news

Moeten we ons zorgen maken om lumpy skin disease?

Lumpy Skin disease (LSD), een van origine Afrikaanse runderziekte rukt op naar het noorden.

LSD, ook besmettelijke nodulaire dermatitis genoemd, is een huidaandoening bij runderen die veroorzaakt wordt door een pokkenvirus. De ziekte leidt tot schade aan de huid en heeft effect op de melk-, rundvlees- en leerproductie.

Maatregelen om de verspreiding van de ziekte in te dijken lijken niet te volstaan. Vanwege de vergaande economische gevolgen die het kan veroorzaken, staat LSD op de A-lijst (snel verspreidende ziekten) van de OIE.

Figuur 1 Koe met lumpy skin disease

Lumpy skin disease (LSD) of besmettelijke nodulaire dermatose is een huidaandoening bij runderen die veroorzaakt wordt door een pokkenvirus.

In de richtlijn inzake de melding van besmettelijke dierziekten (volgens artikelen 3 en 4 van 92/119 / EG)  wordt LSD aangeduid als besmettelijke dierziekte bij vee. De NVWA dient daarom geïnformeerd te worden bij eventuele verdenking van de ziekte.

Etiologie

Het lumpy skin disease virus (LSDV) behoort tot de familie van de Poxviridae, genus Capripoxvirus en is nauw verwant aan het schapen- en geitenpokkenvirus.

Runderen zijn het meest gevoelig voor dit virus. Maar ook waterbuffalo’s, giraffen, impala’s en kamelen kunnen de infectie doormaken. LSDV kan zich ook vermenigvuldigen in schapen en geiten na inoculatie. Nodulaire dermatitis is niet besmettelijk voor mensen.

LSDV is opmerkelijk stabiel en kan gedurende lange perioden overleven. LSDV kan gedurende 33 dagen of langer overleven in necrotische huidknobbels, tot 35 dagen in gedroogde korsten en ten minste 18 dagen in aan de lucht gedroogd huiden. Het virus is gevoelig voor zonlicht en desinfectiemiddelen die vet kunnen oplossen. In donkere en verontreinigende stallen kan het virus lang overleven.

Lumpy skin werd voor het eerst gerapporteerd in Zambia in 1929. Meldingen van uitbraken uit naburige landen volgden al spoedig. In mei 1988 had de ziekte het noorden van Afrika bereikt. In dit jaar en het jaar daarop werden heel wat koeien besmet in Egypte en de ziekte verspreidde zich ook naar Israël. In Israël is de ziekte ondertussen uitgeroeid. Maar de verspreiding van LSD zet zich verder voort richting het noorden. Vorig jaar werden er in Bulgarije negen haarden van besmettelijke nodulaire dermatitis bevestigd. Om deze reden heeft de stichting kwaliteitsgarantie vleeskalverhouderij (SKV) in oktober 2016 een verbod afgekondigd voor het opzetten van kalveren uit Bulgarije.

Figuur 2 Kaart die uitbraken van augustus 2016 tot maart 2017 in kaart brengt (OIE).

Het virus wordt hoofdzakelijk overgedragen door bijtende insecten. Maar ook direct contact en besmette huiden kunnen de ziekte overbrengen. Het virus kan gevonden worden in speeksel, neus- en conjunctivale secreties, melk en in huidletsels en hun korsten. Virus uitscheiding via het sperma kan lange tijd aanhouden.

Uitbraken komen vooral voor in warme gebieden waar veel insecten aanwezig zijn, na intense regenval of langs rivieren. De ziekte verspreidt zich traag en ze kan onder controle gebracht worden door het ruimen van besmette bedrijven en het instellen van een bewegingsbeperking van runderen.

De morbiditeit kan oplopen tot 50%. Het sterfte percentage is normaal gezien vrij laag, maar bij een hoge infectiedruk kan dit oplopen tot 40%.

