Distocur; u wilt toch ook uw melkvee tegen leverbot behandelen tijdens lactatie en droogstand?

Bedrijven die aan weidegang doen of vers gras voeren, kunnen vroeg of laat te maken krijgen met leverbot. Leverbot wint steeds meer terrein in West-Europa. Ook in Nederland en België worden steeds meer besmettingen gemeld. Sterfte door leverbot komt in runderen bijna niet voor. Maar is deze ziekte daarom minder belangrijk?

Leverbot

Leverbotinfectie of distomatose is een parasitaire ziekte bij herkauwers die veroorzaakt wordt door trematoden of platwormen. De grote leverbot die voorkomt in onze kontrijen draagt de naam Fasciola hepatica. Deze ziekte veroorzaakt wereldwijd belangrijke economische verliezen. De verliezen bestaan voor het grootste deel uit melkproductiedaling, gewichtsverlies en afgekeurde levers in het slachthuis. Daarnaast kan een infectie met leverbot het effect van andere ziekteverwekkers versterken of verminderen of interfereren met hun diagnose (zie verder in deze tekst). Wat wel eens vergeten wordt is dat deze parasiet ook problemen kan geven bij andere graseters en ook bij de mens.

Leverbot – prevalentie en risicofactoren

Waar vroeger leverbotinfecties alleen maar voorkwamen in meer zuidelijke gelegen landen zien we de laatste jaren dat leverbot infestaties ook bij ons meer en meer voorkomen. Veranderde klimatologische omstandigheden (mildere winters, hoge temperaturen en meer neerslag) zorgen ervoor dat omstandigheden voor de ontwikkeling van de leverbot verbeteren. Daarnaast zorgen de veranderende weersomstandigheden er ook voor dat de periode met gevaar voor besmetting met leverbot steeds vroeger in het weideseizoen begint. Maar er zijn nog andere risicofactoren die de uitbreiding van leverbot op een bedrijf in de hand werken. Uit een studie uitgevoerd in Denemarken bleek dat vaarzen en droge koeien die grazen op natte weiden significante risicofactoren zijn om de infectie met leverbot op het bedrijf in stand te houden. Ook de aankoop van besmette koeien, geen of slechte behandeling van besmet jongvee en te weinig controle op al dan niet voorkomen van resistentie mogen niet vergeten genoemd te worden. Zo kan resistentie tegen triclabendazol ervoor zorgen dat leverbotinfecties gestaag uitbreiden.

Leverbot – levenscyclus

De leverbot heeft een indirecte cyclus, waarin de poelslak Galba truncatula als tussengastheer een belangrijke rol speelt. De aanwezigheid van deze poelslak is noodzakelijk om de cyclus van de leverbot te vervolledigen.

In de lever legt de volwassen leverbot eitjes die, samen met de gal, in de mest van het rund worden uitgescheiden. Een volwassen leverbot kan per dag wel 4.000 tot 7.000 eieren produceren. In de buitenwereld komen uit de eitjes trilhaarlarven of miracidiumlarven. Deze miracidiumlarven hebben binnen de 24 uur een poelslak nodig om te kunnen overleven. In de slak ontwikkelen de larven verder tot staartlarven. Deze larven verlaten de slak en komen zo in de weide terecht. Na het verliezen van zijn staart kapselt de larve zich in tot een besmettelijke cyste (metacercaria). Bij het opeten van de cysten via het gras raken graseters besmet. Binnen enkele uren na opname ontstaan juveniele leverbotjes in de in de dunne darm. Deze botjes boren zich door de darmwand en migreren door de buikholte richting lever en galgangen.
In het rund loopt de levensduur van een leverbot uiteen van 6 maanden tot twee jaar.

Leverbot levenscyclus

Figuur 1 De leverbotcyclus in het rund met tussengastheer Galba truncatula (bron: DGZ – Ugent)

Leverbot – symptomen

Door de migratie van de parasiet in de lever en de beschadigingen die daar worden aangebracht kunnen er een hele waaier aan symptomen ontstaan. Deze kunnen gaan van verminderde melkproductie, gewichtsverlies, verminderde fertiliteit, diarree tot sterfte.
Bij rundvee is een infectie meestal subklinisch en dus sluimerend, met economische consequenties tot gevolg. Bij schapen kan het vooral bij jonge dieren aanleiding geven tot acute sterfte.

Leverbot – diagnose

De diagnose van leverbot kan op verschillende manieren worden gesteld. Niet elke methode is op elk moment van de infectie relevant.

