzonderingen.

In sommige gevallen wordt besloten dat residuen in levensmiddelen geen gevaar vormen voor de consument en dat om deze reden een MRL niet nodig is. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van vitamines waarvan bekend is dat ze geen negatieve gevolgen hebben, en die wel essentieel zijn voor mens en dier (bijv. biotine of foliumzuur).

Ook voor stoffen die farmacologisch niet actief zijn, maar alleen worden toegevoegd als hulpstof of conserveermiddel, en die veilig zijn bevonden, is niet altijd een MRL nodig. Deze stoffen vallen dan buiten de scope van de Europese MRL-verordening.

Stoffen die niet zijn toegelaten

In een ander uiterst geval wordt geconcludeerd dat de aanwezigheid van een stof in levensmiddelen onwenselijk is, ook als dit in zeer lage concentraties is. Deze conclusie kan men bijvoorbeeld trekken als de aanwezigheid van zelfs lage concentraties een risico vormt voor de gezondheid van de mens. Er wordt dan geen MRL bepaald voor de stof. Ook als er geen definitieve conclusie getrokken kan worden over de gevolgen voor de gezondheid van de mens, wordt er geen MRL vastgesteld. De stof wordt dan verboden voor gebruik bij voedselproducerende dieren. Een voorbeeld van een verboden stof is chlooramfenicol. Deze stof is verboden in verband met het risico op genotoxiciteit. Dit betekent dat chlooramfenicol mogelijk de genetische informatie in de cellen (het DNA) kan beschadigen, wat kan leiden tot mutaties en vervolgens mogelijk tot het optreden van kanker.

Wachttermijn

Tot slot wordt de MRL vertaald naar de wachttermijn. Dit is de minimum tijd die moet verstrijken tussen de laatste toediening van het diergeneesmiddel onder de normale gebruiksvoorwaarden en de productie van levensmiddelen die van dit dier afkomstig zijn. Het respecteren van deze wachttermijn heeft als doel ervoor te zorgen dat er geen residuen in dierlijke producten komen in concentraties boven de MRL.
De wachttermijn wordt altijd vermeld op de samenvatting van de productkenmerken (SPC) en op de bijsluiter en/of verpakking van het product, zodat deze informatie eenvoudig te vinden is.

Diergeneesmiddelen voor voedselproducerende dieren kunnen pas geregistreerd worden als er een ADI en MRL is vastgesteld en wordt aangetoond dat de aangegeven wachttermijn toereikend is om MRL overschrijdingen in dierlijke producten te voorkomen. Dit wordt bewezen door residustudies waarbij op verschillende tijdstippen na de laatste toediening het gehalte aan residuen in weefsels en andere dierlijke producten van gezonde proefdieren wordt bepaald. Dit onderzoek wordt altijd uitgevoerd op de diersoort waarvoor het product geregistreerd zal worden.

Diergeneesmiddelen mogen alleen bij voedselproducerende dieren worden ingezet mits ze zijn geregistreerd voor de betreffende diersoort, en dus met een wachttermijn voor de diersoort waarvoor ze worden gebruikt.

Alleen om dieren onaanvaardbaar lijden te besparen, kan een product worden ingezet dat niet is geregistreerd voor de betreffende diersoort en indicatie (cascaderegeling). Voorwaarde bij voedselproducerende dieren is wel dat er een MRL moet zijn vastgesteld voor deze of een andere diersoort, of dat er is vastgesteld dat er geen MRL nodig is voor deze stof. En natuurlijk zijn er regels om een minimale wachttermijn te bepalen voor de diersoort waarbij het product wordt ingezet.

Meer over de huidige cascaderegeling is op onze website te lezen is.

Monitoring

Alle bovengenoemde onderzoeken worden gedaan voordat een diergeneesmiddel wordt geregistreerd. Maar houdt het hierbij dan op? Nee! Ook na de goedkeuring van de registratie van het diergeneesmiddel worden er verschillende stappen genomen om de voedselveiligheid te waarborgen.

  • De veehouder moet in een register bijhouden welke diergeneesmiddelen aan de dieren zijn toegediend. Deze gegevens worden doorgegeven bij het slachten van de dieren, zodat gecontroleerd kan worden of de wachttermijn in acht is genomen.
  • De controlerende instantie controleert steekproefsgewijs of er residuen in dierlijke producten voorkomen. In Nederland is dat de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) Dit wordt gedaan in het kader van het Nationaal Plan Residuen (NPR), dat is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland worden daarbij nauwelijks overschrijdingen gevonden.
    Het EFSA (European Food Safety Authority) rapporteert jaarlijks een samenvatting van deze monitoring in de hele EU. In 2016 zijn er 369.262 monsters onderzocht op verboden en toegestane stoffen. 0.31% van deze monsters voldeed niet aan de regelgeving. Dit komt overeen met de resultaten van de jaren daarvoor (0,25 – 0,37% in de afgelopen 10 jaar). Er wordt gekeken naar een breed scala aan stoffen: niet alleen antimicrobiële of antiparasitaire producten, maar ook mineralen zoals koper worden meegenomen. Het aantal afwijkingen per productgroep wordt weergegeven in de tabel.