Symptomen

Over de incubatieperiode in het veld is nog niets bekend. Echter na inoculatie is de incubatieperiode 2 tot 8 weken. Bij experimenteel geïnfecteerde dieren ontstaat koorts (tot 41°C) na 6-9 dagen. De eerste huidletsels op de plaats van inoculatie ontstaan na 4 tot 20 dagen. Zieke dieren krijgen vooral knobbels op hun huid en op hun slijmvliezen. Dat kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. Door de hoge koorts zijn de dieren zwak en willen ze niet meer eten waardoor hun melkgift afneemt. De knobbels verdwijnen uiteindelijk maar het herstel kan heel lang duren, waardoor dieren kunnen sterven door zwakte en ondervoeding. Ook kunnen er letsels ontstaan in het gastro-intestinale stelsel en de trachea. Bijkomende bacteriële infecties in o.a. de uier (mastitis), pezen en gewrichten (kreupelheid) kunnen zorgen voor complicaties van lumpy skin disease. De ziekte leidt ook in lage percentages tot abortus en (tijdelijke) onvruchtbaarheid.

Figuur 3 Lumpy skin disease laesies

Diagnose

De diagnose van de ziekte gebeurt aanvankelijk op klinische gronden en dient later bevestigd te worden in het laboratorium door klassieke virologische en/of serologische methodes. Vanwege de lage antilichaamrespons na infectie wordt de bevestiging van de ziekte over het algemeen gebaseerd op de detectie van Capripoxvirus virions of antigenen via elektronenmiscroscopie, virusisolatie en/of real-time PCR.

Monsters voor virusisolatie moeten genomen worden tijdens de eerste week na het verschijnen van symptomen, voordat neutraliserende antilichamen verschijnen. Monsters voor real-time PCR kunnen ook na deze periode verzameld worden.

Differentiaal diagnose

  • Pseudo-nodulaire dermatose of ziekte van Allerton (Herpesvirus)
  • Huidleucose
  • Horzellarve
  • Demodicidose
  • Onchocercose

Bestrijding

Om verspreiding van LSD tegen te gaan, is in de Oost-Europese landen besloten om besmette veestapels te ruimen en de vervoersbewegingen in besmette gebieden te beperken. Probleem daarbij is wel dat het virus niet alleen door direct contact, maar ook door steekvliegen en muggen wordt overgebracht.

Vaccinatie is dan ook de meest doeltreffende manier om verliezen door Capripoxvirusen te beperken. Verschillende levend verzwakte virusvaccins worden gebruikt als bescherming tegen deze virussen. De meest gebruikte vaccins zijn deze op basis van de Romanian stam (schapenpokken) en de Neethling stam (nodulaire dermatose).

Vaccinatie tegen LSD is in Nederland verboden.

In landen waar lumpy skin disease heerst, is naast vaccinatie, vectorcontrole een belangrijke manier om schade als gevolg van de ziekte te beperken.

Voor gebieden zoals de Europese Unie die vrij zijn van de ziekte is het van belang te voorkomen dat de ziekte geïntroduceerd wordt. Binnen de Europese Unie geldt daarom een importverbod van runderen en kleine herkauwers uit landen waar lumpy skin disease heerst.

Maar hier stopt het niet. Alle runderen die uit Europa via de weg naar Turkije geëxporteerd worden, reizen door het besmette gebied in Bulgarije. Er dient dus ook aandacht geschonken te worden aan de vrachtwagens die terugkomen van Turkije.

Hygiënemaatregelen en een goede bioveiligheid zijn dan ook niet weg te denken in een goed bestrijdingsplan. Gelukkig is het virus gevoelig voor o.a. de volgende infectiemiddelen: fenol (2% / 15 minuten), natriumhypochloriet (2-3%), jodiumsamenstellingen (1:33 verdunning), quaternaire ammoniumverbindingen (0,5%).

Conclusie

Lumpy skin disease is een ziekte van het Afrikaanse continent. In 2013 werd toen de ziekte voor het eerst vastgesteld in Turkije. Sindsdien heeft het virus zich verspreid in naar Griekenland, Servië, Bulgarije, Macedonië, Albanië en Montenegro. Het risico op verdere verspreiding van de ziekte noordwaarts is groot. Besmettelijke nodulaire dermatitis kan in de Europese rundveepopulatie van circa 87 miljoen runderen grote economische schade veroorzaken. Binnen de Europese Unie geldt daarom een importverbod voor runderen uit met LSD besmette gebieden. Maar naast dit importverbod zullen ook maatregelen op vlak van hygiëne en bioveiligheid strikt moeten gevolgd worden om intrede van deze ziekte in Europa te voorkomen.

