Salmonella, terug van weggeweest?

In de jaren negentig werd de kalverhouderij opgeschrikt door Salmonella besmettingen met massale sterfte tot gevolg. De jaren daarna bleef het relatief stil. Maar de bacterie is nooit helemaal weggeweest. Sinds een vijftal jaren is Salmonella terug in opmars. En dat niet alleen in de kalverhouderij. Ook in de melkveehouderij en vleesveehouderij wordt af en toe salmonellose gediagnosticeerd.

Maar wat houdt een Salmonella infectie nu eigenlijk in?

In dit artikel wordt er gekeken naar etiologie, prevalentie, transmissie, klinische symptomen, diagnose, behandeling en preventiemaatregelen van salmonellose.

Oorzaak

Salmonellose wordt veroorzaakt door de Salmonella bacterie. Dit is een gram negatief staafje dat veel ellende kan veroorzaken op rundveebedrijven. Van de circa 2500 verschillende Salmonella bacteriën vormen vooral twee serogroepen een gevaar voor de rundveehouderij.

De typering van Salmonella isolaten vindt vaak plaats op serogroep niveau. Er wordt een onderverdeling gemaakt op basis van de O-antigenen in serogroepen A tot en met E. In de rundveehouderij komen voornamelijk twee typen Salmonella voor, namelijk Salmonella enterica serotype typhimurium (serogroep B) en Salmonella enterica serotype dublin (serogoep D).

Salmonellose valt onder de besmettelijke dierziekten die aangifteplichtig zijn als bedoeld in artikel 100 van de wet.

Prevalentie

In België deed DGZ een onderzoek naar de prevalentie van Salmonella op melkveebedrijven op basis van antistoffenonderzoek in bloed en melk. Er werd gekeken naar de twee meest voorkomende typen, namelijk S. typhimurium en S. dublin. Van de 206 bedrijven die getest werden, waren er 17,45% positief.

In Nederland werd naar aanleiding van het Salmonella –monitoringsplan op 10% van de melkveebedrijven Salmonella gevonden.

Een uitbraak van Salmonella dublin veroorzaakt op een bedrijf met 100 melkkoeien een gemiddelde bedrijfseconomische schade van € 4.637,- als gevolg van vooral sterfte, behandelings- en afvoerkosten. En alsof dit nog niet genoeg is, ook de melkveehouder en zijn gezin kunnen ernstig ziek worden door een infectie met de bacterie.

Transmissie

Salmonella verspreidt zich voornamelijk door de oro-fecale route. Binnen het besmette bedrijf vindt overdracht van infectie dan ook vooral plaats door direct contact tussen de dieren en door fecale verontreiniging van water, melk of voedsel. Maar er treedt ook uitscheiding op in urine, speeksel en vaginale uitscheiding. Dit betekent dat ook overdracht van de bacterie via ‘mechanische vectoren’ kan leiden tot verspreiding op een bedrijf en tussen bedrijven.

Ook ongedierte en vogels kunnen de bacterie verspreiden.

Vermits een Salmonella bacterie lang kan overleven in de omgeving, blijft de kans op besmetting bestaan.

Het ziekteproces

Na de opname van de bacterie via de bek, nestelt de bacterie zich in het maagdarmkanaal om te vermenigvuldigen. Daarna dringen de bacteriën binnen in de epitheelcellen van de dunne darm, het ceacum en het colon. Dit resulteert in een hemorragische tot pseudomembraneuze infectie van de darm, wat leidt tot hypersecretie, malabsorptie en maldigestie.  Wanneer de bacterie niet onderschept wordt door het immuunsysteem kan hij in de bloedbaan terecht komen en septikemie veroorzaken. Jonge kalfjes tot drie maanden zijn extra gevoelig voor een Salmonella besmetting en kunnen de infectie gemakkelijk aan elkaar doorgeven.

De uitscheiding na besmetting is het hoogst de eerste week na de infectie en neemt nadien geleidelijk af.

Een Salmonella infectie kent verschillende klinische ziektebeelden maar kan ook verlopen zonder ziekteverschijnselen.

Bij een peracute infectie zal het dier al snel na de infectie doodgaan. Dit komt vooral voor bij kalveren met een lage weerstand bij een hoge infectiedruk.

Bij een acute infectie hebben de kalveren de volgende symptomen: koorts, depressie, verminderde eetlust, pneumonie, bloederige diarree en artritis. Ook nerveuze verschijnselen kunnen voorkomen.