Hierbij moet in beschouwing worden genomen dat de monitoring is gericht op het opsporen van afwijkingen en de monsters zo worden geselecteerd dat voornamelijk de producten met een hoog risico worden onderzocht. Uit een willekeurige steekproef zou mogelijk een lager percentage afwijkingen naar voren komen.

  • Indien er na inachtneming van de wachttermijn een residu wordt gevonden in een concentratie hoger dan de MRL, moet dit in het kader van farmacovigilantie gemeld worden aan het Bureau Diergeneesmiddelen en/of de registratiehouder. Op basis van deze meldingen wordt beoordeeld of de geadviseerde wachttermijn (nog) volstaat.
    Als blijkt dat de aangegeven wachttermijn mogelijk niet lang genoeg is om te garanderen dat van het behandelde dier afkomstige levensmiddelen geen residuen bevatten die gevaren voor de gezondheid van de consument kunnen opleveren, wordt de registratie geschorst. De aflevering van het diergeneesmiddel wordt verboden en het middel wordt uit de handel genomen.
    De registratie wordt dan pas weer opnieuw goedgekeurd als de registratiehouder kan aantonen dat de wachttermijn (of een gewijzigde wachttermijn) voldoende lang is om de veiligheid van het voedsel te garanderen.

Tabel 2 Uitkomsten monitoring op EU niveau

Categorie dierlijk product Aantal afwijkende monsters (residu > MRL) % van totaal onderzochte monsters
Rundveevlees 331 0,30%
Varkensvlees 295 0,25%
Geiten- en schapenvlees 82 0,49%
Paardenvlees 28 0,84%
Pluimveevlees 48 0,07%
Vlees van gekweekte wilde vogels 17 1,06%
Vlees van wilde vogels 165 6,69%
Konijnenvlees 5 0,28%
Aquacultuur 37 0,55%
Melk 38 0,16%
Eieren 44 0,35%
Honing 41 1,16%

Kwaliteitssystemen

Naast de wettelijke verplichtingen zoals deze hierboven zijn beschreven, zijn er ook nog kwaliteitssystemen die de voedselveiligheid van dierlijke producten borgen.

Deze kwaliteitssystemen stellen vaak extra eisen, die bovenop de wettelijke normen komen.

Hier een greep uit de kwaliteitssystemen die in Nederland van toepassing zijn:

  • IKB kip, IKB varken en IKB kalf voor de productie van vlees;
  • IKB ei voor de productie van eieren;
  • Keten kwaliteit melk (KKM) voor de productie van melk;
  • SKAL voor de productie van biologische dierlijke producten;
  • GMP+ voor de productie van diervoeder. Dit kwaliteitssysteem wordt weer verplicht gesteld door andere kwaliteitssystemen zoals IKB.

Conclusie

Hoewel geconcludeerd kan worden dat het risico op blootstelling aan een residu nooit nul zal zijn, kan ook geconcludeerd worden dat er veel maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat residuen kunnen leiden tot gezondheidsproblemen. Kort samengevat zijn dit:

  • altijd gebruik van de laagste NOAEL;
  • onzekerheidsfactoren van 100 tot 1000 bij bepaling van de NOAEL;
  • veiligheidsmarges bij de vertaling van de NOAEL naar de MRL;
  • veiligheidsmarges bij de vertaling van de MRL naar de wachttermijn;
  • controlesystemen door de overheid (nationaal en Europees);
  • kwaliteitssystemen die extra toezicht houden op de voedselveiligheid van dierlijke producten.

Daarnaast is het zo dat een risico op een mogelijk negatief effect uitermate serieus wordt genomen bij de beoordeling van de ADI, NOAEL, MRL en wachttermijn. De voedselveiligheid weegt hierbij altijd het zwaarst.

Bronnen

  1. EFSA Scientific opinion on Chloramphenicol in food and feed.
  2. EFSA Report for 2016 on the results from the monitoring of veterinary medicinal product residues and other substances in live animals and animal products.
  3. EMA Substances considered as not falling within the scope of Regulation (EC) No. 470/2009, with regard to residues of veterinary medicinal products in foodstuffs of animal origin.
  4. EMA Veterinary regulatory – Maximum residu limits (MRL).
  5. Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.
  6. Van der Merwe, D., Beusekom, C., van den Berg, M., Gehring, R. (2019) Fipronil en de volksgezondheid – Een toxicologisch perspectief. Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Jan 2019.
  7. Verordening (EU) 2018/782 van de commissie van 29 mei 2018 tot vaststelling van de methodologische beginselen voor de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement als bedoeld in Verordening (EG) nr. 470/2009.
  8. Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen.
  9. Verordening (EU) 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (met in tabel 1 van de bijlage een lijst met vastgestelde MRL’s).
  10. Verordening (EU) 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Bepaling van de MRL).
  11. Voedingscentrum – Aanvaardbare dagelijkse inname (ADI).
  12. Voedingscentrum – Antibiotica.