Referenties

  1. OIE (2013) Lumpy skin disease.
  2. FAO – Lumpy skin disease.
  3. Wageningen university and research – Lumpy skin disease

Lezing Prof. R. Ducatelle – Dysbiosis en antibioticavrije pluimveeproductie: een onmogelijke combinatie?

Tijdens het door Dopharma georganiseerde pluimveesymposium op 20 januari 2017 gaf Richard Ducatelle een zeer interessante lezing over dysbacteriose bij pluimvee. Richard Ducatelle is professor aan de universiteit van Gent en doet samen met zijn team onderzoek naar dit onderwerp. Het doel is niet alleen om meer inzicht te krijgen in de microflora van kippen en de functies van verschillende bacteriegroepen, maar ook in de maatregelen die genomen kunnen worden om bij te sturen.

Dysbacteriose

Bij kippen met pathologische afwijkingen in het maagdarmkanaal is er niet altijd sprake van een pathogene verwekker die verantwoordelijk is voor de problematiek. In die gevallen is er doorgaans sprake van dysbacteriose. De definitie van dysbacteriose is een microbiële disbalans. Dysbacteriose staat ook bekend als dysbiose, bacteriële enteritis en ‘feed passage syndrome’.

Hoewel de disbalans meestal van toepassing is op de bacteriële populatie in het maagdarmkanaal, kan dit ook van toepassing zijn op de bacteriën in de luchtwegen en op de huid.

Dysbacteriose in het maagdarmkanaal is een belangrijk probleem in de pluimveehouderij, omdat de darmflora onderdeel is van de eerste bescherming tegen pathogenen, en omdat het een rol speelt bij de vertering van het voer. Als de balans tussen bacteriën in het maagdarmkanaal verstoord wordt, kan dit bovendien leiden tot overgroei van één of meer verstorende bacteriekoloniën. Op dit moment zijn er, behalve de inzet van antibiotica, geen methoden om dysbacteriose te behandelen.

Pathologie

Tijdens sectie zijn er een aantal dingen die kunnen opvallen: dunne en fragiele darmwanden, waterige of schuimige inhoud en onverteerde voedseldelen in de darm, ballooning en een gebrek aan darmtonus. In ernstige gevallen kan ook roodheid van de serosa voorkomen. In tegenstelling tot bij necrotische enteritis, wordt er geen necrotisch materiaal gevonden in het maagdarmkanaal.

Diagnostiek

Op dit moment is het slechts mogelijk om 5 – 10% van de voorkomende bacteriën te kweken op bestaande voedingsbodems. Over de meeste bacteriën weten we dus niet zoveel. Om meer over dit onbekende deel van de microflora te weten te komen, kan er gebruik worden gemaakt van metagenomica. Hiervoor wordt een mestmonster genomen, waaruit DNA geïsoleerd wordt. Met behulp van een PCR wordt bepaald van welke bacteriën dit DNA afkomstig is. Het resultaat is een lange lijst met bacteriesoorten. Figuur 1 geeft hiervan een voorbeeld.

Figuur 1 Resultaat van metagenomica

Het is echter zeer lastig om de informatie die op deze manier wordt verkregen te interpreteren en te bepalen wat het belang is voor de gezondheid van het dier. Van een aantal bacteriën weten we dat ze ziekte kunnen veroorzaken, maar van een groot aantal bacteriën weten we dit niet. De universiteit van Gent wil dit inzichtelijk maken door te bepalen wat de functies van de verschillende bacteriegroepen in het maagdarmkanaal van kippen zijn. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de invloed van bepaalde factoren, zoals voerwijzigingen, op de microflora.

De microflora

De darmflora is per individu verschillend. Dit geldt zowel voor kippen als voor mensen. Er is echter wel een gelijkenis als je kijkt naar de groepen bacteriën. Bij alle diersoorten, inclusief kippen, komen de vier grootste groepen overeen. De grootste groep bestaat uit Firmicutes. Daarna volgen de groepen met Bacteroidetes,Proteobacteria en Verrucomicrobia.