Mestonderzoek

Met mestonderzoek (sedimentatie-flotatie) kan het aantal eieren uitgescheiden door volwassen wormen worden aangetoond. De mest (rectaal genomen) wordt microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van leverboteieren. De aanwezigheid van eieren van de parasiet is niet alles zeggend en kan ook niet op elk tijdstip worden uitgevoerd. Zo is er in de prepatente periode geen uitscheiding van eieren door de immature stadia. Daarbij staat het aantal eieren gevonden in de faeces niet altijd in relatie met het aantal adulte parasieten in de lever. Na het opnemen van een metacercaria duurt het gemiddeld 10 tot 12 weken tot de leverbot volwassen is en eieren kan uitscheiden. De beste periode om mestonderzoek te doen is 3 maanden na het einde van het weideseizoen. Omwille van intermitterende uitscheiding is het uiteraard best om meerdere dieren uit een groep te bemonsteren. Het aantonen van leverboteieren in de mest geeft informatie over de infestatie in de groep.

Aantonen van antistoffen in het bloed

Een leverbot infestatie geeft aanleiding tot het vormen van antistoffen in het bloed. Vier weken na het opdoen van een leverbotinfectie kunnen deze antistoffen in het bloed aangetroffen worden met behulp van ELISA-test. De antistoffen zijn aantoonbaar tot 180 dagen na een infectie. Dit impliceert dat een besmetting opgelopen in het najaar, in het daaropvolgende jaar nog kan zorgen voor een positieve test op afweerstoffen in het bloed. Deze test kan dus niet gebruikt worden om een effectieve besmetting aan te tonen. Naast het opsporen van antistoffen kan er in het bloed ook gekeken worden naar de leverenzymgehaltes gamma-glutamyltransferase (GGT) en glutamaatdehydrogenase om een idee te krijgen van de leverbeschadiging die er heeft plaats gevonden.

Aantonen van antistoffen in de melk

Via tankmelkonderzoek wordt de Optische Densiteit Ratio (ODR) van antistoffen gericht tegen Fasciola hepatica bepaald. Dit tankmelkonderzoek kan het hele jaar gebeuren, maar preferentieel voor het einde van het weideseizoen. Hiermee krijgt de veehouder een idee over de graad van besmetting op bedrijfsniveau. Een ODR < 0,30 wordt als negatief beschouwd. Een ODR tussen 0,30 en 0,50 wijst op een leverbotbesmetting zonder ernstige productieverliezen. Een ODR > 0,50 wijst op een ernstige besmetting met leverbot met mogelijks negatieve gevolgen op melkgifte en fertiliteit.

Aantonen van antigenen in de mest

Met een ELISA-test die antigenen in de mest opspoort (hoge gevoeligheid) kan er gekeken worden of een dier al dan niet zwaar besmet is.

Lijkschouwing

Op gestorven dieren kan ook gekeken worden hoe ernstig de lever is beschadigd.

Leverbot – immuniteitsontwikkeling

De immuunrespons als reactie op de aanwezigheid van pathogenen valt onder te verdelen in aspecifieke immuunrespons en een verworven immuunrespons. De aspecifieke immuunrespons is zoals het woord al aangeeft niet specifiek voor een bepaald pathogeen en zal bijgevolg niet leiden tot een immunologisch geheugen. Bij de verworven of adaptieve immuunrespons zijn de B-cellen die zich kunnen differentiëren tot antistof secreterende plasmacellen en de T-cellen die zich differentiëren tot CD8+ cytotoxische T-cellen, CD4+ helper T-cellen en regulatoire T-cellen van belang. Er is veel bekend over de T-helpercel type 1 (Th1-cel) en type 2 (Th2-cel). De Th1-cel produceert voornamelijk IFN-γ en is van belang voor de activatie van macrofagen, voor de verwijdering van intracellulaire pathogenen en cellulaire immuniteit. De Th2-cel produceert voornamelijk IL-4 en is van belang voor de activatie en recruitment van ontstekingscellen en voor humorale immuniteit.