Bij koeien kan een acute infectie zorgen voor diarree, koorts, abortus en melkproductiedaling. Deze acute infectie kan ook overgaan in een chronische infectie. Dit gebeurt meestal bij al wat oudere dieren. Deze dieren blijven duidelijk achter in groei, hebben een smerige vacht en hebben dikwijls een lichte temperatuursverhoging. Voor Salmonella dublin zijn in dit stadium necrose van de oorhuid of distale ledematen typerend.

Maar een infectie kan ook zonder symptomen verlopen. Dit gebeurt wanneer de bacterie kan ontsnappen aan het immuunsysteem. Bij deze dieren blijft na een infectie de bacterie aanwezig. Deze dieren worden ook wel “dragers” genoemd. Er bestaan twee soorten dragers, actieve en passieve dragers.

Actieve dragers scheiden de bacterie continu uit in de mest. Passieve dragers, ook wel “latente” dragers genoemd, scheiden de bacterie met tussenpozen uit in de mest.

Deze dragers zijn de grootste verspreiders van de infectie, omdat de dieren niet te herkennen zijn aan de symptomen.

Zoönose

Salmonella’s bij het rund kunnen mensen die in contact komen met de runderen besmetten.

Uit onderzoek blijkt dat bij 20% van de rundveebedrijven met een klinische uitbraak ook klachten voorkomen in het gezin. De voornaamste klachten zijn diarree en koorts.

Diagnose

Een verdenking van salmonellose op basis van klinische verschijnselen kan worden bevestigd met behulp van melk, bloed of mestonderzoek.

Tankmelkonderzoek is een gemakkelijke manier om een idee te krijgen van de aanwezigheid van een Salmonella infectie op een bedrijf.

In het bloed kunnen ongeveer twee weken na de infectie reeds antistoffen aangetoond worden. Deze antistoffen blijven ongeveer 6 maanden aanwezig.

Mestonderzoek op de bacterie is ook een mogelijkheid om de infectie op een bedrijf te bevestigen. Vermits de passieve dragers van een Salmonella infectie een intermitterende uitscheiding hebben is dit onderzoek alleen niet betrouwbaar.

Behandeling

Salmonellose kan best zo vlug mogelijk worden aangepakt. Ondersteunende vocht- en elektrolytentoediening zijn niet weg te denken als behandeling.

Maar ook een antibioticum behandeling kan helpen om de Salmonella bacterie te bestrijden. Een Salmonella typhimurium infectie beperkt zich tot een infectie van het maagdarmkanaal en daarom heeft orale therapie de voorkeur. Eerste keuze antibiotica als chloortetracycline, trimethoprim / sulfonamide combinatie, maar ook tweede keus moleculen als amoxicilline, ampicilline, apramycine, neomycine en flumequine kunnen hiervoor gebruikt worden. Door de hoge koorts en de algemene malaise is het ook nodig ontstekings- en koortsremmers te gebruiken.

Naast producten voor parenterale behandeling heeft Dopharma ook producten voor orale behandeling in haar gamma. Een overzichtje hiervan kan u vinden aan het einde van dit artikel.

Zieke kalveren worden best afgezonderd van de rest. Dit dient doordacht te gebeuren om de ziekte niet verder te verspreiden op het bedrijf.

Bij de behandeling moet de nadruk zeker gelegd worden op een goede hygiëne en preventie.

Dit om verdere besmetting van mens en dier te voorkomen.

Preventie

De volgende maatregelen kunnen preventief genomen worden:

  • Strikte bedrijfshygiëne met gebruik van bedrijfskledij en schoeisel;
  • Goede reiniging en desinfectie van de stal na infectie;
  • Ongediertebestrijding;
  • Geen materiaal uitwisseling tussen groepen van dieren en/of bedrijven;
  • Geen mest aanvoeren van andere rundveebedrijven.