Over de functies van deze bacteriegroepen bij kippen is helaas tot op heden nog niet zo heel veel bekend.

  • De Firmicutes vormen een groep (phylum) die vooral boterzuur produceert. Ook de clostridia vallen in deze categorie.
  • Bacteroidetes zorgen voor de afbraak van celwanden, vooral van plantencellen. Ze breken dus voor de kip onverteerbare polysachariden af en helpen daardoor mee met de vertering.
  • Onder de Proteobacteria vallen enkele potentieel pathogene bacteriën zoals Escherichia coli.
  • Verrucomicrobia breken mucus af. In de darmen zitten veel meer slijmbekercellen dan nodig voor de productie van de mucuslaag. De mucus kan door deze bacteriën gebruikt worden als energiebron. De afbraakproducten die ze maken zijn belangrijke voedingsstoffen voor andere bacteriën die in het maagdarmkanaal voorkomen.

Functionele genen

Naast het bepalen welke bacteriën voorkomen in de microflora, is het ook mogelijk om met een PCR te beoordelen wat de frequentie van bepaalde genen is. Zo is er door de onderzoeksgroep van Richard Ducatelle bijvoorbeeld gekeken naar de genen die coderen voor enzymen verantwoordelijk voor de productie van butyraat. Butyraat heeft verschillende functies in het lichaam:

  • het zorgt voor een verhoging van de secretie van mucus en antimicrobiële peptiden;
  • het vermindert de ernst van een ontstekingsreactie;
  • het verhoogt de integriteit van het epitheel en tight junctions in de darm;
  • het stimuleert de celdeling, regeneratie van epitheelcellen en de enzymproductie.

Uit onderzoek is gebleken dat de capaciteit om butyraat te produceren bij kuikens die moeilijk verteerbaar eiwit krijgen lager is dan bij kuikens die goed verteerbaar eiwit krijgen. De capaciteit om waterstofsulfide (H2S) te produceren is echter hoger.

H2S heeft verschillende fysiologische functies zoals het behouden van een goede spiertonus in de darmen. Wanneer er een overmaat aan H2S voorkomt, zijn er echter ook negatieve effecten. H2S remt dan de mitochondriën, cytochroom C oxide, de boterzuurverbranding en de mucusproductie. Daarnaast kan het zorgen voor beschadiging van het DNA in de epitheelcellen. Remming van de werking van de mitochondriën zorgt vervolgens voor een tekort aan energie in de epitheelcellen. Dat zorgt voor celdood en een daaropvolgende ontstekingsreactie.

Aan de hand van de bepaling van deze functionele genen kan dus beoordeeld worden welke enzymen het meest actief zijn. In de toekomst wordt het dan misschien mogelijk om hierop te sturen, bijv. indien nodig, door meer butyraat te verstrekken via het voer of water.

Toekomst

Door de studies van Richard Ducatelle en zijn team krijgen we steeds meer inzicht in de microflora van kippen. Ook zijn de resultaten van metagenomica steeds sneller beschikbaar. Een aantal jaar geleden moest hier nog een jaar op worden gewacht, nu zijn de resultaten binnen twee weken beschikbaar.

In de toekomst moet er echter nog meer duidelijk worden over de rol van de verschillende bacteriën en de correlatie tussen het wel of niet voorkomen van bepaalde bacteriën of bacteriegroepen en het optreden van gezondheidsproblemen. Het moet dan veel sneller duidelijk worden wanneer het aan te bevelen is om bij te sturen.

Tot slot moet er nog heel veel onderzoek worden gedaan naar deze mogelijkheden om bij te sturen. Welke invloed hebben verschillende componenten op de microflora en hoe kunnen deze componenten ingezet worden om de diergezondheid te verbeteren?

Conclusie

Dysbacteriose is een belangrijk en moeilijk te controleren probleem in de pluimveehouderij. In de toekomst wordt het misschien mogelijk om meer inzicht te krijgen in de etiologie van dit probleem, en de mogelijkheden om bij te sturen. Hiermee zou een grote bijdrage geleverd kunnen worden aan ‘Best Practice’ op pluimveebedrijven.