Infecties met Fasciola hepatica gaan gepaard met release van hoge concentraties Interleukine 4 (IL-4), IL-5 en IL-13 wat uiteindelijk resulteert in verhoogde IgE niveaus, eosinofilie en andere immuun responsen geassocieerd met het Th2 subtype. De vroege differentiatie tussen Th1/Th2 cellijn van de helper T-cellen wordt in de hand gewerkt door cytokines als IL-4 en IFN-γ. De hoge concentratie IL-4 bij een leverbotinfectie en bijgevolg de sterke Th2 immuunrespons zorgt tevens voor een neerwaartse initiële Th1 immuunrespons met minder productie van IFN-γ en verlaagde reactiviteit van lymfocyten tot gevolg.
Hieronder ziet u een schematische voorstelling van de immuunrespons regulatie geïnduceerd tegen Fasciola hepatica. (Bron: E. Moreau, Alain Chauvin)

Schematische voorstelling immuunregulatie tegen fasciola hepatica

Leverbot – immunomodulerende eigenschappen

Wormen hebben verschillende manieren ontwikkeld om aan de immuunrespons van de gastheer te ontsnappen. Maizels et al. noemden ze daarom ook “De meesters van de immunomodulatie”.
Deze immunomodulerende eigenschappen zorgen ervoor dat de worm in de gastheer blijft bestaan en kunnen leiden tot interacties met inflammatoire en immuun mechanismen die betrokken zijn bij andere infecties, vaccinaties, allergische reacties of auto-immuunziekten.

Enkele voorbeelden:

Bovine tuberculose

Bovine tuberculose (BTB) veroorzaakt door Mycobacterium bovis is wereldwijd nog steeds een belangrijke ziekte bij koeien. De eradicatieprogramma’s in de meeste landen zijn gebaseerd op:
• SICCT (single intradermal comparative cervical tuberculin test)
• IFN-γ bloedtest (tweedelijnstest).

Zoals hierboven aangegeven wordt tijdens een leverbotinfectie de Th1 immuunrespons en daarmee de cellulaire immuniteit onderdrukt. Hierdoor kan mogelijks afbreuk gedaan worden aan de gevoeligheid van de twee screeningstesten gebruikt in het veld met vals negatieve resultaten tot gevolg.
Dit mogelijk verband werd aangetoond door Robin J. Flynn aan de universiteit in Dublin.
Om een mogelijke interferentie te onderzoeken vaccineerde hij dieren al dan niet geïnfecteerd met leverbot met BCG vaccin (avirulente stam die gebruikt wordt in de humane geneeskunde).
De SCITT en IFN-γ test uitgevoerd bij de verschillende groepen dieren gaf de volgende resultaten:

SCITT en IFN gamma testresultaten

Uit bovenstaand experiment blijkt dat bij runderen geïnfecteerd met leverbot er mogelijk interferentie kan optreden met de bestaande screeningstesten voor BTB gebruikt in het veld.
Overmatige IL-4 secretie door leverbotinfectie is voornamelijk verantwoordelijk voor suppressie van Th1 cellulaire immuniteit die ontstaat na vaccinatie met Mycobacterium bovis.

De leverbot met zijn immuunmodulerende eigenschappen kan de vatbaarheid van de gastheer voor infecties met andere pathogenen verhogen. Immers het downregulerend effect van IL-4 op Th1 immuunrespons (welke gerelateerd is aan cellulaire immuniteit) kan ervoor zorgen dat bepaalde infecties waar deze immuniteit belangrijk is heftiger verlopen.

Salmonella dublin

Studies uitgevoerd in de late jaren 1970 en vroege jaren 1980 vonden dat co-infectie van runderen met Salmonella dublin en Fasciola hepatica leidde tot een verhoogde ernst van de klinische ziekte, een langer ziekteverloop en een verhoogde kans dat co-geïnfecteerde dieren dragers worden van S. dublin. De door F. hepatica onderdrukte pro-inflammatoire response bij Salmonella infectie zorgt ervoor dat de gevoeligheid voor deze intracellulaire parasiet toeneemt.

Escherichia coli O157

Escherichia coli O157 is een bacterie die verantwoordelijk is voor hemorragische diarree bij mensen. Runderen zijn reservoir van deze verocytotoxigene E. coli en zijn dus een mogelijk gevaar voor overdracht naar de mens. Uit een onderzoek uitgevoerd op de Universiteit in Liverpool is gebleken dat runderen die geïnfecteerd zijn met Fasciola hepatica een verhoogde kans op uitscheiding met de E. coli O157 vertonen. Door een goede controle van distomatose kan zo een mogelijke besmetting met E. coli O157 voorkomen worden.

Leverbot – preventie en behandeling

Bestrijding van de leverbot berust op twee pijlers.

Preventie

Een goed weidebeheerplan en het overdacht buiten zetten van dieren kan al een heel stuk helpen bij de bestrijding van leverbot. Met een aangepast weidebeheer is het contact tussen de eindgastheer en de infectieuze leverbotstadia sterk te verminderen.