Dopharma gamma ter behandeling van salmonellose bij rundvee

Producten Reg NL Aanbevolen dosering per kalf
Ondersteunende therapie
Na-salicylaat  8913 40 mg natrium salicylaat per kg lichaamsgewicht per dag, gedurende 1- 3 dagen.
Sodium Salicyl® 80% WSP 104033 40 mg natrium salicylaat per kg lichaamsgewicht eenmaal daags (overeenkomend met 50 mg product per kg lichaamsgewicht per dag), gedurende 1 – 3 dagen.
Antibiotica therapie*
Eerste keus antibiotica
Trim/sul Sul 80/420 2213 21 mg sulfadiazine natrium en 4 mg trimethoprim per kg lichaamsgewicht per dag (overeenkomend met 2,5 g product per 50 kg lichaamsgewicht), verdeeld over twee doses, gedurende maximaal 5 dagen.
Cubarmix® 48% 7863 20 mg sulfadiazine en 4 mg trimethoprim per kg lichaamsgewicht, verdeeld over twee doses (overeenkomend met tweemaal daags 2,5 g product per 100 kg lichaamsgewicht), gedurende 5 dagen.
Tweede keus antibiotica
Enterflume® kalf, kip 8758 9 mg flumequine per kg lichaamsgewicht, tweemaal daags (overeenkomend met twee maal daags 0,9 gram per 50 kg lichaamsgewicht), gedurende 3 – 5 dagen.
Neosol® 100% 104343 10 mg neomycine sulfaat per kg lichaamsgewicht per dag, verdeeld over 2 – 4 keer, gedurende 3 – 5 dagen.
Ampisol® 100% 5193 20 – 40 mg ampicilline trihydraat per kg lichaamsgewicht per dag, verdeeld over twee doseringen, gedurende 5 – 7 dagen.
Ampisol® 20% 1985 20 – 40 mg ampicilline trihydraat per kg lichaamsgewicht per dag (overeenkomend met 1 – 2 gram product per 10 kg lichaamsgewicht per dag), verdeeld over twee doseringen, gedurende minimaal 5 dagen.

* Gezien de ernst van de klinische verschijnselen is het aan te raden de hoogst toegelaten dosering te gebruiken.

Meer informatie over onze producten vindt u op onze website www.dopharma.com

Referenties

Kalvermeeting: Diagnose van BRD, hoe pakken we dit het best aan?

Luchtwegproblemen zijn niet weg te denken uit de vleeskalverhouderij. Vereiste nummer één voor een verantwoord antibioticagebruik bij respiratoire infecties is natuurlijk het stellen van een goede diagnose.

Ter ondersteuning hiervan organiseerde Dopharma een dag voor Belgische en Nederlandse dierenartsen uit de vleeskalversector over het toepassen van enkele diagnostische methoden bij infectieuze pneumonie bij kalveren.  

Bovine respiratory disease

Bovine respiratory disease (BRD) is een ziektecomplex van de bovenste en onderste luchtwegen dat vaak voorkomt bij vleeskalveren. Een juiste diagnose is noodzakelijk voor het inzetten van een goede behandeling.

Broncho-alveolaire spoeling

Naast het klinisch onderzoek met thermometer en stethoscoop, kan bijkomend diagnostisch onderzoek nuttige informatie opleveren. Laboratoriumdiagnostiek als het nemen van nasofaryngale swabs of broncho-alveolaire spoeling (BAL) dragen zeker bij aan het stellen van een goede diagnose. Maar terwijl het voor sommige onder ons dagelijkse routine is, is het uitvoeren van een BAL voor anderen toch net een brug te ver. Daarom kregen kalverdierenartsen tijdens de praktische sessie de kans om een BAL te oefenen onder deskundige begeleiding.

Toch wordt bijkomend diagnostisch onderzoek niet altijd uitgevoerd. Argumenten als kosten en tijd voordat een uitslag bekend is, spelen dikwijls een rol bij het niet inzetten. Redenen die voor echografie van de longen niet aangehaald kunnen worden.

Echografie

Transcutane echografie van het longveld kan helpen bij het opsporen van pneumonie en het beslissen of al dan niet antibiotica dienen ingezet te worden.

Vele praktijken bezitten een echo om de voortplanting bij koeien of paarden te kunnen opvolgen. Deze toestellen kunnen ook gebruikt worden als diagnostisch middel bij kalveren. Dus het aanschaffen van een dure echo is niet nodig, met behulp van een lineaire sonde kom je al een heel eind.

Diagnose door middel van echografie is niet alleen weggelegd voor meer ervaren dierenartsen. Tijdens de oefensessie in de kalverstal werd al vlug duidelijk dat ook minder ervaren collega’s met behulp van de beslisboom die werd aangereikt tijdens de sessie, de echografiebeelden relatief makkelijk kunnen interpreteren.

Thoracale echografie is geen gouden standaard. Het verdient echter wel een plaats tussen de diagnostische middelen om infectieuze pneumonie te detecteren en te beoordelen.