Behandeling

Er zijn verschillende flukiciden op de markt in Nederland. Niet elke product is werkzaam tegen ieder stadium van de leverbot. Triclabendazol met een werkzaamheid tegen alle fasen van de leverbot was het middel dat gedurende jaren gebruikt is geweest om een infectie te bestrijden. Probleem is dat de leverbot steeds vaker resistent blijkt voor dit middel. Daarnaast kan triclabendazol niet gebruikt worden bij melkgevend vee. Producten met oxyclozanide kunnen gebruikt worden bij melkvee tijdens de lactatie en de volledige droogstandperiode en zijn actief tegen adulte leverbotten.

Dopharma heeft sinds kort Distocur 34 mg/ml met de actieve stof oxyclozanide in het productgamma. Dus behandeling van een leverbotinfectie of distomatose bij melkvee kan voortaan ook in Nederland zonder toepassing van de cascade.

Referenties

  • M.A.A. Rana et al, Fascioliasis in cattle – A review. The Journal of Animal & Plant Sciences, 24(3):2014, pages: 668-675
  • N.J. Beesley et al, Fasciola and Fasciolosis in ruminants in Europe: Identifying research needs. Transboundary and Emerging Diseases, 65 (Suppl. 1):2018, pages: 199-216
  • D.J.L. Williams, Liver fluke – an overview for practitioners. http://www.cattleparasites.org.uk/
  • N. Takeuchi-Storm et al, Patterns of Fasciola hepatica infection in Danish dairy cattle: implications for on-farm control of the parasite based on different diagnostic methods. Parasites & Vectors, 2018, 11:674
  • Focus op Leverbot, Praktische handleiding. DGZ – Ugent
  • E. Moreau and Alain Chauvin, Immunity against Helminths: Interactions with the Host and het incurrent infections. Journal of Biomedicine and Biotechnology, Volume 2010, Article ID 428593, 9 pages
  • R.J. Flynn et al, Experimental Fasciola hepatica infection alters responses to tests used for diagnosis of bovine tuberculosis. Infection and immunity, Mar. 2007, Pages: 1373-1381
  • M.M. Aitken et al, Effects of experimental Salmonella dublin infection in cattle given Fasciola hepatica thirteen weeks previously. Journal of Comparative Pathology Volume 88, Issue1, January 1978, pages: 75-84
  • A.K. Howell et al, Co-infection with Fasciola hepatica may increase the risk of Escherichia coli O157 shedding in British cattle destined for the food chain. Prevetmed, 2017

Ontwikkelingen aan verpakkingen Dopharma producten

Bij Dopharma hebben we productkwaliteit hoog in het vaandel staan. De verpakkingen zijn hier onderdeel van. Op dit vlak werken we momenteel aan diverse verbeteringen die stapsgewijs worden doorgevoerd. Het komende jaar zal u merken dat zodoende veel van onze producten een vernieuwing ondergaan.

Datamatrix op etiketten

Voor efficiënt bijhouden van uw voorraad, print Dopharma sinds kort datamatrices op haar etiketten. Dit geldt alleen voor etiketten die reeds zijn omgezet naar de nieuwe huisstijl, herkenbaar aan de schuine balk in plaats van de golf. Voor het drukken van datamatrices hebben we geïnvesteerd in speciale software, zodat deze data direct uit het systeem naar de printer worden gestuurd en niet per productiebatch handmatig hoeven worden ingevoerd. Via deze code scant u eenvoudig de volgende data naar uw systeem: EAN-code, batchnummer en vervaldatum.

Individuele doosjes voor injectievloeistoffen

Van oudsher verpakten we injectieflacons in polystyreen. Bijsluiters werden los in de doos toegevoegd. Er moet steeds meer tekst op de etiketten vermeld worden, maar de ruimte is beperkt. We mogen dan verwijzen naar een bijsluiter, maar deze moet bij elke verpakking meegeleverd worden. Om het u als dierenarts zo makkelijk mogelijk te maken, stappen we af van de polystyreen verpakking en wordt elke flacon in een individueel doosje verpakt. Indien nodig kan hier dan een bijsluiter aan worden toegevoegd. Naast de praktische voordelen is dit ook beter voor het milieu. Voor alle 50 ml flacons en voor vrijwel alle 100 ml flacons is deze verbetering doorgevoerd. Op de inpaklijn wordt de datamatrix op de bodem van de doosjes ingeprint.

1 kg verpakkingen in plastic pot

Een project dat al langer loopt en waar we de ontvangers van onze nieuwsbrief van maart 2018 ook over hebben geïnformeerd, is de verandering van de 1 kg verpakkingen. De rechthoekige bus, ook wel combitin genoemd, wordt vervangen door de plastic Easystack pot. Hiervoor moeten de registraties worden aangepast. Diverse stabiliteitsstudies, die nodig zijn voor het vaststellen van de houdbaarheidstermijn in de nieuwe verpakking, worden gefaseerd afgerond. Zodra we de nieuwe beschikkingen ontvangen, bekijken we wanneer we met de productie overgaan naar de nieuwe verpakking en passen we de etiketten aan naar het andere formaat.

Etiketten waterconditioneringsmiddelen

We krijgen regelmatig de opmerking dat producten lastig van elkaar zijn te onderscheiden, omdat verpakkingen op elkaar lijken. Met de uitfasering van de combitins begrijpen we dat dit er niet eenvoudiger op wordt. Gezien ons uitgebreide gamma is een unieke kleur etiket per product geen optie. Om u toch tegemoet te komen, hebben we de etiketten van de waterconditionerings-middelen, waaronder Metasol en WpH Corrector van een eigen kleur voorzien. Vanaf de volgende producties worden de etiketten zwart. Zodoende vallen deze producten op en zijn ze goed te onderscheiden van de diergeneesmiddelen.

Leesbaarheid van de etiketten

Vanuit de overheid zijn we verplicht bepaalde teksten op het etiket te plaatsen. De ruimte is beperkt; de verpakking heeft nu eenmaal een bepaald oppervlak. Daarnaast is de wens vanuit Dopharma om, indien mogelijk, meertalige etiketten te hanteren. Dit is praktischer met voorraadbeheer en drukt de prijs. Er zijn verschillende manieren om hiermee om te gaan. Voor de injectieflacons heeft u hierboven al een oplossing kunnen lezen. Bij de 1 kg potten kunnen we meerlagige etiketten gebruiken (wat bij een combitin lastiger was). Echter, deze etiketten zijn duurder en niet altijd even praktisch. Hiervoor willen we op zoek naar een alternatief. Zo blijven we verbeteren, want uiteindelijk willen we u op alle vlakken producten van topkwaliteit leveren.

De toepassing van Amoxy Active® CTD 697 mg/g in drinkwater

Dopharma onderschrijft de ‘best practice’ gedachten van EPRUMA (European Platform for the Responsible Use of Medicines in Animals) in de ruimste zin van het woord. Centraal in de term best practice staan gezonde dieren en een gezonde veehouderij. Gezonde dieren zijn essentieel voor het waarborgen van dierenwelzijn, humane gezondheid en een optimaal rendement voor de pluimveehouder.
Best practice omvat goede veehouderijpraktijken en goede uitvoering van de diergeneeskunde (GVP). Een onderdeel hiervan is ook de correcte toepassing van diergeneesmiddelen. Bij pluimvee worden behandelingen meestal toegepast via het drinkwater.

Met de introductie van Amoxy Active® CTD 697 mg/g voor toepassing bij kippen, eenden en kalkoenen, wil Dopharma de correcte toediening van diergeneesmiddelen nog eens onder de aandacht brengen. Er zal hierbij natuurlijk speciale aandacht zijn voor het werkzame bestanddeel van Amoxy Active® CTD 697 mg/g, amoxicilline.

Voor de producteigenschappen verwijzen we u naar de productpagina op onze website.

De toepassing van diergeneesmiddelen via het drinkwater

Bij de juiste toepassing van diergeneesmiddelen via het drinkwater zijn een aantal factoren van belang, die allen in dit artikel aan bod komen:

  • dosering;
  • drinkwaterkwaliteit;
  • goede en schone leidingen;
  • kennis over de producteigenschappen van het diergeneesmiddel.

De dosering

Bij het toepassen van drinkwatermedicatie is de dosering een van de belangrijkste factoren voor een goed effect. Een goede drinkwaterdosering wordt bepaald aan de hand van:

  • de dosering in hoeveelheid werkzame stof of product in mg per kg lichaamsgewicht;
  • het lichaamsgewicht van de dieren in de stal;
  • de hoeveelheid drinkwater die per dag wordt opgenomen.

Hierbij kan ervoor gekozen worden de medicatie te verdelen over de gehele dag of gehele lichtperiode, of over een korte periode (zogenaamde pulsdosering).

Bij kuikens neemt het lichaamsgewicht erg snel toe. Daarnaast stijgt het lichaamsgewicht relatief veel harder dan de drinkwateropname, waardoor deze uit elkaar gaan lopen. Om deze reden wijzigt de drinkwaterdosering. De toename van lichaamsgewicht en wateropname worden weergegeven in Figuur 1.

Figuur 1 Verloop van gewicht, voer- en wateropname bij vleeskuikens

Om te illustreren hoe groot het effect van het toenemende lichaamsgewicht is op de drinkwaterdosering per 1000 liter water (eindoplossing), wordt in Figuur 2 een grafiek getoond met de hoeveelheid Amoxy Active® CTD 697 mg/g die toegediend zou moeten worden per 1000 liter water. Hierbij is gerekend met de dosering van 15 mg amoxicillinetrihydraat (19 mg product) per kg lichaamsgewicht per dag.

Figuur 2 Drinkwaterdosering van Amoxy Active® CTD 697 mg/g voor vleeskuikens in gram per 1000 liter water (eindoplossing) of 10 liter water (vooroplossing bij doseerapparaat op 10%)

Als een behandeling met Amoxy Active® CTD 697 mg/g bijvoorbeeld gestart zou worden op dag 20, zou je op de eerste dag van de behandeling een hoeveelheid van 906 gram product per 1000 liter water moeten geven, terwijl deze hoeveelheid op dag 22 al is toegenomen tot 966 gram product per 1000 liter water.

 

Doseringswijzer

Dopharma heeft voor het berekenen van de dosering de doseringswijzer ontwikkeld. Deze is te vinden via www.doseringswijzer.nl. U kunt hier de dosering berekenen voor vleeskuikens. U kiest het product, de leeftijd van de dieren, het aantal dieren en de gewenste dosering. Vervolgens doet de doseringswijzer een suggestie voor de drinkwater- (of voer)opname gedurende de gehele behandelperiode, die overgenomen of aangepast kan worden.
De doseringswijzer berekent dan de hoeveelheid van het product dat in totaal nodig is, maar ook de gemiddelde hoeveelheid product per dag en per 1000 liter water. Hierbij wordt rekening gehouden met de toename in lichaamsgewicht gedurende de behandeling. De individuele waardes van de berekening worden echter niet weergegeven, alleen het gemiddelde.
In Tabel 1 wordt een overzicht getoond van de dosering per dag en het gemiddelde zoals het wordt weergegeven in de doseringswijzer.

Op dit moment is het nog niet mogelijk om de dosering voor eenden en kalkoenen te berekenen in de doseringswijzer, maar deze functionaliteit zal gedurende de loop van dit jaar worden toegevoegd.

Drinkwaterkwaliteit

De drinkwaterkwaliteit is van groot belang wanneer er gemedicineerd wordt; niet alleen voor de oplosbaarheid, maar ook voor de stabiliteit van het werkzame bestanddeel na oplossen. Daarnaast kan een afwijkende drinkwaterkwaliteit van invloed zijn op de smaak, zeker in combinatie met bepaalde diergeneesmiddelen. De eisen die worden gesteld aan goed drinkwater zijn te vinden op de website van de Gezondheidsdienst voor dieren en worden weergegeven in Tabel 2.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van leidingwater, mag men er vanuit gaan dat het drinkwater van voldoende kwaliteit is. Toch wordt geadviseerd om minimaal één keer per jaar water te laten onderzoeken op verschillende punten in de stal. Bij het gebruik van bronwater moet dit regelmatig worden gecontroleerd.
Ook IKB kip en IKB ei stellen eisen aan het drinkwater en de analyse hiervan. De grenswaarden die worden gehanteerd staat in de laatste kolom van Tabel 2.

Bij twijfel over de kwaliteit van het bronwater wordt geadviseerd om gedurende de behandeling tijdelijk gebruik te maken van leidingwater.

Drinkwaterleidingen

Drinkwaterleidingen kunnen uiteraard van verschillende materialen zijn gemaakt. Metalen leidingen kunnen na verloop van tijd corrosie vertonen, wat kan zorgen voor de afzetting van metaalzouten in het water. In delen van de drinkwaterleiding kunnen dan hoge concentraties worden bereikt, wat van invloed kan zijn op de fysische en/of chemische stabiliteit van het diergeneesmiddel.

Reiniging

Naast de kwaliteit van het drinkwatersysteem zelf, is ook het reinigen van de waterleidingen erg belangrijk. De meeste problemen met drinkwatermedicatie worden namelijk veroorzaakt door organische verontreiniging van het drinkwatersysteem.
Elk systeem wordt verontreinigd met micro-organismen zoals bacteriën en schimmels, en stof. In het drinkwatersysteem gaan deze micro-organismen zich vermenigvuldigen, maar de snelheid waarmee dit gebeurd is afhankelijk van de temperatuur, de aanwezige nutriënten, eventuele groei-remmende factoren en de snelheid waarmee het water door de leidingen stroomt. Bestanddelen van aanvullende diervoeders en diergeneesmiddelen kunnen dienen als voedingsbron, maar ook eiwitten die voorkomen in stof zijn een belangrijke nutritionele bron. Groei-remmende factoren zijn bijvoorbeeld reinigingsmiddelen of antibiotica.

Zorg er altijd voor dat de leidingen schoon zijn op het moment dat er gestart wordt met een behandeling en dat ze gereinigd worden aan het eind van de behandeling. Daarnaast verdient het aanbeveling om de emmer met de vooroplossing goed af te dekken met een deksel om te voorkomen dat er stof in de vooroplossing komt.

Biofilm

In sommige gevallen vormen micro-organismen een slijmlaag, waardoor ze goed kunnen hechten aan de leidingen en beschermd worden tegen invloeden van buitenaf. Dit noemen we een biofilm. Bacteriën waarvan bekend is dat ze biofilms kunnen maken zijn onder andere E. coli, Salmonella spp., Campylobacter spp en Pseudomonas aeruginosa. Biofilms worden niet altijd geproduceerd door pathogene bacteriën, maar ook wanneer ze gemaakt worden door een commensaal, kunnen pathogenen hier wel van profiteren.
In drinkwaterleidingen kan biofilm leiden tot verstoppingen van drinknippels of zelfs hele leidingen. In een recente Belgische studie is aangetoond dat in 63% van de monsters die genomen zijn aan de binnenkant van de leidingen op pluimveebedrijven micro-organismen aanwezig zijn in combinatie met nutriënten (eiwitten, koolhydraten of uronzuren), wat indicatief is voor de aanwezigheid van een biofilm.

Producteigenschappen: amoxicilline

Oplosbaarheid

Amoxicillinetrihydraat is een (bijna) wit en geurloos poeder.
De oplosbaarheid in water is het best bij een hoge pH of een lage pH.

De producten van Dopharma met amoxicilline bevatten pH-verhogende stoffen, die zorgen voor een verbetering van de oplosbaarheid. Bij de hoog geconcentreerde Amoxy Active® 697 mg/g en Amoxy Active® CTD 697 mg/g, kan het echter nodig zijn de pH verder te verhogen. Dopharma biedt hiervoor Metasol aan.

Stabiliteit

Er zijn enkele factoren die de stabiliteit van amoxicilline negatief kunnen beïnvloeden.

  • Hitte
    Het gebruik van warm of heet water moet daarom ook worden afgeraden. Als toch wordt gekozen voor het gebruik van warm water i.v.m. de verbeterde oplosbaarheid bij een hogere temperatuur, dan moet het product eerst worden opgelost in een kleine hoeveelheid warm (niet heet) water. Daarna wordt het direct verdund met koud water om de blootstelling aan het warme water zo veel mogelijk te beperken.
  • Een hoge hardheid
    Los amoxicilline bij voorkeur op in zacht water (< 10°dH).
  • De pH
    De stabiliteit van amoxicilline is optimaal bij een pH van 4,5. Bij een pH hoger dan 8 zal de degradatie van amoxicilline versneld optreden.
  • Interacties met metaal
    Contact van penicillineoplossingen met metaal en het gebruik van metalen drinkwatersystemen kunnen de stabiliteit van penicilline negatief beïnvloeden. Om deze reden wordt het gebruik van kunststof waterleidingen en emmers aanbevolen.
    De stabiliteit van amoxicilline bij verschillende hardheden en temperaturen wordt weergegeven in Figuur 3.

Als er degradatie optreedt, zal een oplossing met amoxicilline verkleuren van kleurloos naar bruingeel.
In verband met de mogelijke degradatie van de werkzame stof wordt altijd geadviseerd om een oplossing met amoxicilline nooit langer dan 12 uur te bewaren. Dit is ook opgenomen in de SPC van Amoxy Active® CTD 697 mg/g.

Figuur 3 Stabiliteit van oplossingen met amoxicilline bij verschillende hardheid en temperatuur

Conclusie

Zoals u hierboven kunt lezen, is het belangrijk om te werken met goed drinkwater en goede en schone materialen. Daarnaast is het essentieel om de producteigenschappen in acht te nemen. De belangrijkste adviezen voor het toepassen van amoxicilline in drinkwater zijn door Dopharma samengevat in een oplosbaarheidsflyer.

Referenties

1. Gezondheidsdienst voor dieren – Grenswaarden veedrinkwater. https://www.gddiergezondheid.nl/diergezondheid/management/drinkwater/referentiewaarden%20veedrinkwaterkwaliteit.
2. Maes, S., Vackier, T., Huu, S.N., Heyndrickx, M., Steenackers, H., Sampers, I., Raes, K., Verplaetse, A., de Reu, K. (2019) Occurrence and characterisation of biofilms in drinking water systems of broiler houses.
Dit artikel is verder gebaseerd op laboratoriumonderzoeken uitgevoerd door Dopharma research.

Wist u dat? Leuke weetjes over eenden en kalkoenen

Dopharma’s nieuwe Amoxy Active® CTD 697 mg/g is niet alleen geregistreerd voor kippen, maar ook voor eenden en kalkoenen (CTD staat voor Chicken, Turkey, Duck). Iedereen kent uiteraard deze “nieuwe” pluimveesoorten, maar kennen jullie ook de leuke feitjes die bekend zijn over deze diersoorten? Hieronder geven we er een aantal.

 

Eenden

  • Een wilde eend kan gemakkelijk 20 jaar oud worden.
  • Er zijn wel 120 verschillende eendenrassen.
  • Eenden komen op ieder continent voor, behalve op Antarctica.
  • De pootjes met zwemvliezen zijn niet alleen handig om te zwemmen, maar ook om over ijs of sneeuw te lopen. Ze bevatten namelijk geen zenuwen of bloedvaten waardoor eenden geen last hebben van de kou.
  • Eenden worden ingedeeld in duik- en zwemeenden. Zwemeenden voeden zich met voedsel dat zich aan het wateroppervlak of op land bevindt. Duikeenden duiken diep onder water om voedsel te vangen. Hiervoor zijn ze relatief zwaar, waardoor ze meer moeite hebben met vliegen.

 

Kalkoenen

  • Wilde kalkoenen kunnen enorm snel vliegen en lopen.
    • Ze vliegen tot wel 55 mijl of 88,5 km per uur.
    • Ze lopen tot wel 20 mijl of 32 km per uur.
  • Ben Franklin wilde niet de zeearend, maar de kalkoen als nationale vogel van de USA.
  • Kalkoenen zijn sociale dieren die in het wild in groepen van wel 200 dieren samen blijven.
  • Een wilde kalkoen heeft ongeveer 5500 veren, waaronder 18 staartveren die zorgen voor het typische uiterlijk van de mannelijke kalkoen.
  • Ze hebben een enorm gezichtsveld, van wel 270 graden. Ook kunnen ze kleuren zien.

 

Bronnen

Dopharma Italië is nu een feit

In de mooie omgeving van het Iseomeer, organiseerde Dopharma International op 1 juli 2019 de aftrap van Dopharma Italië. Vanaf nu opereert Dopharma rechtstreeks vanuit een eigen logistiek platform in de regio Milaan. De portfolio bestaat uit Dopharma producten aangevuld met de nieuw verworven producten van Boehringer Ingelheim, zoals Prazil en Cefovet.

De Italiaanse organisatie wordt geleid door Claudio Guarini als Country Manager. De 5 sales agenten zijn aanwezig in het noordelijke deel van Italië wat de regio is met de hoogste concentratie aan voedselproducerend vee.

Komend jaar zal Dopharma Italië verder uitgebreid en versterkt worden met nieuwe mensen en producten.

 

Net als voor alle Dopharma vestigingen, hebben we ook voor de Italiaanse markt een speciale website ontwikkeld. Hier wordt Dopharma in het Italiaans gepresenteerd. Na registratie/inloggen kan men de productinformatie raadplegen. Bekijk hier de Italiaanse website.

news

Wijziging positieve lijst IKB varken

Graag informeren wij u over een update van de positieve lijst van IKB Nederland / IKB varken. De herziene versie van 1 juli 2019 vindt u hier. Het gaat om enkele producten die gewijzigd, toegevoegd of verwijderd zijn.

De positieve lijst diergeneesmiddelen voor IKB-Varkensbedrijven bevat de enige antibiotica die bij IKB waardige varkens mogen worden toegepast.

Sinds 1 juni 2017 wordt voor alle vermelde producten de wettelijke wachttermijn vernoemd en worden geen verlengde IKB-wachttermijnen meer gehanteerd. Voor de producten van Dopharma staat de IKB-wachttijd daarom niet meer op het etiket vermeld. Op onze website hebben wij bij alle antibiotica de IKB-wachttijden aangepast.

Een overzicht van al onze producten geregistreerd voor varken kunt u hier vinden.